Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC5084

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
26-02-2008
Zaaknummer
07-7143, 07-6628
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder vermoedt dat verzoekster vanaf eind juni 2007 niet meer haar hoofdverblijf heeft in de gemeente. Om die reden is haar WWB-uitkering ingetrokken en een nieuwe aanvraag afgewezen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoekster niet meer in de gemeente verblijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 7143 en 07-6628 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2007

in de zaken van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde: mr. M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2007, verzonden op 18 oktober 2007, heeft verweerder verzoeksters recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 29 juni 2007 ingetrokken, omdat verweerder ervan uitgaat dat verzoekster vanaf die datum niet meer in de gemeente [woonplaats] verblijft.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 25 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

Bij brief van eveneens 25 oktober 2007 heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 07-7143 WWB.

Op 8 oktober 2007 heeft verzoekster bij verweerder een bezwaarschrift ingediend, vanwege het feit dat verweerder nog geen besluit had genomen op de op 20 juli 2007 gedateerde aanvraag van verzoekster om toekenning van een WWB-uitkering. Bij brief van eveneens 8 oktober 2007 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer AWB 07-6628 WWB.

Bij besluit van 18 oktober 2007, verzonden op 22 oktober 2007, heeft verweerder verzoeksters aanvraag om bijstand afgewezen. Hiertegen heeft verzoekster op 13 november 2007 bezwaar gemaakt. Op 19 november 2007 heeft zij desgevraagd de gronden van haar verzoek om voorlopige voorziening aangevuld.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 17 december 2007, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. van Hoof, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door A.L.P. Baro, werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Verzoekster, die met haar twee kinderen staat ingeschreven op het adres [adres A] in [woonplaats], ontvangt van verweerder al geruime tijd met onderbrekingen een WWB-uitkering. Deze uitkering is haar laatstelijk toegekend per 4 april 2007. In het kader van de in april 2007 door verzoekster ingediende aanvraag om bijstand, heeft verweerder een onderzoek gedaan naar de door haar overgelegde bankafschriften. Op grond van een aantal feiten en omstandigheden rees bij verweerder het vermoeden dat verzoekster niet meer verbleef op voormeld adres in [woonplaats].

2.2 Bij brief van 12 juli 2007, bezorgd op het adres van verzoekster op 13 juli 2007, heeft verweerder verzoekster uitgenodigd voor een gesprek met verweerder op 17 juli 2007 om 09.30 uur. Verzoekster is niet verschenen. Bij besluit van 17 juli 2007 heeft verweerder verzoeksters recht op uitkering opgeschort. In datzelfde besluit heeft verweerder verzoekster vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 18 juli 2007 om 14.00 uur. Verzoekster is ook op dat tijdstip niet verschenen. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 18 juli 2007, op het adres van verzoekster bezorgd op diezelfde datum, het recht van verzoekster op een WWB-uitkering per 17 juli 2007 ingetrokken. Hiertegen heeft verzoekster op 30 juli 2007 een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft dit bezwaar bij besluit van 1 oktober 2007 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoekster geen beroep ingesteld.

2.3 Op 20 juli 2007 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend ter verkrijging van een WWB-uitkering. Omdat verweerder niet tijdig op deze aanvraag besliste, heeft verzoekster op 8 oktober 2007 hiertegen een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 18 oktober 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij niet in de gemeente [woonplaats] verblijft. Bij brief van 13 november 2007 heeft verzoekster hiertegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij besluit van 17 oktober 2007, verzonden op 18 oktober 2007, verzoeksters recht op een WWB-uitkering ingetrokken per 29 juni 2007. Hiertegen heeft verzoekster op 25 oktober 2007 een bezwaarschrift ingediend.

2.4 Verzoekster stelt dat zij een bijzonder spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat zij niet kan voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Zij heeft reeds gedurende een groot aantal maanden geen inkomsten, terwijl zij hoge schulden heeft. Volgens verzoekster zijn de bestreden besluiten niet deugdelijk gemotiveerd. Het besluit tot intrekking van het recht op bijstand bevat volgens verzoekster geen feiten en omstandigheden op grond waarvan zou blijken dat verzoekster niet meer haar hoofdverblijf heeft in de gemeente [woonplaats]. Verzoekster betwist deze stelling van verweerder. Volgens verzoekster valt niet in te zien dat uit haar pingedrag kan worden geconcludeerd dat zij niet (meer) in [woonplaats] zou verblijven. Zij stelt dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd dat zij haar woning in [woonplaats] moet ontruimen, ondanks dat de huurschuld inmiddels is voldaan. Ook heeft verzoekster erop gewezen dat de pintransacties in Amsterdam in maart en april 2007 plaatsvonden, terwijl ook verzoeksters dochter van haar pinpas gebruik maakt. Voorts is volgens verzoekster verweerders onderzoek onzorgvuldig geweest, omdat ten onrechte geen huis- en buurtonderzoek hebben plaatsgevonden. Dat verzoekster in Amsterdam is waargenomen, betekent volgens haar niet dat zij daar haar hoofdverblijf heeft. Verzoekster wijst er in dit verband op dat al haar kleding en administratie nog in haar woning in [woonplaats] aanwezig zijn.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de onderzoeksbevindingen is gebleken dat verzoekster in ieder geval vanaf 29 juni 2007 niet meer in de gemeente [woonplaats] verblijft. Om die reden is er volgens verweerder geen aanleiding over te gaan tot het verstrekken van uitkering of voorschotten aan verzoekster. Ter zitting heeft verweerder aangevoerd, dat zijns inziens het onderzoek voldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Volgens verweerder zouden een huis- en buurtonderzoek in verzoeksters geval te ingrijpende onderzoeksmethoden zijn geweest, gelet op hetgeen verweerder reeds op andere wijze aan informatie had verkregen of kon verkrijgen.

