Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC7509

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
07-2552
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene kwam vanuit de WW in de Wazo. Het Wazo-dagloon werd gebaseerd op de uitkering die betrokkene in het loontijdvak van een maand voordat zij recht kreeg op Wazo, ontving. In die maand was haar WW-uitkering echter gekort vanwege niet verzekerde (‘freelance’) werkzaamheden, waardoor het Wazo-dagloon beduidend minder bedroeg dan het WW-dagloon.

De rechtbank oordeelt dat aan het Besluit dagloonregels in dit geval in redelijkheid geen toepassing kan worden gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 2552 WARZO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2007

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2006 heeft verweerder eiseres met ingang van 20 juni 2006 een uitkering ingevolge de wet arbeid en zorg (Wazo) toegekend. Het dagloon is bepaald op € 64,59.

Bij besluit van 1 november 2006 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de uitkering ingevolge de werkloosheidswet (WW) met ingang van 10 oktober 2006 herleeft. Tevens heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het uitkeringspercentage met 10% verlaagd blijft over een periode van 27 dagen.

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij brief van 7 december 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2006 ongegrond verklaard en het besluit van 31 oktober 2006 gewijzigd in die zin dat het dagloon bepaald is op € 79,26.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 28 maart 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 8 november 2007, alwaar eiseres in persoon is verschenen en verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door J.A. Klaver, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Groningen.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is per 1 maart 2006 werkloos geworden. Haar is een werkloosheidsuitkering toegekend naar een dagloon van € 156,04. Omdat zij niet voldoende sollicitatieactiviteiten had verricht is haar een maatregel van 10% gedurende 16 weken opgelegd.

2.2 Eiseres heeft in de periode na haar ontslag een opdracht (freelance) gedaan, gemiddeld twee dagen per week. Deze uren zijn in mindering gebracht op haar WW-uitkering.

2.3 Eiseres heeft per 20 juni 2006 (6 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum) een Wazo-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 27 september 2006 heeft verweerder eiseres een zwangerschapsuitkering toegekend met ingang van 20 juni 2006.

2.4 In het bestreden besluit is het Wazo-dagloon bepaald op € 79,26. Daarvoor is bepalend geweest hetgeen eisers in het aan 20 juni 2006 voorafgaande laatste aangiftetijdvak van vier weken aan uitkering heeft ontvangen. In die periode was de uitkering verlaagd in verband met de inkomsten die eiseres met haar freelancewerkzaamheden heeft verricht en met 10% in verband met de eerder opgelegde, nog lopende maatregel. Omdat op 20 juni 2006 de duur van de opgelegde maatregel nog niet volledig verstreken was heeft verweerder die maatregel na ommekomst van het bevallingsverlof op 10 oktober 2006 voor de resterende duur laten herleven.

2.5 Eiseres heeft aangevoerd dat het resultaat van toepassing van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (verder: het Besluit) in dubbel opzicht onrechtvaardig is. Ten eerste, doordat uitsluitend de uitkering in de laatste vier weken voorafgaand aan het verlof als basis voor het dagloon heeft gediend. Hierdoor leidt de omstandigheid dat zij in de laatste weken als freelancer werkzaam is geweest, tot een substantiële verlaging van haar uitkering. Haar inspanning om haar werkloosheid te verminderen wordt zo op een onredelijke wijze afgestraft. Ten tweede, doordat de haar opgelegde maatregel doorwerkt in het Wazo-dagloon. Hierdoor krijgt de opgelegde maatregel een veel langere werkingsduur dan is beoogd. Ten slotte bestrijdt eiseres dat verweerder na herleving van haar recht op werkloosheidsuitkering alsnog het restant van haar eerder opgelegde maatregel ten uitvoer mocht leggen.

2.6 Verweerder heeft betoogd dat hij een juiste toepassing heeft gegeven aan het Besluit en dat de wetgever nu eenmaal heeft gekozen voor een eenvoudige wijze van vaststelling van het dagloon. Dat in het onderhavige geval de uitkomst van de toepassing van de regels teleurstellend is maakt dit niet anders, nu verweerder niet bevoegd is van de bepalingen van het Besluit af te wijken.

2.7 De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Ingevolge artikel 3:1, eerste lid, Wazo, heeft de vrouwelijke werknemer in verband met haar bevalling recht op zwangerschaps- en bevallingsverlof.

2.9 Ingevolge artikel 3:13 tweede lid, Wazo wordt het dagloon daarbij vastgesteld en herzien overeenkomstig de vaststelling en herziening met betrekking tot de werknemer, bedoeld in artikel 29b Ziektewet (ZW), op grond van de artikelen 15 en 16 van die wet en de daarop berustende bepalingen.

2.10 Ingevolge artikel 15, eerste lid, ZW wordt voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17 eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2.11 Ingevolge artikel 15, tweede lid, ZW worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.

2.12 Nadere regels als bedoeld in artikel 15, tweede lid, ZW zijn neergelegd in het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen

2.13 De berekening voor het vaststellen van het ZW-dagloon bij toepassing van artikel 29b ZW is in een van de hoofdregel afwijkende regeling uitgewerkt in artikel 11 van het Besluit. Bij deze berekening wordt betrokken het loon dat de werknemer, uit de dienstbetrekking waarin hij wegens ziekte arbeidsongeschikt is geworden, heeft genoten in het laatste aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin die arbeidsongeschiktheid is ingetreden. Het aangiftetijdvak betreft het tijdvak van vier weken dan wel één maand waarop de aangifte waarop de ingehouden loonbelasting wordt afgedragen, betrekking heeft.

