Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BD0538

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
28-04-2008
Zaaknummer
07/3062
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestemmingswijzigingswinst. Eiser mocht deel van de grond reeds bij verkrijging tot zijn privévermogen rekenen. Uit de feiten volgt niet dat dat eiser na verwerving van de grond het voor de bouw van de woning bestemde deel heeft aangewend in zijn onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0968
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3062

Uitspraakdatum: 20 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

gemachtigde: A te Q,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.00) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 167.692 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.214.

1.2 Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 maart 2007 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 141.242 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.214.

1.3 Eiser heeft daartegen beroep ingesteld bij beroepschrift van 1 mei 2007, dat de volgende dag ontvangen is bij de rechtbank.

1.4 Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2007 te Haarlem. Eiser is verschenen vergezeld van zijn partner B en bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen C en D. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en verweerder. Voorts heeft gemachtigde van eiser een plattegrond van het litigieuze perceel in de gemeente Q overgelegd. Ter zitting heeft eiser aangeduid welk stuk grond hiervan hij heeft afgehekt. De rechtbank rekent voornoemde stukken tot de stukken van het geding. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiser exploiteert in een commanditaire vennootschap met zijn partner een vee(handels)bedrijf, aanvankelijk in (de omgeving van) R en thans in Q.

2.2 De landerijen van het bedrijf in de omgeving van R, groot 16.06.65 hectare (ha), heeft eiser in november 2000 overgedragen aan een derde. Bij die overdracht realiseerde hij een (bestemmingswijzigings)winst van € 547.050,77. Met dit bedrag heeft eiser een vervangingsreserve, vanaf 2001 herinvesteringsreserve, gevormd.

2.3 In 2000 heeft eiser met een derde een overeenkomst gesloten voor de verkrijging van 32.49.60 ha grond in Z onder de ontbindende voorwaarde dat een bouwvergunning zou worden verleend voor de bouw van een (bedrijfs)woning op een deel van die grond. Volgens het geldende bestemmingsplan was de grond bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf en mochten daar enkel landhekken worden aangebracht.

2.4 Eiser heeft contact opgenomen met de gemeente Q om te onderzoeken of en waar hij een bedrijfswoning zou mogen stichten en hij heeft aanvragen om een bouwvergunning ingediend. Voor verlening van de bouwvergunning was partiële wijziging nodig van het geldend bestemmingsplan. Bij besluit van [datum besluit] hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Q besloten tot wijziging van het bestemmingsplan. Bij besluit van [datum besluit] hebben gedeputeerde staten van S deze wijziging goedgekeurd.

2.5 Bij notariële akte van kavelruil als bedoeld in de (toen geldende) Landinrichtingswet van 14 juni 2002 heeft eiser de eigendom verworven van 32.49.60 ha grond aan de a-weg 1 en 2 te Z. Voor deze verwerving heeft eiser € 1.175.402,95 betaald. Dit is een gemiddelde prijs van € 3,617 per vierkante meter (m²).

2.6 Bij besluit van 10 september 2002 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Q de gevraagde bouwvergunning voor het bouwen van een agrarische bedrijfswoning verleend.

2.7 Eiser heeft op de grond in Q in de periode eind 2002 – 2003 de woning gerealiseerd.

2.8 In de jaarrekening van de commanditaire vennootschap welke als bijlage is opgenomen bij de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002, is vermeld dat 31.80.80 ha van de in Q verworven grond tot het ondernemingsvermogen wordt gerekend. De overige 6.880 m², waarop eiser onder meer de bedrijfswoning heeft gesticht, heeft eiser tot zijn privévermogen gerekend. De gevormde herinvesteringsreserve heeft eiser afgeboekt op het nieuw verworven ondernemingsvermogen.

