Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC6054

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07/3206
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Leverancier die is vermeld op de factuur is niet dezelfde als degene die de leveringen heeft verricht. Uit de stukken blijkt tevens niet dat de vertegenwoordigers de leverancier rechtsgeldig vertegenwoordigden. Facturen voldoen niet aan de wettelijke vereisten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0687
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 07/3206 OB

Uitspraakdatum: 14 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z (hierna: belanghebbende),

gemachtigde mr. A,

en

de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Utrecht Gooi, kantoor Hilversum (hierna: de Inspecteur).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft bij voor bezwaar vatbare beschikking van 2 mei 2006 besloten geen teruggaaf te verlenen op het door belanghebbende gedane verzoek om teruggaaf van € 324.588 aan omzetbelasting over het tijdvak februari 2006.

1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd over het tijdvak maart 2006. Deze naheffingsaanslag beloopt € 534.395. Het desbetreffende aanslagbiljet is gedagtekend 27 mei 2006.

1.3. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag ingediend bij de Inspecteur. Bij uitspraak van 30 maart 2007 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4. Namens belanghebbende is daartegen bij brief van 9 mei 2007, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 10 mei 2007, beroep ingesteld. Het beroep is aangevuld bij brief van 13 juni 2007.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de hiervoor onder 1.1 vermelde beschikking een bezwaarschrift bij de Inspecteur ingediend en daarbij de Inspecteur verzocht in te stemmen met recht¬streeks beroep bij de rechtbank. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift op 26 juni 2006 doorgezonden aan de rechtbank en daarbij te kennen gegeven in te stemmen met rechtstreeks beroep. De rechtbank heeft dit beroep gevoegd met dat betreffende de naheffingsaanslag.

1.6. De Inspecteur heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007 te Haarlem. Namens belanghebbende is verschenen gemachtigde mr. A, advocaat te Q, en tot bijstand B en C. Namens de Inspecteur is verschenen mevrouw mr. D en tot bijstand E en F.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

2.1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV, sedert 1997 drijvende een groothandel in hard- en software voor computers en als zodanig ondernemer in de zin der Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), vraagt bij de aangifte over februari 2006 teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 324.588. De Inspecteur stelt ter beoordeling van dit verzoek een onderzoek in. Intussen vraagt belanghebbende bij de aangifte over de maand maart 2006 een bedrag, groot € 534.395, aan omzetbelasting terug. Dit laatste verzoek is vóór de voorgenomen beoordeling door de Inspecteur per abuis – sprake is van een computerstoring te R – bij beschikking, gedagtekend 19 mei 2006, gehonoreerd. Om de uitbetaling te blokkeren is aan belanghebbende de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd, welke belanghebbende is aangekondigd bij brief van de Inspecteur van 15 mei 2006.

2.2. De activiteiten van belanghebbende bestaan onder meer in het assembleren van notebooks alsmede de verkoop daarvan en de verkoop van alle mogelijke componenten, waaronder processoren (zogenoemde CPU’s). Zij werkt meestentijds met vaste leveranciers en afnemers. In 2004 heeft belanghebbende ongeveer 33.000 CPU’s ingekocht en in 2005 ongeveer 30.000. Belanghebbende voldoet elke maand op aangifte grote bedragen aan verschuldigde omzetbelasting. In 2005 is gemiddeld per maand € 200.000 op aangifte voldaan.

2.3. Over de tijdvakken februari en maart van 2006 vraagt belanghebbende de onder punt 2.1 genoemde bedragen terug. Deze verzoeken om teruggaaf zijn het gevolg van het sedert half januari tot april van dat jaar op grote schaal in Nederland van een voor haar nieuwe relatie betrekken van CPU’s en het vervolgens leveren en verzenden, na een enkele aflevering bij een nieuwe afnemer, G BV, te S en een nieuwe afnemer H BV, te T, naar nagenoeg een, eveneens nieuwe, afnemer in Duitsland, te weten I GmbH. De aan belanghebbende gerichte facturen, die zijn opgemaakt voor de aan haar verrichte leveringen, vermelden als leverancier J BV, gevestigd aan de a-straat 1 te U. Bij wijze van voorbeeld is één origi¬neel van de 39 ontvangen exemplaren, goed voor een totaal van circa € 10.000.000, ter zitting door belanghebbende overgelegd. De in deze periode door belanghebbende met deze partijen gerealiseerde omzet groeit van nihil in december 2005 tot bijna € 6.000.000 in de maand maart 2006. Nadien zijn transacties met deze leverancier gestopt. In een periode van ongeveer twee maanden betrekt belanghebbende aldus van één leverancier ongeveer 3000 CPU’s voor haarzelf en ongeveer 66.000 CPU’s voor de doorlevering. Dit laatste aantal CPU’s passeert niet de magazijnen van belanghebbende, maar wordt afgeleverd bij K, een expediteur te V, waarvandaan vervoer van deze CPU’s naar genoemde afnemers plaatsheeft. Deze partijen CPU’s krijgen in de administratie van belanghebbende een van de gangbare artikelcode beginnend met “PRO” afwijkend artikelnummer, beginnend met “ZZZ”. De aangiften voor de heffing van omzetbelasting over de tijdvakken na maart 2006 zijn positief.

