Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BG1494

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
06/2795
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Vrijstelling premie volksverzekeringen ingevolge BUB. Vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2795

Uitspraakdatum: 20 maart 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: A van B Adviseurs te Q

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

Zitting

Bij het onderzoek ter zitting van 6 maart 2007 te Haarlem is verschenen verweerder. De gemachtigde van eiser is, met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Geschilomschrijving

In geschil is de uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aan eiser opgelegde aanslag inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2002.

Gronden

1. Eiser heeft bij de aangifte inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen 2002 een beroep gedaan op de vrijstelling voor de premie volksverzekeringen op grond van artikel 12, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: BUB):

“Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van tenminste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever”.

In het navolgende wordt dit beroep op de vrijstelling premie volksverzekeringen van artikel 12, eerste lid, van het BUB aangeduid als een beroep op ‘de vrijstelling’.

Verweerder heeft, in afwijking van de aangifte, in de bestreden uitspraak eiser voor het

gehe¬le jaar aangemerkt als premieplichtig voor de heffing van premies volksverze¬kerin¬gen.

2. De rechtbank begrijpt het beroepschrift aldus, dat eiser het in een eerdere fase verdedigde standpunt dat hij voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 3 november 2002 de

vrij¬stelling geniet op grond van de (letterlijke) tekst van artikel van 12, eerste lid, van het BUB, inmid¬dels heeft verlaten, mede als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad van 11 februari 2005, BNB 2005/159 waarnaar in het beroepschrift expliciet wordt verwezen.

3. De rechtbank voegt hier aan toe dat zo eiser al, in afwij¬king van het gestelde in het beroepschrift, het standpunt wenst in te nemen dat hij met vrucht een beroep kan doen op de vrijstelling, hem dat niet kan baten.

Feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat eiser in een afwijkende situatie verkeert zodat bovengenoemde uitspraak niet op eiser van toepassing is, zijn - tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder - gesteld noch gebleken.

4. Het beroep, zo begrijpt de rechtbank mede uit de openingszin van de derde alinea van het beroepschrift:

“Echter, belanghebbende blijft van mening dat hij voor het jaar 2002 toch vrijgesteld moet worden van de premie volksverzekeringen over de genoemde perioden en wel op basis van het vertrouwensbeginsel”

beperkt zich tot een beroep op het vertrouwensbeginsel, onder verwijzing naar het door verweer¬der voor de voorafgaande jaren ingenomen standpunt dat op eiser de vrijstelling van toepassing is.

5. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij brief van 26 maart 2001 aan eiser vragen zijn gesteld over de bij de aangifte inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1999 geclaimde vrijstelling.

Naar aanleiding van de door eiser verstrekte antwoorden heeft verweerder bij het opleggen van de aanslag over 1999 het standpunt ingenomen dat eiser terecht een beroep heeft gedaan op de vrijstelling.

6. Ten aanzien van de aangifte inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2000 zijn door verweerder geen vragen gesteld.

7. Ten aanzien van de aangifte inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2001 zijn door verweerder wederom vragen gesteld over de geclaimde vrijstelling premie volksverzekeringen.

In reactie op de door eiser verstrekte antwoorden heeft verweerder het standpunt ingenomen dat, in afwijking van het eerder ingenomen standpunt bij voorafgaande jaren, eiser geen beroep kan doen op artikel 12, eerste lid van het BUB en de geclaimde vrijstelling niet wordt toegekend.

Bij brief van 23 april 2003 (opgenomen als bijlage 6 bij het verweerschrift) heeft verweerder dit standpunt aan eiser medegedeeld. Vervolgens is een aanslag inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2001 opgelegd zonder vrijstelling te verlenen voor de premie volksverzekeringen.

Eiser is tegen deze aanslag in bezwaar en beroep gekomen. Bij brief van 16 januari 2006 (opgenomen als de tweede bijlage bij het beroepschrift) heeft verweerder eiser medegedeeld dat de vrijstelling alsnog wordt verleend, op grond van het door de inspecteur gewekte vertrouwen bij de aanslag¬regeling over de jaren 1999 en 2000.

In de brief wordt dit als volgt omschreven:

“Gezien de door ons ingenomen standpunten met betrekking tot de verzekeringsplicht in de jaren 1999 en 2000 ben ik met u van mening dat met betrekking tot het jaar 2001 sprake is van bij u c.q. uw cliënt opgewekt vertrouwen.”

8. Bij de op 12 september 2003 ingediende aangifte inkom¬stenbelasting / premie

volksver¬ze¬ke¬ringen over het jaar 2002 heeft eiser wederom een beroep gedaan op toepassing van artikel 12, eerste lid van het BUB.

Over de feitelijke werkzaamheden van eiser in het onderhavige jaar, geeft het beroepschrift geen inzicht. De rechtbank volgt alsdan de gemotiveerde stellingname van verweerder, dat eiser in het onder¬havige jaar voor zijn werkgever werkzaam is geweest:

- van 1 januari 2002 tot en met 19 januari 2002 in India;

- van 20 januari 2002 tot en met 3 november 2002 in Italië.

Eiser was in het onderhavige jaar in dienstbetrekking bij BV C te Q.

Voor de periode van 20 januari 2002 tot en met 19 januari 2003 is door de Sociale

Verzeke¬rings Bank een E-101 detacheringsverklaring afgegeven.

9. Verweerder is van opvatting dat eiser geen beroep kan doen op een in rechte te

bescher¬men vertrouwen.

Hij voert daartoe allereerst aan dat hij enige maanden vóór het indienen van de onderhavige aangifte (op 12 september 2003) bij brief van 23 april 2003 het door hem gewekte

vertrou¬wen heeft opgezegd.

