Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3840

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
07/183
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM7667, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Correctie op het aangegeven belastbaar inkomen terecht toegepast. Nu het aan opzet van eiseres is te wijten dat een onjuiste aangifte is ingediend blijft de vergrijpboete instand, echter ziet de rechtbank reden tot matiging en acht een boete van 50% passend en geboden, welke wegens tijdsverloop verder wordt gematigd tot 45 %.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/183

Uitspraakdatum: 13 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X te Z, eiseres

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft met dagtekening 14 september 2005 aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 177.800. Bij beschikking van 14 september 2005 heeft verweerder een vergrijpboete opgelegd van 100%.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 7 november 2006 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 168.161 en de aanslag, alsmede de 100% vergrijpboete, voor het overige gehandhaafd.

1.3. Tegen deze uitspraak is op 18 december 2006 door eiser een beroepschrift ingediend bij verweerder. Dit beroepschrift is na doorzending op 28 december 2006 door de rechtbank ontvangen.

1.4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2007 te Haarlem. Eiser is verschenen, alsmede zijn gemachtigde A. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door B, bijgestaan door C. Namens eiser is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Ter zitting heeft verweerder een herziene kasopstelling overgelegd. De rechtbank rekent de overgelegde stukken tot de stukken van het geding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.2. Eiser is in 2003 gehuwd met D en heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.800. Eiser heeft geen belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang of uit sparen en beleggen aangegeven.

2.3. In een door verweerder overgelegde kopie van een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel te Amsterdam welke dateert van 13 oktober 2006 is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Onderneming:

Handelsna(a)m(en) :Autobedrijf F

Rechtsvorm :Eenmanszaak

Adres :F-straat 27, 1111VV G

(..)

Datum vestiging :16-06-1994

Bedrijfsomschrijving :Auto-restauratie en poetsbedrijf, tevens in- en verkoop van

auto’s aan bedrijven

Werkzame personen :1

De onderneming wordt gedreven voor rekening van:

Naam :E

(..)”

2.4. Eiser is op 19 april 2004 aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij arrest van 19 december 2005 van het Gerechtshof te Amsterdam is eiser in hoger beroep vrijgesproken.

2.5. In het kader van de strafrechtprocedure tegen eiser, is een proces-verbaal met datum 25 november 2004 opgemaakt van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: SFO) naar de inkomsten en uitgaven van eiser in het jaar 2003. Uit dit proces-verbaal blijkt dat eiser onder meer het navolgende tegenover de politie heeft verklaard (pagina 6, onder 2.1.1.):

“U vraagt mij wat voor werk ik doe en of ik hier goed van kan rondkomen. Ik ben werkzaam als manager van de carwash van mijn broer, gevestigd in G. Dit is een volledige baan, ik kan mijn eigen tijden bepalen”.

“U vraagt mij of het autobedrijf op mijn adres gevestigd nog steeds in werking is. Dit is nog wel in werking, maar momenteel doe ik er niet zoveel mee, het bedrijf ligt al zo’n vier tot vijf jaar stil”

2.6. Op pagina 23 van het proces-verbaal van het SFO is, voor zover van belang, vermeld:

“In de periode 01-01-2003 tot aan de aanhouding van verdachte E op 19 april 2004 hebben verdachte E en/of zijn vriendin F minimaal het volgende bedrag aan onverklaarbare uitgaven gedaan:

(..)

Totale inkomsten en ontvangsten € 58.689,44

Totale uitgaven € 213.556,10

Verschil € 154.866,70”

2.7. In een brief van 25 augustus 2005 heeft verweerder aan eiser aangekondigd dat het in de aangifte 2003 berekende belastbaar inkomen uit werk en woning wordt verhoogd met € 150.000 zodat het belastbaar inkomen uit werk en woning van eiser door verweerder wordt gesteld op € 177.800. In deze brief is tevens vermeld dat een boete van 100% zal worden opgelegd. In deze brief is opgenomen dat verweerder op 14 juli 2005 aan eiser een brief heeft gezonden waarin verweerder zijn voornemen om van de aangifte af te wijken kenbaar heeft gemaakt. Als bijlage bij de brief van 25 augustus 2005 is een door verweerder opgemaakte berekening van de uitgaven en inkomsten van eiser opgenomen.

2.8. In een brief van 20 maart 2006 van de gemachtigde van eiser aan verweerder is onder meer vermeld:

“15) Het privevermogen van de heer E beperkt zich tot het met een hypotheek belast woonhuis en de tot hem beschikking staande bankrekening. Op deze bankrekening staan op de respectievelijke data bescheiden bedragen vemeld”

2.9. In het verslag van een deelonderzoek vermogensvergelijking van verweerder met datum 12 juli 2006 is een ‘beoordeling van het netto privé volgens de privé kasopstelling’ over de periode 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003 opgenomen.