2.9 In een taxatierapport van 24 maart 2006 heeft E, als taxateur onroerende zaken werkzaam bij de Belastingdienst/T, in verband met bestemmingswijziging de waarde van de a-weg bij 2-1 Z getaxeerd. Hij omschrijft de getaxeerde onroerende zaak als: “Diverse percelen cultuurgrond, waarvan een perceel ter grootte van ca. 750 m2 als ondergrond voor de bouw van een woning wordt bestemd.” Hij schat de waarde per 14 juni 2002 van de ondergrond van de woning, ca. 750 m², op € 75.000.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1 Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of eiser door het aanmerken van een deel van de in Q verworven grond als privévermogen een bestemmingswijzigingswinst heeft gerealiseerd.

3.2 Verweerder beantwoordt deze vraag primair bevestigend onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 7 mei 2004 (BNB 2004/335, 336, 337 en 338) en artikel 3.12 Wet IB 2001. Eiser heeft, zo stelt verweerder, de totale 32.49.60 ha, zoals blijkt uit de akte van kavelruil, als cultuurgrond verworven en daarna een deel aangewend voor de bouw van zijn (bedrijfs)woning. Volgens verweerder moet, gelet op het taxatierapport van E, 750 m² grond en niet 6.880 m² als privévermogen worden aangemerkt. De bestemmingswijzigingswinst bedraagt dan € 72.287. Dit is het verschil tussen de verwervingsprijs van € 3,617 voor 750 m² en de taxatie van E van € 75.000. Indien eiser de ondergrond en het erf van de bedrijfswoning wel van meet af aan tot het privévermogen mocht rekenen, moet, aldus verweerder, de waardestijging van € 72.287 als winst uit onderneming worden aangemerkt, omdat de onderneming eiser in staat heeft gesteld de bouwvergunning voor de bedrijfswoning te verkrijgen en daarmee het voordeel te genieten. Omdat eiser een deel van de als bedrijfsvermogen verworven grond naar privé heeft overgebracht, is een deel van de herinvesteringsreserve, voor zover toe te rekenen aan het onttrokken deel, vrijgevallen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.3 Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een verzamelinkomen van € 71.632, zijnde een belastbaar inkomen van € 67.692 uit werk en woning en € 3.940 uit sparen en beleggen. Eiser voert aan dat het hem vrij stond na de aankoop in 2002 de grond in Q, afhankelijk van het voorgenomen gebruik, tot het bedrijfs- of privévermogen te rekenen. Hij heeft direct bij de aankoop de grond gesplitst en 6.880 m² aan privé toegerekend. Volgens landbouwnormen was de waarde van gronden in gebruik als weiland per 1 januari 2000 € 9.302 per hectare. Voor erfpercelen gold een waarde van € 22.122 per perceel. Eiser verwierf de grond uiteindelijk voor € 34.033 per hectare, zodat in de grondprijs de mogelijkheid van bebouwing was verwerkt.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Ingevolge artikel 3.12 Wet IB 2001 is vrijgesteld de winst ter zake van waardeveranderingen van gronden voor zover die waardeverandering is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf. De winst die wordt gerealiseerd door de onttrekking is derhalve, voor zover sprake is van bestemmingswijzigingswinst, belast.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat eerst aan bestemmingswijzigingswinst in de zin van artikel 3.12 Wet IB 2001 wordt toegekomen indien het deel van de verworven grond waarop onder meer de woning van eiser is gebouwd op enig moment tot zijn bedrijfsvermogen heeft gehoord. Derhalve zal de rechtbank eerst onderzoeken of er ten aanzien van dit deel van de grond sprake is van een correcte vermogensetikettering door eiser.

4.3. Het stond eiser vrij bij de aankoop van de grond in Q direct een deel daarvan te bestemmen als privévermogen tenzij sprake was van verplicht bedrijfsvermogen. Een dergelijke keuze dient bij de aangifte van het jaar van verwerving kenbaar te worden gemaakt. De aanduiding in de akte van kavelruil van de grond als cultuurgrond betekent op zichzelf niet dat eiser alle grond als bedrijfsvermogen voor de inkomstenbelasting aan dient te merken.

