Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BD7283

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-01-2007
Datum publicatie
30-07-2008
Zaaknummer
06/690
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Taxi. Inbouw kto. Eiser heeft met zijn administratie of anderszins niet aannemelijk gemaakt dat de auto op jaarbasis geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/690

Uitspraakdatum: 4 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X , wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, kantoor Q, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 4 juni 1999 tot en met 2 juni 2001 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) opgelegd ten bedrage van € 8.208,- en tegelijkertijd een boete opgelegd van € 4.104,-.

1.2. Eiser heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft in de bestreden uitspraak de opgelegde boete verminderd tot € 1.026,- en de naheffingsaanslag voor het overige gehandhaafd.

1.3. Eiser is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Bij het onderzoek ter zitting van 7 december 2006 te Haarlem zijn verschenen en gehoord eisers gemachtigde A, alsmede B namens verweerder, tot bijstand vergezeld van C, D en E.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De pleitnota’s met bijlagen worden - met instemming van partijen - tot de stukken van het geding gerekend.

2. Feiten

2.1. Eiser is taxichauffeur te Z. De onderneming wordt uitgeoefend binnen een vennootschap onder firma, de mede-vennoot is F. Voor zijn onderneming beschikt eiser in de onderhavige periode over een Mercedes E200 CDI personenauto met kenteken AA-BB-00 (hierna: de auto). In het kader van de werkzaamheden als taxichauffeur is aan de vennootschap onder firma het taxinummer T1 toegekend.

2.2. Eiser is vanaf 4 juni 1999 tot en met 25 juni 2001 kentekenhouder van de auto en heeft in deze periode de auto middels V.O.F. T1 geëxploiteerd en (mede) ingezet voor taxivervoer. In verband met dit gebruik als taxi heeft eiser over de onderhavige periode een bedrag van € 8.208,- aan BPM teruggevraagd en gekregen.

2.3. Bij eiser is in 2003 een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport (toegevoegd als bijlage 9 bij het verweerschrift) is onder punt 3.2, voor zover hier van belang, vermeld:

“Uit aan de Belastingdienst ter beschikking staande gegevens is gebleken dat in de auto met het kenteken AA-BB-00 een kilometertelleronderbreker is ingebouwd. Als de kilometer¬teller¬onderbreker tijdens het rijden is ingeschakeld blijven de kilometerteller, de snelheidsmeter en de dagteller normaal doorlopen. Pas na afloop van het gebruik van de onderbreker springt de kilometerstand terug naar de beginstand bij het inschakelen van de onderbreker. (…)”

Op basis van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en boetebeschikking afgegeven.

2.4. In diverse door verweerder overgelegde processen-verbaal van de Rijksverkeersinspectie wordt door taxichauffeurs verklaard dat een kilometertelleronderbreker (hierna: kto) in hun taxi is ingebouwd en dat dit bij 90 % van de Amsterdamse taxi’s het geval is.

2.5. In als bijlage 17 bij het verweerschrift overgelegde processen-verbaal van de FIOD Vestiging R en regiopolitie S in verband met onderzoek naar mogelijke fraude binnen de taxibranche is door de eigenaar en medewerkers van […] Y (hierna: Y) dat zich bezighield met het inbouwen van taxameters, onder meer verklaard:

“De omzet van de kilometertelleronderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of

diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometertelleronderbrekers kochten zich

niet bekend wilde maken of wilde worden... (...)

Door (...) werden er in de jaren 1997, 1998 en 1999 gemiddeld zo’n zeven kilometer¬onder¬brekers per week ingebouwd. Zeker weten doe ik dit niet. Het kunnen er ook meer geweest zijn. In ieder geval minder dan zeven zullen het er in ieder geval niet geweest zijn.” (…)

Uit het onderzoek ingesteld naar de administratie, zoals afsprakenagenda’s en facturen, van

(---) over de jaren 1999 en 2000 is naar voren gekomen dat een afspraak voor de inbouw van een kilometertelleronderbreker in de afsprakenagenda van (---) werd geboekt onder de term “diverse”. In een later stadium werd de inbouw van kilometertelleronderbrekers veelal met geel gearceerd. Omdat men bang was dat dit op zou vallen, zijn er na verloop van tijd ook andere afspraken met geel gearceerd. (…)

