Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BG1505

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
06/11723
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onjuiste lezing beschikking 25 maart 2003. Naar oordeel van de rechtbank kan kwijtscheldingswinst niet genomen worden in een eerder jaar dan 2002. Kwijtscheldingswinst nemen op moment waarop omvang nog niet kon worden bepaald is niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 2200

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/11723

Uitspraakdatum: 4 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

A B.V., gevestigd te Q,

eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2002 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.043.191, en - impliciet - een verliesvaststellingsbeschikking van nihil.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 mei 2006 de aanslag verminderd naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van nihil. Eiseres heeft bij brief van 15 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 16 juni 2006, beroep ingesteld tegen het niet afgeven van een verliesvaststellingsbeschikking.

1.3. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden en is gesloten op 23 mei 2007 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen A, bijgestaan door B. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is op 16 maart 2000 opgericht. De aandelen zijn in handen van B B.V. en C B.V. Met ingang van 2002 vormen D B.V., E B.V. en F B.V. een fiscale eenheid met eiseres.

2.2. Bij D B.V. was er sprake van onbetaalde belastingschulden over de jaren 2000 en 2001. Op 26 maart 2002 heeft eiseres een verzoek om kwijtschelding gedaan. Het verzoek is bij beschikking van 5 april 2002 afgewezen. Tegen deze beschikking is op 15 april 2002 in bezwaar gegaan. In juli 2002 is op grond hiervan een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres, D BV, E BV, F BV, B BV en C BV. Op basis van informatie verkregen uit het onderzoek is besloten na betaling van € 120.326 voor het restant (€ 488.612) kwijtschelding te verlenen. In december 2002 zijn door partijen hier gesprekken over geweest en is er een concept beschikking opgesteld. Uiteindelijk is het neergelegd in een beschikking met dagtekening 25 maart 2003.

2.3. In de beschikking op het verzoek om kwijtschelding van 25 maart 2003 is het volgende neergelegd:

“Op basis van de uit het invorderingsonderzoek verkregen informatie ben ik van plan u alsnog kwijtschelding te verlenen nadat op deze aanslagen een bedrag € 120.326 is betaald. Dit bedrag, verminderd met de betalingen op deze aanslagen tot en met februari 2002 van € 103.107, moet vóór 1 mei 2003 zijn voldaan.

Ik verbind hier nog wel de volgende voorwaarden aan:

1. Verminderingen van deze aanslagen zijn niet van invloed op het te betalen bedrag. Deze worden altijd afgeboekt op die aanslagen.

2. Lopende en nieuwe fiscale verplichtingen moet u stipt volgens de wettelijke termijnen nakomen.

3. Voor de vennootschapsbelasting vervallen per 1 januari 2002 de te verrekenen verliezen van D B.V. en E B.V. De aangiften 2001 zullen hiertoe worden vastgesteld op een belastbaar bedrag van nihil, dit door de aangegeven belastbare winst 2001 vast te stellen op hetzelfde positieve bedrag als de negatieve belastbare winst van 2000 was.

Nadat aan deze voorwaarden voldaan is, zal ik u het restant van de genoemde aanslagen kwijtschelden. U ontvangt daarover dan nader bericht.”

2.4. De kwijtscheldingswinst is verwerkt in de aangifte vennootschapsbelasting 2002 van eiseres.

2.5. Eiseres heeft op 10 juli 2006 een verzoek om ambtshalve vermindering gedaan, strekkende tot het in aanmerking nemen van de kwijtscheldingswinst in het jaar 2001. Bij brief van 21 augustus 2006 is dit verzoek door verweerder afgewezen.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de kwijtscheldingswinst ten onrechte in 2002 is verwerkt en in 2001 in aanmerking moet worden genomen, wat door eiseres wordt verdedigd en door verweerder wordt betwist.

3.2. Eiseres stelt dat de kwijtscheldingswinst van € 488.612 verband houdt met uit 2000 en 2001 stammende belastingschulden. Deze kwijtscheldingswinst moet daarom worden toegerekend aan de winst over 2001. De schuldsanering was gekoppeld aan het laten vervallen van de verrekenbare verliezen met ingang van 1 januari 2002. Het was niet meer dan terecht en eveneens de bedoeling dat D BV de door haar gerealiseerde kwijtscheldingswinst nog kon verrekenen met openstaande verliezen uit het verleden, alvorens deze zouden komen te vervallen. Eiseres concludeert tot een verlies over 2002 van € 245.465.

3.3. Verweerder meent dat het tijdstip waarop een voor- of nadeel tot de fiscale winst moet worden gerekend door het goed koopmansgebruik wordt bepaald. De baten en lasten worden zo goed mogelijk toegerekend aan de jaren waarop zij betrekking hebben. Voorts mag de koopman voorzichtig zijn. Dit betekent dat winsten pas moeten worden verantwoord zodra ze daadwerkelijk gerealiseerd zijn. In 2002 is het verzoek tot kwijtschelding gedaan. Op 3 december 2002 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de sanering akkoord is en op 12 december 2002 is een conceptbeschikking is 12 december 2002 gefaxt. Het eerste jaar waarin de kwijtscheldingswinst verantwoord mag worden is daarom 2002.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beantwoording van de vraag in geding neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat goed koopmansgebruik verplicht tot het nemen van winst ter zake van de omstandigheid dat vaststaat of zo goed als zeker is dat bepaalde schulden niet of niet volledig zullen worden voldaan, als de omvang van het ter zake daarvan verkregen voordeel vaststaat (vgl. Hoge Raad, 14 juni 2000, nr. 35 494, BNB 2000/269). Naar het oordeel van de rechtbank is het niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik om kwijtscheldingwinst te verantwoorden op een moment waarop de omvang daarvan nog niet kan worden bepaald.

4.2. In casu is in 2002 een verzoek tot kwijtschelding gedaan. In december 2002 zijn er gesprekken geweest en is er een conceptbeschikking gemaakt over de sanering en de kwijtscheldingswinst. Pas toen was het verkregen voordeel bepaalbaar, voor die tijd was nog niet bekend of en hoeveel kwijtschelding plaats zou vinden. Naar het oordeel van de rechtbank kan de kwijtscheldingswinst mitsdien niet genomen worden in een eerder jaar dan 2002.

4.3. Hetgeen neergelegd is in de beschikking van 25 maart 2003 maakt dit niet anders. Het standpunt van eiseres dat de kwijtscheldingswinst genomen diende te worden in 2001, berust op een onjuiste lezing van de beschikking.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. J. Snitker, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - ten Hoopen, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.