Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BD6037

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-09-2007
Datum publicatie
07-07-2008
Zaaknummer
06/5297 en 06/5298
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen Inkomstenbelasting. Nieuw feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/5297, AWB 06/5298

Uitspraakdatum: 6 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiseres,

gemachtigde: A, te Q

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan eiseres is met dagtekening 17 november 2004 voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 28.964. Met dezelfde dagtekening heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag WAZ opgelegd naar een premie-inkomen van f 50.256.

Na daartegen bij brief van 6 december 2004 gemaakt bezwaar, heeft verweerder bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 maart 2006 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 21 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op 25 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2007 te Haarlem. Gemachtigde van eiseres is daar verschenen. Namens verweerder is mr. B verschenen.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres, van beroep verpleegster, is in april 1998 vanuit R terug naar Nederland gekomen. In de jaren 1999-2004 heeft eiseres zorgwerkzaamheden verricht via de volgende zorginstellingen:

- C

- D

- E

Op de door haar genoten inkomsten van bovengenoemde zorginstellingen is in het onderhavige jaar geen loonheffing ingehouden en afgedragen.

2.2. Bij brief van 8 augustus 2003 heeft gemachtigde van eiseres het volgende verzocht:

“Ik was vorige week bij mevrouw X. Omdat ik belastingconsulent ben verzocht zij mij om raad. Zij maakte zich ongerust omdat zij nog steeds geen belastingbiljet had ontvangen.

Zij was in april 1998, door scheiding, teruggekomen uit R en heeft aanvankelijk geleefd van haar geld. Maar dat slonk snel. Zij is toen begin 1999 gaan werken als verpleegkundige. Zij verwachtte dat het uitzendbureau dat zou doorgeven aan de belastingdienst en zij dus vanzelf een aangiftebiljet zou ontvangen. Maar dat is dus kennelijk niet gebeurd.

Zij heeft nu iemand gevonden die voor haar de administratie zal uitzoeken te beginnen met het jaar 2002 en daarna 2001, 2000 en 1999.

Ik hoop dat alles voor haar zonder problemen kan worden opgelost.

In afwachting van de aangiftebiljetten verblijf ik, (...)”

2.3. Verweerder heeft vervolgens aan eiseres aanslagbiljetten IB/PVV voor de jaren 1999-2002 uitgereikt. Eiseres heeft deze op 23 januari 2004 ingediend.

2.4. Met dagtekening 4 juni 2004 heeft verweerder de definitieve aanslagen IB/PVV en WAZ 1999 vastgesteld naar een belastbaar inkomen van f 28.964 respectievelijk premie-inkomen van f 50.256.

2.5. Bij brieven van 11 juni 2004 heeft gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt tegen de definitieve aanslagen IB/PVV en WAZ over 1999 op de grond dat beide aanslagen buiten de aanslagtermijn van artikel 11, derde lid, AWR zijn opgelegd. Verweerder heeft vervolgens bij uitspraak op bezwaar van 30 juni 2004 de aanslagen IB/PVV en WAZ verminderd naar nihil en tegelijkertijd aangekondigd navorderingsaanslagen te zullen opleggen.

2.6. Met dagtekening 17 november 2004 heeft verweerder de navorderingsaanslagen IB/PVV en WAZ vastgesteld.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht navorderingsaanslagen IB/PVV en WAZ over 1999 heeft opgelegd.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 16, eerste lid, AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat ten onrechte een aanslag achterwege is gelaten, de te weinig geheven belasting kan worden nagevorderd. Als gevolg van overschrijding van de wettelijke aanslagtermijn kon geen primitieve aanslag IB/PVV over 1999 meer kon worden opgelegd. Mits voldaan wordt aan de voorwaarde van een nieuw feit, kan verweerder alsnog een navorderingsaanslag over 1999 vaststellen.

4.3. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Verweerder moet gelet op de jaarlijsten die F naar de Belastingdienst heeft verstuurd vóór 8 augustus 2003 op de hoogte zijn geweest van althans een deel van de door eiseres in 1999 genoten inkomsten waarop geen loonbelasting was ingehouden, aldus eiseres.

4.4. Verweerder bestrijdt dat een nieuw feit ontbreekt. Het nieuwe feit is zijns inziens de op 8 augustus 2003 ontvangen brief van verweerder in samenhang met de op 23 januari 2004 door eiseres ingediende aangifte. Verweerder bestrijdt de bewering van eiseres dat hij door middel van jaaropgaven van F eerder dan 31 december 2002 op de hoogte had moeten zijn van de inkomsten van eiseres. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder als bijlage bij zijn verweerschrift een rapportage van een intern renseigneringsonderzoek overgelegd waaruit blijkt eiseres vanaf 1999 niet als werknemer genoteerd staat in de administratie van F.

4.5. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat sprake is van een nieuw feit op grond waarvan een navorderingsaanslag kan worden opgelegd. Anders dan eiseres meent kon verweerder aan de hand van genoemde jaarlijsten niet weten van de verdiensten van eiseres via F. Vaststaat dat eiseres per brief van 8 augustus 2003 verweerder op de hoogte heeft gebracht van niet in de belastingheffing betrokken inkomsten in 1999. Voorts heeft eiseres de aangifte IB/PVV over het jaar 1999 eerst op 23 januari 2004 ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank beschikte verweerder derhalve gedurende de termijn waarbinnen de primitieve aanslag had moeten worden opgelegd niet over gegevens om deze aanslag vast te stellen en had hij gedurende die termijn evenmin bekend kunnen zijn met zulke gegevens. Eerst met de brief van 8 augustus 2003 is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nieuw feit in de zin van artikel 16 AWR.

4.6. De stelling van eiseres dat de navorderingsaanslagen niet zijn aangekondigd, kan de rechtbank niet volgen nu blijkens de stukken van het geding de navorderingsaanslagen zijn aangekondigd op 30 juni en 28 juli 2004.

4.7. Gelet op het vorenoverwogene behoeven overige geschilpunten geen behandeling meer. De beroepen zijn ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.