Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BG4873

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
20-11-2008
Zaaknummer
06/10061
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De fiscale bijtelling voor pirvégebruik van de bestelauto is terecht toegepast. Eiser heeft geen rittenregistratie bijgehouden. Eisers stelling dat de auto te stoffig was om anders dan zakelijk te gebruiken leidt niet tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/10061, 06/10062 en 06/10063

Uitspraakdatum: 28 juni 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiser,

gemachtigde: mr A

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 4 augustus 2006 op het bezwaar van eiser tegen de opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2001, de aanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering (Waz) 2001 en de aanslag ziekenfondswet zelfstandigen (Zfw) 2001.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2007.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr A. Namens verweerder is verschenen B.

Gronden

1. Aan eiser is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 886. Met dagtekening 18 oktober 2005 is aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.860. De correctie betreft een bijtelling voor privégebruik van de bestelauto van € 5.591 alsmede een correctie toevoeging fiscale oudedagsreserve van € 7.383 (totale winstcorrectie € 12.974).

Aan eiser is een aanslag Waz 2001 opgelegd naar een premie inkomen van € 11.107. In de navorderingsaanslag is dit inkomen verhoogd met genoemde winstcorrectie van € 12.974 en tevens met een correctie zelfstandigenaftrek van € 4.675; het premie inkomen bedraagt hiermee € 28.756.

Aan eiser is een aanslag Zwf 2001 opgelegd uitgaande van een premie inkomen van € 886. In de navorderingsaanslag is dit inkomen verhoogd met € 12.974 en na toepassing van de standaardaftrekposten van € 1.355 vastgesteld op € 12.505.

2. Eiser is gehuwd en heeft twee minderjarige kinderen.

Hij exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een stukadoorsbedrijf. Tot het ondernemingsvermogen behoort een bestelauto, een Mercedes-Benz Vito, aangeschaft in het jaar 2000, met een cataloguswaarde van € 25.415. De cabineruimte is middels een tussenschot afgescheiden van de laadruimte. Naast de bestuurder is een zitplaats voor een bijrijder. Het gezin van eiser beschikt voorts over een privéauto.

3. In geschil is of verweerder terecht een fiscale bijtelling van 25 % voor privégebruik van de bestelauto heeft toegepast.

4. Eiser stelt dat de auto als gevolg van het gebruik ervan in het stukadoorsbedrijf zodanig is vervuild dat deze niet geschikt is voor privégebruik. Ook is het wettelijk niet toegestaan kinderen voor in een auto te vervoeren, zodat zij geen gebruik kunnen maken van de bestelauto. Omdat de bestelauto niet voor privédoeleinden is gebruikt, heeft eiser geen rittenregistratie bijgehouden.

5. Verweerder stelt dat eiser niet heeft doen blijken dat met de bestelauto minder dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gereden.

6. In artikel 3.20 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001(tekst 2001) (hierna: Wet IB 2001) is ter zake van de bijtelling voor het privégebruik van een auto opgenomen, voor zover hier van belang:

“1. Indien aan de belastingplichtige ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking staat, wordt op jaarbasis ten minste 25% van de waarde van de auto als onttrekking in aanmerking genomen. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te staan tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

2. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt de onttrekking gesteld op nihil.

3. Indien het aantal op jaarbasis voor privé-doeleinden gereden kilometers blijkt uit een rittenregistratie, wordt de onttrekking:

a. indien dit aantal meer is dan 500 maar niet meer dan 4000, gesteld op ten minste 15% van de waarde van de auto;

b. indien dit aantal meer is dan 4000 maar niet meer dan 7000, gesteld op ten minste 20% van de waarde van de auto.