2.4. B werkzaam voor belanghebbende, heeft de controlerend ambtenaren verteld dat ter zake van de onder punt 2.3 weergegeven leveringen gehandeld is met L en M. Hij verstrekt de controlerend ambtenaren ook de (mobiele) telefoon¬nummers waaronder die personen te bereiken zijn. Op de aldus verstrekte nummers kunnen de controlerend ambtenaren geen contact leggen met J BV. In sommige gevallen is N bij de leveranties betrokken. Van de zijde van de afnemer van belanghebbende treedt ene O op. De werkwijze van partijen met betrekking tot de onderwerpelijke transacties is in dezen als volgt. Na telefonisch contact van meergenoemde personen omtrent een partij CPU’s alsmede de aan- en verkoopprijs, zendt belanghebbende een orderbevestiging aan I GmbH voor de levering van de afgesproken hoeveelheid CPU’s voor de overeengekomen prijs met als afleveradres K te V. Belanghebbende zendt een daarop betrekking hebbende “purchase order” aan J BV te U van dezelfde hoeveelheid CPU’s tegen een lagere prijs. Belanghebbende krijgt een ten name van J gestelde pro-forma factuur alsmede een factuur met berekening van btw. Het afleveradres is K te V. De facturen zijn opgemaakt en verzonden door L. De factuur aan de afnemer van belanghebbende vermeldt het omzetbelastingtarief van nihil. Belanghebbende ontvangt per bank het aan haar afnemer berekende bedrag en betaalt het aan haar leverancier op dezelfde dag. Deze betalingen zijn zogenoemde telefonische overboekingen. De door de uiteindelijke afnemer te betalen bedragen (exclusief btw) zijn ontvangen vóór belanghebbende de bedragen (inclusief btw) betaalde aan haar leverancier. De leverancier bericht K dat de goederen worden vrijgegeven. Transport naar de afnemer in Duitsland alsmede de administratieve afhandeling worden vervolgens door deze expediteur verzorgd. Tot eind maart 2006 maakt belanghebbende op deze transacties een winst van totaal € 575.000.

2.5. De eerste facturen van J BV aan belanghebbende dateren van 18, 19 en 20 januari 2006. Belanghebbende heeft de Inspecteur bij aangetekend verzonden brief van 20 januari 2006 de eerder door haar telefonisch bij dezelfde Inspecteur ingewonnen informatie omtrent het btw-nummer van J BV bevestigd. Een ten behoeve van “het exclusieve gebruik” door belanghebbende uitgevoerd zogenoemd “KYSIS Uitgebreid Rapport” van 18 januari 2006 verstrekt informatie omtrent J BV. Onder meer wordt vermeld dat per 8 december 2005 P directeur en enig personeelslid is. Achter “Aangaan relatie” is opgenomen “Bij het aangaan van een rela¬tie achten wij voorzichtigheid geboden”. Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor U voor J BV van 18 januari 2006 maakt ook melding van P als bestuurder, met als datum van infunctietre¬ding 12 november 2005, en enig personeelslid. Met P, voornoemd, heeft belanghebbende nimmer contact gehad.

3. Geschil

In geschil is enkel het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht aan belanghebbende:

- over februari 2006 teruggaaf van omzetbelasting heeft geweigerd, en

- over maart 2006 de onderwerpelijke naheffingsaanslag heeft opgelegd.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Voor de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De in geding zijnde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over de maand maart 2006 betreft de correctie van de eerder, naar de Inspecteur heeft aangegeven, abusievelijk tot een gelijk bedrag verleende teruggaaf in de omzetbelasting op het verzoek van belanghebbende over dezelfde maand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Inspecteur voldoende aannemelijk gemaakt dat deze teruggaaf berust op een voor belanghebbende kenbare vergissing. Redressering van deze vergissing kan zonder meer plaatshebben. Gelet hierop alsmede op de daaromtrent vastgestelde feiten en omstandigheden, houdt de rechtbank het ervoor dat het geschil in wezen betreft het antwoord op de vraag of de door belanghebbende over de maanden februari en maart van 2006 gedane verzoeken om teruggaaf van respectievelijk € 324.588 en € 534.395 aan omzetbelasting moeten worden gehonoreerd. De rechtbank merkt hierbij op, wellicht ten overvloede, dat, gelet op de door belanghebbende over die maanden ingediende aangiften en het beloop van de daarbij in aftrek gebrachte voorbelasting (vgl. bijlage 1A bij het verweerschrift), het antwoord op deze vraag een verdere strekking heeft dan de thans in geding zijnde bedragen.