4.4. Er is sprake van verplicht bedrijfsvermogen indien eiser de grond na de verwerving in zijn onderneming heeft aangewend. Ter zitting heeft eiser verklaard dat (ook) op het deel van de aangekochte gronden, waar hij zijn woning wilde bouwen, in de zomer van 2002 gerst werd verbouwd en dat hij die gerst nog heeft geoogst. Daarna heeft de grond braak gelegen tot er met de bouw van de woning werd begonnen. Eiser heeft ter zitting op de tekening die hij als bijlage 7 bij het beroepschrift had overgelegd, aangeduid welk stuk grond hij voor privégebruik (totaal 6.880 m²) heeft afgehekt. Uit deze, op zichzelf onvoldoende gemotiveerd weersproken feiten, volgt niet dat eiser na de verwerving van de grond het voor de bouw van de woning bestemde deel heeft aangewend in zijn onderneming. De oogst kort na de verkrijging van het ten tijde van de levering nog te velde staande gewas is daarvoor onvoldoende. Uit het feit dat eiser de mogelijkheid van bebouwing als ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst had opgenomen, voor de eigendomsverkrijging een bouwvergunning had aangevraagd, die vergunning op 10 september 2002 heeft verkregen en vervolgens tot de bouw is overgegaan, blijkt genoegzaam dat eiser dat deel van de grond van meet af aan voor bewoning wilde gebruiken en ook daadwerkelijk is gaan gebruiken. Dat in de akte van kavelruil de grond geheel als cultuurgrond was benoemd, houdt anders dan verweerder kennelijk bedoelt te betogen, niet een feitelijke aanwending als bedrijfsvermogen in.

4.5. Nu er geen sprake was van verplicht bedrijfsvermogen, kon eiser bij de aangifte kiezen om de ondergrond van zijn woning vanaf de verkrijging tot zijn privévermogen te rekenen. Verweerders standpunt dat eiser bestemmingswijzigingswinst zou hebben gerealiseerd door onttrekking van landbouwgronden aan zijn bedrijfsvermogen en overbrenging naar het privévermogen ten behoeve van de bouw van de woning, is dan ook onjuist.

4.6. Verweerders in beroep ingenomen subsidiaire standpunt dat eiser winst uit onderneming heeft gerealiseerd door de verkrijging van de (onder)grond voor de bouw van de woning, omdat eiser alleen als agrarisch ondernemer bestemmingsplanwijziging kon realiseren, gaat ook niet op. Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij voor de grond een hogere prijs heeft betaald dan de waarde van de grond voor uitsluitend gebruik als cultuurgrond, omdat de mogelijkheid een (bedrijfs)woning te kunnen realiseren in de prijs is verdisconteerd. Die mogelijkheid vormde, zo is niet in geschil, ook een ontbindende voorwaarde bij de koop in 2000 en de verkoper was bereid, zo heeft eiser nog aangevoerd, afwikkeling van de koop in verband met de hogere prijs langere tijd aan te houden tot er duidelijkheid over de gevraagde bouwtoestemming was. Dat een (extra) voordeel in privé is ontstaan als gevolg van een transactie die eiser (uitsluitend) als ondernemer heeft kunnen aangaan en daardoor winst uit onderneming, is derhalve niet gebleken.

4.7. Nu geen sprake is van een belastbaar voordeel door het aanmerken van de ondergrond van de bedrijfswoning als privévermogen, is er ook geen deel van de herinvesteringsreserve vrijgevallen, zoals verweerder voor dat geval ter zitting ook heeft bevestigd.

4.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het belastbaar inkomen uit werk en woning dient conform de aangifte en zonder de door verweerder aangebrachte correctie te worden vastgesteld op € 67.692. De rechtbank ziet geen grond voor aanpassing van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, zoals verweerder dat bij aanslag heeft vastgesteld.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 67.692 en uit sparen en beleggen van € 3.214 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als rechtspersoon die dit bedrag aan eiser moet voldoen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 20 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, en mrs. A.M. van Amsterdam en M.J. Leijdekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. B.J.E. Lodder, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.