Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BD1596

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
15/800704-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Invoer cocaine; drugskoerier; Schipholrichtlijnen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800704-07

Uitspraakdatum: 8 oktober 2007

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 september 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] (Spanje),

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Midden Holland, HvB Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 16 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank, nu verdachte het ten laste gelegde heeft bekend, volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen.

1.

de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Op 16 juni 2007 ben ik met het vliegtuig vanuit Aruba op Schiphol aangekomen. Ik had tevoren bolletjes met cocaïne geslikt.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding en bevindingen (dossierparagraaf 1.1);

3.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierparagraaf 1.1.4);

4.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 29 juni 2007, pagina 2 onder ONDERZOEK VERDOVENDE MIDDELEN (dossierparagraaf 0.2).

5.

het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium van de Belastingdienst d.d. 25 juni 2007.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en verbeurdverklaring van de nummers 2, 3, 4 en 5 zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1049.20 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De raadsman heeft aangevoerd dat zijn cliënt een “first offender” is, dat hij tijdens zijn werk in de bouw in Spanje zijn been heeft geblesseerd, dat hij sindsdien erg veel pijn heeft aan zijn been, dat hij hierdoor niet meer kon werken, dat banen voor personen met een handicap in Spanje niet voor het oprapen liggen en dat zijn cliënt ten gevolge hiervan bang was dat hij uit zijn huis zou worden gezet omdat hij de huur niet kon betalen. Daarnaast voert hij aan dat detentie zijn cliënt onevenredig zwaar treft door de pijn aan zijn been.

In de persoonlijke omstandigheden zoals door de raadsman aangevoerd ziet de rechtbank evenwel geen aanleiding af te wijken van de straf die in dit soortgelijke gevallen wordt opgelegd. Hierbij heeft de rechtbank mee laten wegen het feit dat verdachte al twee weken na het ontstaan van de blessure aan zijn voet, het plan heeft opgevat om drugs te gaan smokkelen. Gelet op deze korte termijn, komt het de rechtbank voor dat verdachte niet serieus heeft getracht om op andere wijze inkomsten te genereren.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist. De door de rechtbank aan verdachte op te leggen straf is overeenkomstig de straf die zij ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt op te leggen. De rechtbank heeft hierbij als uitgangspunten de zogeheten Schipholrichtlijnen gehanteerd.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een KLM e-ticket, een KLM instapkaart, een reisschema en een notitie en memo dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN (9) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

-1.00 stk vliegticket, KLM e-ticket 074 2470619289;

-1.00 stk instapkaart KLM, KLM 074 2470619289;

-1.00 stk diverse, reisschema 074 2470619289;

-2.00 stk notitie en memo, 1x met nl tel nr 1x met bankrek.nr, naam en adres.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Burg, voorzitter,

mr. W.C.J. Robert en mr. C. Hummel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. Giling,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2007.