Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3706

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
24-09-2007
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
07/805
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst tussen partijen. Niet is gebleken van een bewuste standpuntbepaling zoals waar eiseres zich op beroept.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 508
FutD 2008-0397

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB07/805

Uitspraakdatum: 24 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst /P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd met dagtekening 28 februari 2006, berekend naar een belastbaar bedrag van € 1.000.000. Bij beschikking van dezelfde datum is een verzuimboete van € 567 opgelegd.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak van 9 december 2006 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar bedrag van € 623.602, en de opgelegde verzuimboete gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 17 januari 2007, aangevuld bij schrijven van 27 februari 2007, beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2007 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen A. Namens verweerder zijn verschenen B en C. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is op 11 februari 1985 opgericht en exploiteert een schilders- en afwerkingsbedrijf. De aandelen zijn voor 95% in handen van D en voor 5% in handen van E. Per 11 februari 1985 heeft eiseres alle aandelen in Y B.V. gekregen en met deze vennootschap vormde eiseres tot en met 2002 een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 Wet op de Vennootschapsbelasting 1969. De heer D is zowel directeur van eiseres als van Y B.V.

2.2. De activiteiten van Y B.V. bestaan uit het fokken, dekken, africhten, trainen, stallen en verzorgen van springpaarden.

2.3. Eiseres treedt op als enige financier van Y B.V. Per 1 januari 2003 heeft eiseres gelden aan Y B.V. verstrekt ter grootte van € 3.816.747 en per 31 december 2003 ter grootte van € 4.478.134.

2.4. In 2002 heeft verweerder een boekenonderzoek omzetbelasting verricht over de jaren 1996 tot en met 2000 bij Y B.V. Op 27 februari 2003 is een concept rapport uitgebracht waarin ook aspecten voor de vennootschapsbelasting zijn opgenomen.

2.5. In een brief van 6 juli 2004 heeft verweerder ten aanzien van de jaren 2001 en 2002 onder meer het volgende aan de toenmalige gemachtigde van Y B.V. geschreven:

“(…) Eind 1994 zijn de eerste voorbereidingen getroffen voor het starten van de activiteiten van Y. Bij aanvang van de onderneming is een businessplan opgemaakt. Na vijf jaar kan geconstateerd worden dat de verwachtingen van dit plan niet zijn uitgekomen. Waar in 1998 een verlies van f 50.000,- werd geprognotiseerd, is het verlies in 2001 opgelopen tot € 411.854.

Gezien de resultaten van Y BV ben ik van oordeel dat geen redelijk denkend ondernemer deze activiteiten zou voortzetten. Dat dit toch gebeurd kan ik niet anders verklaren dan uit persoonlijke overwegingen van de aandeelhouder. Ik heb dan ook het voornemen het negatieve resultaat van Y over 2001 en 2002 te corrigeren en het verlies als uitdeling in aanmerking te nemen bij dhr. D. (…)”

2.6. De jaarrekening 2003 van Y BV vermeldt in de toelichting op pagina 10 onder punt 11 onder meer:

“(…)Financiering X B.V.

31-12-2003 21-12-2002

€ €

Financiering X B.V. 4.478.134 3.816.747

Betreft de langlopende schuld aan X BV. Inzake rente en aflossing zijn vooralsnog geen nadere afspraken gemaakt. Over 2003 is geen rente berekend (2002: 0%)

In 2005 is € 4.291.640 omgezet in kapitaal.(…)”

2.7. In het business plan van Y B.V. van 16 november 2004, pagina 17, is onder meer vermeld:

“(..) Dit betekent dat het eigen vermogen en de langlopende schuld ultimo 2004 ongeveer Euro 1.664.000 negatief respectievelijk Euro 4.593.000 zullen zijn. Het voornemen bestaat om de langlopende schuld om te zetten in kapitaal door middel van een kapitaalstorting door X B.V. Rekening houdende met de opgebouwde stille reserves ad Euro 2.594.000 bruto, respectievelijk Euro 1.699.000 is over de aanloopperiode een netto resultaat ‘gerealiseerd’ ter grootte van Euro 12.000(..)”