4. (…)

5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Daarbij kunnen vereenvoudigde regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen voor een bestelauto die op jaarbasis voor meer dan 500 kilometer, maar niet meer dan 4000 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

(…)”

7. Op eiser rust derhalve de (zware) bewijslast om te doen blijken dat er sprake is van een privégebruik van niet meer dan 500 kilometer, dan wel, indien hij een lager percentage dan 25% in aanmerking genomen wenst te zien, van een privégebruik van niet meer dan 7.000 ofwel niet meer dan 4.000 kilometer.

8. Nu eiser geen rittenregistratie heeft bijgehouden kan hij niet met behulp van een dergelijke registratie voldoen aan de op hem rustende bewijslast dat de auto in 2001 voor minder 500 kilometer voor privé doeleinden is gebruikt.

De stelling van eiser dat het vervoer van zijn minderjarige kinderen op de bijrijdersplaats wettelijk niet is toegestaan, is daartoe onvoldoende. Evenmin kan eiser volstaan met de stelling, daarin door de Inspecteur gemotiveerd weersproken onder verwijzing naar de waarnemingen van de controleur tijdens het ingestelde boekenonderzoek (bij de bezichtiging van een nieuw aangeschafte bestelwagen maar op een moment dat deze even oud was als de onderhavige bestelwagen in 2001), dat de auto te stoffig was om anders dan zakelijk te gebruiken.

Ook als eiser gevolgd kan worden in zijn stelling dat de auto aan de binnenzijde (als gevolg van zijn werkzaamheden als stukadoor en het transport van stoffige materialen en grond¬stof¬fen als gips en kalk) dermate stoffig is dat sommige privé ritten niet snel gemaakt zullen worden omdat ze de kleding van de inzittende zullen besmeuren, heeft eiser daarmee nog niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het privégebruik van de auto beperkt zich niet noodzakelijkerwijs tot ritten waarbij de kleding van de inzittenden niet met stof in aanraking mag komen. Het privégebruik kan zich ook uitstrekken tot ritten waarbij de aanwezige stof in de auto minder bezwaarlijk is omdat bijvoorbeeld de te vervoeren goederen toch al stoffig zijn, dan wel makkelijk te reinigen zijn.

Nu eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de auto voor minder 500 kilometer voor privé doeleinden is gebruikt, heeft de Inspecteur terecht een bijtelling aangebracht ter zake van het privégebruik van de auto.

9. Ten aanzien van de hoogte van de voor het onderhavige jaar gehanteerde bijtelling ter zake van het privégebruik van de auto, overweegt de rechtbank als volgt.

Zoals hiervoor overwogen heeft eiser niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de auto voor minder 500 kilometer voor privé doeleinden is gebruikt. Echter, de rechtbank komt op basis van de uiteenzetting van eiser (onder verwijzing naar de onmogelijkheid om als gezin van de auto gebruik te maken vanwege de grootte van de auto en de wettelijke bepalingen en de stoffige conditie waarin de auto verkeert) tot het oordeel dat privégebruik weliswaar beperkt mogelijk is maar niet in die omvang dat de grens van 4.000 kilometer (zoals genoemd in artikel 3:20, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet IB 2001) wordt overschreden. Alsdan dient de bijtelling beperkt te blijven tot 15% van de cataloguswaarde van de auto. Dit leidt tot een correctie privégebruik van (netto) € 3.355.

proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht de rechtbank termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding vast op € 483

(2 [voor proceshandelingen] x € 322 x 0,5 [voor het gewicht van de zaak] x 1,5 [voor samen¬hangende zaken] ).

Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per tweede klasse van het openbaar vervoer die eiser heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen, te stellen op € 7.

beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraken;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 11.624, de navorderingsaanslag Waz 2001 tot een berekend naar een premie inkomen van € 26.520 en de navorderingsaanslag Zfw 2001 tot een berekend naar een premie inkomen van € 10.269;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een beloop van

€ 490 en wijst de Staat aan dit bedrag aan eiser te voldoen, en

- gelast de Staat het door eiser betaalde griffierecht ad € 38 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 28 juni 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door dr mr A.M. van Amsterdam, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Anema, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.