2.10. In een motivering van de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2006 schrijft verweerder dat de controlerend ambtenaar op goede gronden tot de slotsom is gekomen dat de negatieve kas € 140.361 beloopt. Derhalve dient de correctie € 140.361 te bedragen. In de uitspraak op bezwaar wordt dientengevolge de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 168.161 (€ 27.800 + € 140.361).

3. Geschil en standpunten van partijen

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder bij het opleggen van de onderhavige aanslag terecht en tot het juiste bedrag van de aangifte is afgeweken. Voorts is in geschil of terecht een vergrijpboete is opgelegd en of de vergrijpboete in redelijke verhouding staat tot de te bestraffen gedragingen..

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en naar het proces-verbaal van de zitting.

Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat in de herziene privé kasopstelling de verkoop van een Mercedes voor een bedrag van € 58.000 per 30 oktober 2003 is opgenomen. Verder bedraagt de waarborgsom s-weg € 1.815,12 (in plaats van € 1.845,12) en had dit bedrag niet onder de inkomsten, maar onder de uitgaven moeten worden opgenomen. Het saldo van deze privé kasopstelling bedraagt dan, aldus verweerder, negatief € 143.992,22.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is voor zover van belang het volgende bepaald: ‘Ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is gehouden aangifte te doen door:

a. de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stelling en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden, (..)

In artikel 25, zesde lid, AWR is, voor zover van belang, bepaald dat indien het bezwaar is gericht tegen een aanslag met betrekking tot welke de vereiste aangifte niet is gedaan, de aanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd blijft tenzij is gebleken dat en in hoeverre de belastingaanslag onjuist is.

4.2. Voor eiser betekent hetgeen hiervoor in 4.1. is vermeld dat moet worden beoordeeld of hij de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 8 AWR.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat eiser verweerders stelling niet heeft weersproken dat uit de bankafschriften per 1 januari 2003 en 31 december 2003 volgt dat hij niet beschikte over vermogen en dat de inkomsten die per bank zijn ontvangen geheel zijn besteed aan betalingen per bank van onder andere hypotheekbetalingen, huur, verzekeringen, betaling van rekeningen voor de verbouwing, creditcard uitgaven en opnames in contanten.

4.4. Verweerder heeft ter zitting een herziene kasopstelling overgelegd Hieruit volgt volgens verweerder dat eiser in totaal € 143.992 in contanten heeft uitgegeven. Eiser heeft gesteld dat hij in 2003 grote uitgaven heeft gedaan in verband met zijn verbouwing. Over de omvang van de uitgaven voor levensonderhoud verschillen partijen niet van mening en ten aanzien van de overige uitgaven heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze voor een te hoog bedrag in de kasopstelling zijn vermeld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze uitgaven daadwerkelijk door eiser zijn gedaan. Verweerder stelt dat het onduidelijk is waar de financiële middelen van afkomstig zijn waarmee eiser deze uitgaven heeft betaald. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat eiser heeft verklaard dat hij op 1 januari 2003 en 31 december 2003 naast de met een hypotheek belaste eigen woning en zijn bankrekening geen privé vermogen had.

4.5. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat hij een Mercedes in 2002 heeft gekocht in Duitsland van een handelaar en dat hij dit ook in zijn brief van 14 oktober 2005 aan [medewerker] van de belastingdienst heeft meegedeeld. De opbrengst van de verkoop van de Mercedes in oktober 2003 heeft eiser gebruikt om zijn verbouwingskosten te betalen, welke verbouwing volgens de verklaring van eiser ter zitting reeds in 2001 is aangevangen. In de brief van 6 oktober 2006 aan de belastingdienst heeft de gemachtigde namens eiser echter eerdere verklaringen herroepen en meegedeeld dat eiser voor het aankopen van deze auto in februari 2003 beschikte over gespaarde en geleende contanten. Dit zou betekenen dat eiser op 1 januari 2003 de beschikking had over (tenminste) een bedrag van € 58.000 in contanten en dat de auto pas in februari 2003 is aangekocht. In de pleitnota, die is overgelegd ter zitting, is opnieuw vermeld dat het privé vermogen van eiser zich in 2003 beperkte tot een met hypotheek belast woonhuis en een bankrekening. Eiser heeft, aldus zijn verklaring ter zitting, geen factuur van de aankoop van de Mercedes en heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat de auto in 2002 is gekocht. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen van eiser over de omvang van zijn vermogen op 1 januari 2003 volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat eiser op 1 januari 2003 niet beschikte over vermogen waaruit de uitgaven in 2003 kunnen zijn betaald.

4.6. Aan de onder 4.4 en 4.5. beschreven feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank het vermoeden dat eiser in 2003 door hem in zijn aangifte verzwegen inkomsten heeft genoten. Nu eiser slechts een bedrag van € 27.800 heeft aangegeven, waaruit hij de door hem in 2003 gedane contante uitgaven niet kan hebben betaald, heeft eiser niet de vereiste aangifte gedaan als bedoeld in artikel 8 AWR. Het gevolg hiervan is dat, overeenkomstig artikel 27e AWR, het beroep van eiser ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit betekent dat op eiser de last rust om te bewijzen dat de door verweerder toegepaste correctie van € 140.361 onjuist is.