(---) verklaart op 5 december 2000 over het boeken van afspraken met betrekking tot de inbouw van kilometertelleronderbrekers (pv-code V04/01): “Dit gebeurde onder andere onder de post diversen..”

en op 23 februari 2001 verklaart (---) hieromtrent (pv-code V04/04): “De omzet van de kilometerteller-onderbrekers staat vaak geboekt onder balieverkoop of diversen of handzenders, dit omdat degene die de kilometeronderbrekers kochten zich niet bekend wilde maken of wilde worden...” en: “Uit de door u getoonde agenda’s is heel moeilijk vast te stellen wat betrekking heeft op de verzwegen omzet. Dit zou dan moeten gebeuren aan de hand van de uitgeschreven bonnen. Zoals al eerder heb verklaard is de omzet alleen te halen uit de administratie vermeld onder het hoofd Diversen...”

2.6. Eiser heeft op 7 juni 1999 bij Y een taxameter in de auto laten inbouwen. Op de factuur (op naam gesteld van mede-vennoot F en bijgevoegd als bijlage 5 bij het verweerschrift) staat vermeld de levering, inbouw en keuring van de taxameter TX 38C. Voorts vermeldt de factuur de levering en inbouw van een telefoon, de inbouw van een mobilofoon, levering van een antenne met magnetische voet en tenslotte een activiteit die wordt omschreven als ‘DIVERSEN ARTIKELEN’ voor een bedrag van fl. 20,- exclusief BTW. Het totaalbedrag van de factuur bedraagt fl. 4.048,46 inclusief BTW.

2.7. Tot de gedingstukken behoort voorts een kopie van een bladzijde uit de bedrijfsagenda van Y. Op de bladzijde van 7 juni 1999 staat onder andere vermeld:

“ + Car Kit Tel

10.00 T1 NW TX38 inb

DIVERSEN E220Cdi NW MOB inb

TEL 0000000000”

Tussen partijen is niet in geschil dat deze aantekening in de afsprakenagenda ziet op werkzaamheden aan de auto, waarvoor de onder 2.6 genoemde factuur is uitgereikt.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht de onderhavige naheffingsaanslag met boete heeft opgelegd en meer in het bijzonder of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat de auto voor tenminste 90% als taxi is gebruikt.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de stukken van het geding alsmede naar hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) bepaalt dat teruggaaf van belasting, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen, op aanvraag wordt verleend in drie gelijke jaarlijkse termijnen voor personenauto’s die blijkens een ingevolge de Wet personenvervoer afgegeven vergunning, dan wel voor zover afgegeven een vergunningbewijs, zijn bestemd om openbaar vervoer of taxivervoer te verrichten.

In het tweede lid van artikel 16 Wet BPM is bepaald dat de aanspraak op teruggaaf telkens voor een derde gedeelte ontstaat nadat een, twee en drie jaren zijn verstreken na het tijdstip waarop de personenauto, overeenkomstig de vergunning dan wel het vergunningbewijs, voor openbaar vervoer of taxivervoer in gebruik is genomen.

Ingevolge het vijfde lid van voormeld artikel bedraagt de teruggaaf nihil indien de personenauto in de voorafgaande periode van een jaar niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer in de zin van de Wet personenvervoer.

4.2. Gelet op de tekst van de Wet BPM, de omstandigheid dat het een faciliteit betreft alsmede het gegeven dat eiser daartoe de meest gerede partij is nu hij staat moet worden geacht het benodigde bewijs te leveren, rust op eiser de last om aannemelijk te maken dat de taxi voor ten minste 90% als taxi is gebruikt. Eiser is vrij in de wijze waarop hij dit bewijs levert.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto in de onderhavige periode mede in privé is gebruikt. Gemachtigde merkt dienaangaande in zijn pleitnota op:

“Natuurlijk zijn met de onderhavige taxi óók privé-kilometers gereden. Deze zijn echter beperkte aard en blijven ruimschoots onder de grens van 10% privégebruik”

Ter zitting heeft gemachtigde, in reactie op vragen van de rechtbank, verklaard dat eiser geen kilometeradministratie heeft bijgehouden en evenmin op andere wijze de door hem en door zijn mede-vennoot verreden privé-kilometers systematisch heeft bijgehouden.