Verweerder voert voorts aan dat eiser, door het toekennen van de E-101 detacherings-

verkla¬ring wist of had moeten beseffen dat deze verklaring gelijktijdig inhield dat eiser in Nederland tevens belastingplichtig was voor de volksverzekeringen.

10. Ten aanzien van het door verweerder bij brief van 23 april 2003 opzeggen van het gewekt vertrouwen, overweegt de rechtbank als volgt.

11. Bij het vaststellen van de aanslag inkom¬stenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1999 heeft verweerder ten aanzien van de geclaimde vrijstelling premieheffing (vanwege het door eiser wonen in Nederland maar het steeds gedurend een langere periode werken buiten Nederland) expliciet vragen gesteld. Deze vragen zijn door eiser beantwoord. Vervolgens heeft verweerder de aangifte op dit onderdeel gevolgd, zodat sprake is van een ondubbelzinnige standpuntbepaling door verweerder.

Dat verweerder zijn standpunt ten aanzien van de vrijstelling wenste te beperken tot een zekere periode, dan wel dat eiser de door verweerder gestelde vragen niet correct of onvolledig heeft beantwoord, is gesteld noch gebleken.

Anders dan verweerder meent is het dispositievereiste niet van toepassing.

Dat in dezen sprake is van een essentiële wijziging van de omstandigheden, het wettelijk regime dan wel de jurisprudentie op grond waarvan verweerder zich niet langer gebonden behoefte te voelen aan het gewekt vertrouwen, is evenmin gesteld of gebleken.

Alsdan is er sprake van een in rechte te beschermen vertrouwen, zoals verweerder ook heeft onderkend ten aanzien van de aanslagregeling voor het jaar 2001.

12. Verweerder kan het door hem gewekte vertrouwen eerst opzeggen met ingang van een in de toekomst gelegen tijdstip, eventueel verlengd met een redelijke overgangstermijn. De intrekking heeft in ieder geval geen eerdere werking dan vanaf het tijdstip dat verweerder aan eiser heeft kenbaar gemaakt dat hij zijn standpunt heeft gewijzigd.

In het onderhavige geval is dat de brief van 23 april 2003 waarin verweerder zijn gewijzigd standpunt aan eiser heeft medegedeeld. Deze brief ziet weliswaar op de aanslagrege¬ling voor het jaar 2001, maar gelet op de inhoud van de brief is het gewijzigde standpunt evenzeer van toepassing op latere jaren waarin dezelfde problematiek speelt.

Het opzeggen van het gewekt vertrouwen kan derhalve slechts effect hebben voor enig moment volgend op 23 april 2003 en in ieder geval niet voor de nog op te leggen aanslag over het reeds verstreken belastingjaar 2002.

13. Voor de aanslagregeling voor het jaar 2002 kan eiser zich in ieder geval voor de

werk¬zaam¬heden in India (1 januari 2002 tot en met 19 januari 2002) met vrucht beroepen op het door verweerder gewekt vertrouwen.

Voor de werkzaamheden in Italië (20 januari 2002 tot en met 3 november 2002) is nog van belang of het verstrekken van de E-101 detacherings¬verklaring de toepassing van het vertrouwensbeginsel in de weg staat.

14. Ten aanzien van de afgifte van de E-101 detacheringsverkla¬ring voor de periode van 20 januari 2002 tot en met 19 januari 2003 door de Sociale Verzeke¬rings Bank (hierna: de detacheringsverklaring), overweegt de rechtbank als volgt.

15. Nu tussen partijen niet in geschil is dat verweerder (door zijn standpuntbepaling ten aanzien van de voorafgaande jaren) bij eiser het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de vrijstelling op hem van toepassing is, rust op verweerder de bewijslast aannemelijk te maken dat eiser door de afgifte van de E-101 detacheringsverklaring wist of had moeten besef¬fen dat deze verklaring gelijktijdig inhield dat eiser in Nederland tevens belasting¬plichtig was voor de volksverzekeringen

De rechtbank kan verweerder niet volgen in deze stelling. Verweerder heeft zijn blote stelling dat de detacheringsverklaring door eiser is aangevraagd, niet nader onderbouwd.

Dat deze verklaring namens, met instemming of in ieder geval met medeweten van eiser is aangevraagd, is gesteld noch gebleken. Verweerder heeft evenmin op enigerlei wijze aannemelijk gemaakt dat eiser de detacheringsverklaring in Italië heeft aangewend om aldaar vrijstelling te verkrijgen voor de in Italië van toepassing zijnde sociale verzekeringswetge¬ving. De door verweerder overgelegde ‘schermprinten’ zijn daartoe volstrekt onvoldoende. De verwijzing in de pleitnota naar de uitspraken van het Hof van Justitie over de rechtskracht van de detacheringsverklaring, is evenmin voldoende.

Verweerder heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

16. Het beroep is gegrond. De aanslag dient te worden verminderd met 304/365e gedeelte van de opgelegde premieheffing ad € 8.186 tot het bedrag van € 1.368.

Proceskosten

Eisers proceskosten zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op (indienen bezwaarschrift) 1* € 161 maal wegingsfactor 1 = € 161 plus

(indie¬nen beroepschrift) 1* € 322 maal wegingsfactor 1 = € 322.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van verweerder;

- vermindert de opgelegde premieheffing tot een bedrag van € 1.368;

- gelast dat de Staat aan eiser vergoedt het door hem gestorte griffierecht van € 38;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 483 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 20 maart 2007 en in het openbaar uitgesproken door

dr mr A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr J. de Roo, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.