2.6 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.7 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de WWB bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

2.8 Artikel 17, eerste lid, van de WWB bepaalt, dat de belanghebbende aan het college van burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Artikel 17, tweede lid, van de WWB bepaalt, dat de belanghebbende verplicht is aan het college van burgemeester en wethouders desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

2.9 Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, WWB kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien het niet (behoorlijk) nakomen van de inlichtingenplicht heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.10 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.11 In de geschillen die nu voorliggen, staat de vraag centraal of verweerder zich op juiste gronden op het standpunt heeft gesteld, dat verzoekster vanaf 29 juni 2007 niet meer haar hoofdverblijf heeft in de gemeente [woonplaats].

2.12 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt onder meer dat verzoekster in het kader van haar aanvraag om bijstand in april 2007 een aantal bankafschriften heeft overgelegd die betrekking hebben op de periode tussen 19 maart 2007 en 24 april 2007. Uit deze bankafschriften bleek verweerder, dat het overgrote deel van de pintransacties die in die periode zijn verricht, plaatsvonden in Amsterdam, in de directe omgeving van de woning van haar ex-partner, [naam ex-partner]. Bovendien is verweerder uit onderzoek gebleken, dat verzoeksters woning aan de [adres A] in [woonplaats] sinds respectievelijk februari en maart 2007 niet is aangesloten op elektra en gas, terwijl eveneens is gebleken dat verzoekster over de maanden april, mei, juni en juli 2007 haar huur niet had betaald. Op grond van het voorgaande rees bij verweerder het vermoeden dat verzoekster niet meer haar hoofdverblijf had in [woonplaats], maar verbleef bij haar ex-partner, [naam ex-partner], op het adres [adres B] in Amsterdam.

2.13 Medewerkers van verweerder hebben vervolgens vanaf 29 juni 2007 tot en met 13 juli 2007 en ook op 17 juli 2007 bij de woning van de ex-partner van verzoekster waarnemingen gedaan. Verzoekster betwist deze waarnemingen niet. Bedoelde medewerkers hebben verzoekster op 29 juni 2007 om 08.00 uur waargenomen, op 3 juli 2007 om 07.55 uur, op 11 juli 2007 om 07.50 uur, op 12 juli 2007 om 07.55 uur en op 13 juli 2007 om 07.52 uur, telkens op of nabij het adres [adres B] te Amsterdam. Daarnaast is het verweerder bekend dat verzoekster zich elke werkdag om 09.00 uur moet melden bij Agros in Purmerend om daar in het kader van haar re-integratie een (schriftelijke) sollicitatie aan te leveren. Uit de waarnemingen die de medewerkers van verweerder hebben verricht, blijkt voorts onder meer, dat verzoekster een aantal keren vanuit het adres [adres B] naar Agros in Purmerend is gegaan, waar zij telkens rond 09.00 uur arriveerde.

2.14 Anders dan verzoekster meent, heeft verweerder een voldoende zorgvuldig onderzoek verricht. De omstandigheid dat de pintransacties in maart en april 2007 plaatsvonden, terwijl ook verzoeksters dochter gebruik maakt van dezelfde bankpas, doet hieraan niet af, te meer daar het pingedrag van verzoekster voor verweerder slechts de aanleiding vormde tot het verrichten van nader onderzoek. De omstandigheid dat verweerder heeft afgezien van een huis- en buurtonderzoek in en rond het adres [adres A] in [woonplaats], brengt voorts niet zonder meer met zich, dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.

2.15 De voorzieningenrechter is, op grond van het voorgaande, voorlopig van oordeel, dat verweerder zich, gelet op voormelde feiten en omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, terecht op het standpunt heeft gesteld, dat verzoekster in ieder geval vanaf 29 juni 2007 niet meer haar hoofdverblijf heeft op het adres [adres A] in [woonplaats]. Dit maakt ook begrijpelijk, dat verzoekster twee keer niet bij verweerder is verschenen, omdat ze geen kennis heeft kunnen nemen van twee aan huis bezorgde oproepen, omdat ze door haar afwezigheid van de inhoud van die brieven geen kennis heeft kunnen nemen. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen grond om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken. Voorts heeft verzoekster in het kader van haar nieuwe aanvraag van 20 juli 2007, noch in bezwaar, aannemelijk gemaakt, dat haar woonsituatie op dat moment was gewijzigd ten opzichte van de woonsituatie op 29 juni 2007. Verweerder heeft daarom op juiste gronden de nieuwe aanvraag om uitkering afgewezen.

2.16 Hetgeen hiervoor is overwogen, leidt tot het oordeel dat niet op voorhand kan worden gezegd, dat de bestreden besluiten van 17 en 18 oktober 2007 in bezwaar en beroep geen stand zullen houden. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de voorzieningenrechter de verzoeken daartoe zal afwijzen.

2.17 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, voorzieningenrechter, en op 19 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.