2.14 Ingevolge artikel 2 van het Besluit wordt - kort gezegd - als loon beschouwd de uitkering. Dat betekent onder meer dat in een geval als het onderhavige, waarbij een werkloze in het relevante aangiftetijdvak gedeeltelijk werkloos is in verband met het verrichten van (freelance)werkzaamheden, in dat tijdvak een verlaagde uitkering ontvangt, hetgeen doorwerkt in de Wazo-uitkering, omdat het Wazo-dagloon wordt gebaseerd op de uitkering in dat tijdvak. Verder betekent dit dat indien in het relevante aangiftetijdvak een maatregel is opgelegd, dat ook doorwerkt in het Wazo-dagloon.

2.15 In hoofdstuk 2 van de Nota van Toelichting op het Besluit is als hoofdregel opgenomen dat het dagloon de vertaling is van het in het refertejaar genoten loon in een uitkeringsloon per dag. Volgens hoofdstuk 3 van dezelfde Nota vormt de uitkomst van de hoofdregel voor de dagloonberekening in de regel een goede maatstaf voor het als gevolg van het sociale risico gederfde loon. Voor een aantal specifieke gevallen, waarin de hoofdregel tot onwenselijke resultaten kan leiden, bevat het Besluit bijzondere bepalingen. Bij het treffen van deze bepalingen is getracht deze zo eenvoudig mogelijk te houden en de behandeling van gelijksoortige situaties waar mogelijk op dezelfde leest te schoeien. Zowel de inzichtelijkheid als de uitvoerbaarheid van het Besluit zijn daarmee volgens de regelgever gediend. Ook is vastgehouden aan het uitgangspunt om zoveel mogelijk uit te gaan van feitelijke gegevens die bij de uitvoering beschikbaar zijn.

2.16 De wetgever heeft volgens de toelichting op artikel 11 van het Besluit werkgevers die een werknemer met beperkingen wegens (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid in dienst nemen (artikel 29b ZW) willen compenseren voor de civielrechtelijke verplichting om bij ziekte het loon door te betalen. Voor de regeling in de Wazo van de uitkering bij zwangerschaps- en bevallingsverlof geldt dit evenzo, om welke reden de van de hoofdregel afwijkende regeling van artikel 11 van het Besluit ook van toepassing is verklaard.

2.17 Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van artikel 11 van het Besluit in dit geval leidt tot een aanzienlijk lager Wazo-dagloon dan indien zou worden uitgegaan van de hoofdregel of van het WW-dagloon.

2.18 Zoals hierboven reeds is overwogen, heeft de wetgever met de regeling van artikel 11 van het Besluit willen voorkomen dat een werkgever door toepassing van de hoofdregel voor de berekening van het dagloon niet zou worden gecompenseerd voor de loondoorbetalingsverplichting. Daarin is reden gezien, een van de hoofdregel afwijkende regeling te treffen. De rechtbank constateert dat toepassing van deze regel in gevallen waarin geen sprake is van loon dat in het laatste aangiftetijdvak hoger was dan in de voorafgaande perioden echter juist tot het door de wetgever ongewenste gevolg leidt, dat een werkgever niet wordt gecompenseerd voor de loondoorbetalingsverplichting. Nu in de onderhavige zaak voorts geen sprake is van een loondoorbetalingsverplichting, omdat eiseres WW-gerechtigd was, en de loonderving van eiseres aanzienlijk meer bedraagt dan gecompenseerd wordt door de Wazo-uitkering, is de rechtbank van oordeel dat aan artikel 11 van het Besluit in dit geval in redelijkheid geen toepassing kan worden gegeven.

2.19 Redelijke toepassing van het Besluit zou naar het oordeel van de rechtbank in dit geval er toe moeten leiden dat aansluiting wordt gezocht bij artikel 12 van het Besluit en op grond daarvan moet het Wazo-dagloon worden vastgesteld op het bedrag dat gelijk is aan het WW-dagloon van eiseres. In artikel 12 van het Besluit is immers - kort samengevat - bepaald dat het ZW-dagloon van een werkloze wordt vastgesteld op het WW-dagloon. De rechtbank merkt hierbij nog op dat redelijke toepassing van het Besluit hierdoor kan plaatsvinden zonder een belangrijk doel van het Besluit - vereenvoudiging - uit het oog te verliezen. Door in het onderhavige geval voor de dagloonvaststelling aansluiting te zoeken bij artikel 12 van het Besluit werkt de aan eiseres opgelegde maatregel niet meer door in het Wazo-dagloon.

2.20 De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat verweerder niet gerechtigd was om na herleving van haar recht op werkloosheidsuitkering het restant van de eerder opgelegde maatregel tot uitvoering te brengen, nu de duur van de maatregel immers gekoppeld is aan het recht op uitkering.

2.21 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit gedeeltelijk dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Awb.

2.22 Het beroep is gegrond. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 28 februari 2007 voor zover daarin het Wazo-dagloon is vastgesteld en laat het voor het overige in stand;

3.3 gelast dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, rechter, en op 18 december 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.