4.4. Het beroep faalt reeds daarom nu vast is komen te staan dat de auto mede voor privé gebruik is aangewend maar eiser voor zijn stelling dat op jaarbasis minder dan 10% privé is gereden, geen begin van bewijs aanbrengt. Aldus kan niet worden vastgesteld welk gedeelte van het totaal aantal verreden kilometers moet worden toegerekend aan privé kilometers en welk gedeelte moet worden toegerekend aan zakelijke kilometers.

Eiser heeft derhalve niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de auto voor ten minste 90% als taxi is gebruikt.

4.5. De rechtbank voegt hier aan toe dat zo er al een sluitende kilometeradminstratie zou zijn opgemaakt (van de verreden privé kilometers dan wel van de verreden zakelijke kilometers) en overgelegd, waaruit afgeleid had kunnen worden dat de auto voor ten minste 90% als taxi is gebruikt, dit eiser niet had kunnen baten op grond van het navolgende.

4.6. Verweerder heeft de stelling ingenomen dat in de auto een kto is ingebouwd zodat iedere vorm van registratie van verreden kilometers (zoals op de rittenkaarten en een eventueel nog door eiser op te maken privé-kilometeradministratie) onbetrouwbaar is.

De bewijslast ten aanzien van de aanwezigheid van een kto in de auto rust, tegenover de ontkenning door eiser, op verweerder.

4.7. Na afweging van de verklaring van eiser tegen het door verweerder ingebrachte bewijs is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het aan de stukken te ontlenen sterke vermoeden dat een kto is ingebouwd, door eiser onvoldoende gemotiveerd is weersproken.

De omstandigheden die tot deze conclusie hebben geleid zijn de volgende:

- Zoals onder 2.4. beschreven hebben taxichauffeurs verklaard dat in en omstreeks 1998 op ruime schaal kto’s zijn ingebouwd in taxi’s.

- Uit de onder 2.5. vermelde door de eigenaar en medewerkers van het taxameterinbouwbedrijf afgelegde verklaringen blijkt dat het vanaf 1997 tot de gebruikelijke werkzaamheden van Schutter behoorde om naast taxameters kto’s in te bouwen.

De stelling van gemachtigde dat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn omdat de medewerkers belang hadden bij het meewerken aan een strafrechtelijk onderzoek, wijst de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd van de hand. Zo valt niet goed in te zien dat getuigen belang hebben bij het afleggen van verklaringen die ook voor henzelf belastend kunnen zijn en gebruikt kunnen worden bij een tegen hen in te stellen strafrechtelijk onderzoek. Evenmin valt in te zien dat verdachten van een strafbaar feit belang kunnen hebben bij het afleggen van een verklaring die (mede) belastend voor henzelf is.

- De vermelding in de agenda van Y, zoals onder 2.7. weergegeven, van te verrichten werkzaamheden waarvoor de onder 2.6. omschreven factuur is afgegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de vermelding ‘DIVERSEN’ (geplaatst naast de overige te verrichten werkzaamheden) in de agenda ziet op het aanbrengen van een kto in de auto van eiser. Deze vermelding (in relatie tot de onder 2.5. weergegeven verklaringen dat de vermelding ‘diversen’ in de agenda ziet op het aanbrengen van een kto) gevoegd bij de omstandigheid - waarvoor eiser ter zitting geen verklaring heeft kunnen geven - dat alle in de agenda genoemde werkzaamheden op factuur zijn terug te vinden met uitzondering van de als ‘DIVERSEN’ omschreven werkzaamheden, leidt tot bedoeld oordeel.

4.8. De stelling van gemachtigde dat de werkzaamheden in de agenda omschreven als ‘DIVERSEN’ niet slaan op het aanbrengen van een kto maar op reguliere werkzaamheden die vervolgens op de factuur zijn omschreven als ‘DIVERSEN ARTIKELEN’, kan de rechtbank niet volgen. Mede gelet op de geringe hoogte van het hiervoor in rekening gebrachte bedrag van fl. 20,- (zowel in absolute zin als in relatie tot het totaal van de factuur) valt veeleer aan te nemen, gelijk verweerder doet, dat het de facturering betreft van diverse losse onderdelen als schroefjes en boutjes die als gebruikelijk zonder nadere specificatie on¬der een standaard benaming en voor een standaard bedrag op een garagefactuur in rekening wordt gebracht. Niet valt in te zien dat deze standaardfacturering voor losse onderdelen in de bedrijfsagenda geagendeerd zal worden onder de aanduiding ‘DIVERSEN’.