4.7. Eiser heeft aangevoerd dat hij contant geld heeft geleend van zijn broer E. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van twee schriftelijk stukken beide met datum 29 november 2005 waarin E verklaart aan eiser in 2003 bedragen te hebben geleend van € 17.250 en € 9.250 respectievelijk € 20.000. Eiser heeft daarbij aangegeven dat het binnen zijn cultuur heel gebruikelijk is om binnen de familie geld te lenen. De rechtbank is echter van oordeel dat aan deze verklaringen geen geloof kan worden gehecht nu deze circa twee jaar later zijn opgemaakt. Ook overigens heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze bedragen daadwerkelijk zijn geleend.

4.8. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de betalingen die hij heeft ontvangen voor de onderverhuur van het pand s-weg 13 te Amsterdam en die volgens eiser in 2003 € 18.000 bedroegen. Eiser heeft ter ondersteuning van deze stelling een huurovereenkomst overgelegd die is getekend in 2006. In artikel 1 is bepaald dat deze huurovereenkomst is aangegaan voor de tijd van vijf jaren ingaande op 1 december 2005. De enkele bewering van eiser, dat hij reeds in 2003 deze onderverhuur mondeling heeft geregeld is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende met nader bewijs ondersteund. Dat eiser deze inkomsten reeds in 2003 heeft genoten is niet aannemelijk gemaakt.

4.9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond dat de door verweerder toegepaste correctie van het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning te hoog is. Aangezien verweerder de omvang van de correctie heeft gebaseerd op de door eiser gedane uitgaven in 2003 en daarbij de verkoop van de Mercedes in oktober 2003 in aanmerking heeft genomen terwijl van deze verkoop geen schriftelijke bescheiden zijn overgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de correctie is gebaseerd op een redelijke schatting.

4.10. Verweerder kan op grond van artikel 67d van de AWR een boete opleggen van 100% indien het aan opzet van belanghebbende te wijten dat een onjuiste aangifte is ingediend. Deze boete moet, indien sprake is van opzet, ingevolge artikel 25, derde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB), worden verminderd tot 50%. Ingevolge artikel 43, derde lid BBBB kan de ernst van de te beboeten gedraging aanleiding zijn om de op te leggen boete te verhogen tot maximaal 100%.

De grondslag van de boete wordt, gezien het bepaalde in artikel 67d, tweede lid, van de AWR, in verband met artikel 26, tweede lid van het BBBB, gevormd door het belastingbedrag dat aan eisers opzettelijk te weinig aangegeven inkomen is toe te rekenen.

4.11. De rechtbank is van oordeel dat eiser omvangrijke inkomsten heeft genoten die hij opzettelijk niet heeft vermeld in zijn aangifte. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser verklaringen heeft afgelegd over de herkomst van zijn inkomen en het op 1 januari 2003 aanwezige vermogen, die gelet op de tegenstrijdigheden van deze verklaringen, niet geloofwaardig zijn. Verder heeft eiser opgemerkt dat een of meer in- en verkopen van auto’s en/of motorfietsen als privé transacties moeten worden aangemerkt. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser, alhoewel hij er in het verleden door verweerder op is gewezen dat hij zijn administratie beter moest bijhouden, verkoopwinsten niet aan de hand van facturen kan en wil onderbouwen.

De rechtbank ziet in de omvang van het bedrag van de boete, die het gevolg zou zijn van een boete van 100% zoals deze door verweerder is opgelegd, reden tot matiging. Een boete zijnde 50% van de belastingbedrag acht de rechtbank passend en geboden.

4.12. De boete is omstreeks 14 juli 2005 aan eiser kenbaar gemaakt en bij het doen van deze uitspraak is derhalve de redelijke termijn voor de beoordeling van de opgelegde boete van twee jaar verstreken. Nu niet is gebleken dat het verstrijken van deze termijn aan eiser is te wijten, ziet de rechtbank hierin aanleiding om de boete verder te matigen tot een boete van 45%.

4.13 Uit het voorgaande volgt dat het beroep zover dit betrekking heeft op de boete, gegrond is.

5. Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht gesteld op de reiskosten met openbaar vervoer tweede klas, ter grootte van € 8,10.

6. Beslissing

De rechtbank:

-verkaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de vaststelling van het belastbare bedrag uit werk en woning ongegrond;

-handhaaft het belastbaar inkomen uit werk en woning in 2003 op € 168.161;

-verklaart het beroep tegen de opgelegde boete gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boete;

-vermindert de boete tot een boete van 45% over de belasting die is verschuldigd over € 140.361;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 8,10 en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

-gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 13 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, mr. M.J. Leijdekker en mr. J.M. van Kempen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.