4.2. De primaire stelling van de Inspecteur vat de rechtbank aldus op dat belanghebbende geen recht op aftrek van voorbelasting toekomt, omdat de desbetreffende facturen niet aan de daartoe gestelde eisen voldoen. De Inspecteur heeft in dat verband gemotiveerd gesteld dat de op die facturen vermelde (rechts)persoon een ander is dan degene die de op die facturen vermelde leveringen heeft verricht. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan mee dat belanghebbende het tegendeel aannemelijk maakt. Hieraan doet, mede in aanmerking genomen hetgeen is overwogen in punt 4.1, naar het oordeel van de rechtbank niet af dat het geschil een naheffingsaanslag betreft. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.3. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de op de factu¬ren vermelde rechtspersoon, J BV, rechtsgeldig werd vertegenwoordigd door de personen met wie belanghebbende, naar haar zeggen, zaken heeft gedaan, te weten L en M. Dit zelfde geldt voor N, voornoemd. Ook overigens heeft zij geen, althans volstrekt onvoldoende bewijs aangedragen voor haar stelling dat de facturen wat betreft de vermelding van de presterende ondernemer correct zijn opgemaakt. Afgezien daarvan is, naar het oordeel van de rechtbank, uit de hiervoor onder punt 2.1 tot en met 2.5 vastgestelde feiten en omstandigheden af te leiden dat die rechtspersoon niets uitstaande heeft gehad met de op de facturen vermelde leveranties. Alsdan is niet (meer) van belang de vraag of die rechtspersoon ondernemer was voor de omzetbelasting dan wel als zodanig bij de Belastingdienst bekend was.

4.4. Het overwogene in de punten 4.2 en 4.3 voert de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende niet het van haar te verlangen bewijs heeft geleverd. Daaruit volgt dat de facturen niet voldoen aan de in artikel 35, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet genoemde verplichting inzake de vermelding van – voor zover hier van belang de onderne¬mer die de levering verricht. Mitsdien is geen sprake van op de voorgeschreven wijze opgemaakte facturen. Het te dezen aan de facturen klevende gebrek is naar het oordeel van de rechtbank zodanig zwaarwegend van aard, dat artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet aan de aftrek van de op de facturen vermelde omzetbelasting in de weg staat.

4.5. Voor zover belanghebbende zich heeft beroepen op het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 12 augustus 2004, nr. CPP2004/1537M (NTFR 2004/1253) faalt dat beroep naar het oordeel van de rechtbank zonder meer.

4.6. Bij de vorming van dat oordeel heeft de rechtbank in het bijzonder overwogen dat uit het geheel van feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt dat met de op de facturen voorkomende naamsvermeldingen uitsluitend de bedoeling heeft vooropgestaan de schijn te wekken dat genoemde voormelde rechtspersoon de leveringen heeft verricht, kennelijk om zodoende een aftrek van belasting te creëren zonder dat daartegenover enige voldoening van belasting staat. Gelet op de tekst en de bedoeling van de in voormeld Besluit opgenomen aanwijzingen strekt deze ertoe om in een geval als het onderhavige, waarin niet alleen hoegenaamd niets is komen vast te staan omtrent de identiteit van de presterende ondernemer, maar ook opzettelijk en kennelijk met een bedrieglijk oogmerk als naam van de presterende ondernemer de naam is vermeld van een ander dan degene die de presta¬ties in werkelijkheid heeft verricht, erin te bewilligen dat de op desbetreffende facturen vermelde omzetbelasting wordt afgetrokken.

4.7. De stelling van belanghebbende, dat met een beroep op het vertrouwensbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur haar niettemin aftrek van voorbelasting moet worden verleend, faalt. Nog daargelaten dat de uitlatingen van de controlerend ambtenaren F dan wel E tijdens een controlebezoek in maart 2006, waarop belangheb¬bende concreet een beroep doet, zijn gedaan naar aanleiding van het door belanghebbende bij te brengen bewijs dat ter zake van de leveringen naar haar afnemer in Duitsland voor de omzetbelasting het tarief van nihil toepassing kan vinden, is de inhoud of de aard van de uitlating(en) niet zodanig dat in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt, dat in dit geval aftrek van voorbelasting is toegestaan. Als zodanig kunnen redelijkerwijs niet worden opgevat de uitlatingen van de controlerend ambtenaren “dat er niets aan de hand was, zolang alle papieren maar in orde waren” en “dat belanghebbende haar leveranties niet behoefde te beëindigen”, ook al zijn deze uitlatingen door de ambtenaren gedaan nadat zij kennis hadden genomen van de informatie die belanghebbende hen ter beschikking had gesteld. In dit verband merkt de rechtbank op dat de gemachtigde van belanghebbende ter zitting diens in dit verband aangeboden bewijs door middel van het horen van getuigen heeft aangepast in die zin, dat hij het voldoende heeft geacht de betrokken controlerende ambtenaar op dat punt te bevragen en van de beantwoording van zijn vragen in het proces-verbaal van de zitting melding wordt gemaakt.

4.8. Al het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep niet gegrond is.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en B. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W. Otto, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.