4.9. De stelling van gemachtigde dat de aantekening ‘DIVERSEN’ in de agenda ziet op het inbouwen van de mobiele telefoon, kan de rechtbank evenmin volgen nu het inbouwen zowel in de agenda als vervolgens op de factuur apart wordt vermeld en er geen reden is om aan te nemen dat het inbouwen in de agenda behalve met de omschrijving ‘+ Car Kit Tel’ ook nog eens met de aanduiding ‘DIVERSEN’ zal zijn genoteerd.

4.10. De stelling van gemachtigde dat als de omschrijving ‘DIVERSEN’ in de agenda zou hebben gezien op het inbouwen van een kto, dit ook op de factuur tot uitdrukking zou zijn gebracht zoals in zijn visie ook gedaan is op de factuur van Y aan ene G te Z (bijgevoegd als bijlage bij zijn pleitnota), verwerpt de rechtbank. Mede gelet op de duidelijke en ondubbelzinnige verklaringen van eigenaar en medewerkers van Y zoals onder 2.5 vermeld, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder dat het inbouwen in de regel tegen contante betaling werd uitgevoerd en deze betaling in de administratie van de taxichauffeur noch die van Y is opgenomen. Zo gemachtigde al kan worden gevolgd in zijn stelling dat de vermelding op de factuur aan G al ziet op het aanbrengen van een kto, leidt dit in het onderhavige geval niet tot de conclusie dat het niet facturen aan eiser voor een kto met zich brengt dat er op 7 juni 1999 in de auto geen kto is aangebracht.

Hetgeen in dit verband overigens nog door gemachtigde naar voren is gebracht als mogelijke verklaringen voor de aanduiding ‘DIVERSEN’ anders dan het aanbrengen van een kto, leidt niet tot en ander oordeel.

4.11. De rechtbank acht - gelet op het inbouwen van een kto en de daarmee gepaard gaande kosten - het voorts aannemelijk en gaat er van uit dat de kto na inbouw is gebruikt om een deel van de door de auto verreden kilometers niet door de kilometerteller te laten registreren.

4.12. Indien en voor zover eiser van oordeel is dat uit de rittenkaarten en maand¬lijsten afdoende is af te leiden dat door hem en zijn mede-vennoot minder dan 10% aan privékilometers is verreden (naar de rechtbank begrijpt, door het alsnog opstellen van een kilometeradministratie) hetgeen betekent dat de auto voor ten minste 90% is gebruikt voor het verrichten van taxivervoer, overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op het voorgaande dient bij de beoordeling van deze rittenkaarten en maandlijsten, welke zijn gebaseerd (zoals ter zitting door gemachtigde verklaard) op de door eiser genoteerde standen van de kilometerteller, rekening te worden gehouden met de aanwezigheid en het gebruik van de kto. Als gevolg van het gebruik van de kto zijn de genoteerde standen van de kilometerteller onbetrouwbaar (gezien de onder 2.3 vermelde werking ervan) zodat ook de daarop gebaseerde rittenkaarten en maandlijsten als onbetrouwbaar te worden aangemerkt.

Aangezien geen ander bewijs met betrekking tot het gebruik van de auto aanwezig is, leidt dit tot de conclusie dat eiser met zijn administratie of anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat de auto op jaarbasis geheel of nagenoeg geheel voor het verrichten van taxivervoer is gebruikt.

4.13. Wat de boete betreft acht de rechtbank bewezen dat eiser opzettelijk om de niet nader onderbouwde teruggaaf van BPM heeft verzocht, waardoor hij tot een te hoog bedrag aan teruggaaf ontving. Dit rechtvaardigt in beginsel een boete van 50%. Na bezwaar heeft verweerder de boete verminderd tot 12,5% van de nageheven belasting en aldus rekening gehouden met zowel cumulatie met andere boetes als het tijdsverloop sinds het moment van aanzegging van de boete. De rechtbank acht deze resterende boete onder de gegeven omstandigheden passend en geboden.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 4 januari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitge¬spro¬ken door dr. mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Loggen - Ten Hoopen, griffier.

Afschrift

verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanoni¬mi¬seerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.