En op pagina 18:

“(…)Daarnaast heeft de stal een aantal zeer goede paarden die op hoog niveau presteren. Hiermee heeft de heer D de basis gelegd om Y positief te exploiteren. (…)”

2.8. In een vaststellingsovereenkomst van 17 januari 2005, die door verweerder en D is ondertekend, is in punt 5 onder meer opgenomen:

“(…)De vordering van X BV op Y BV ultimo 2004 wordt omgezet in kapitaal. In januari 2005 zal terzake een aangifte kapitaalsbelasting worden ingediend tot een bedrag van de vordering ultimo 2003. Voor de toename van de vordering in 2004 zal aanvullende aangifte kapitaalsbelasting worden gedaan zodra de jaarrekening 2004 van X BV gereed is (...)”

2.9. In een aangifte kapitaalsbelasting, gedaan door Y BV, is vermeld dat op 31 januari 2005 een storting is gedaan van € 4.291.640. In de toelichting bij de aangifte is onder meer vermeld:

“(…) Manier van storten

De inbreng bestaat uit de omzetting van een lening in informeel kapitaal. Wij verwijzen naar onderdeel 5 van de vaststellingsovereenkomst tussen Y B.V. en de heer J namens Belastingdienst Amsterdam van 17 januari 2005.

Waarde economisch verkeer van de storting

Het uitgangspunt bij de waardebepaling van de ingebrachte lening is dat de nominale waarde van de lening gelijk is aan de waarde in het economisch verkeer van de lening à EUR 4.291.640 (…)”

2.10. In een aangifte kapitaalsbelasting, gedaan door Y BV, is vermeld dat op 24 januari 2006 een storting is gedaan van € 699.598.

2.11. De aangifte voor de vennootschapsbelasting 2003 had door eiseres op 31 mei 2005 ingediend moeten zijn. Verweerder heeft eiseres een aanmaning verzonden om de aangifte alsnog in te dienen vóór 6 januari 2006. Verweerder heeft met dagtekening 28 februari 2006 de aanslag vennootschapsbelasting 2003 opgelegd. Tegelijkertijd met de aanslag is een verzuimboete opgelegd van € 567. Eiseres heeft op 10 maart 2006 een ingevuld aangiftebiljet aan verweerder gezonden.

2.12. Na vermindering volgens de uitspraak op bezwaar bedraagt het belastbare bedrag van de aanslag € 623.602. In dit bedrag is, in afwijking van het in bezwaar door eiseres ingenomen standpunt, een correctie van € 331.795 opgenomen. Verweerder acht dit bedrag een redelijke vergoeding voor de door eiseres aan Y B.V. ter beschikking gestelde gelden; de vergoeding bedraagt 8% van het gemiddeld uitstaande saldo.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de gelden die eiseres aan Y B.V. ter beschikking heeft gesteld in 2003 moeten worden aangemerkt als informeel kapitaal, zoals eiseres verdedigt, of als vordering, zoals verweerder betoogt. Wanneer sprake is van een vordering is nog in geschil welk bedrag aan rente door eiseres aan Y BV in rekening moet worden gebracht, en of ter zake van de mogelijke oninbaarheid van de rentevordering een voorziening mag worden gevormd.

3.2. Standpunt eiseres

Reeds op het moment van verstrekken van de gelden aan Y BV was sprake van informeel kapitaal. Eiseres beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1988, nr. 23 919 (BNB 1988/217). In 2003 hoeft daarom geen rentevergoeding te worden berekend.

Tijdens de onderhandelingen voor de vaststellingsovereenkomst van 17 januari 2005 is het voorstel gedaan om de vordering per 1 januari 2001 om te zetten in kapitaal. Dit is een bewuste standpuntbepaling van verweerder, waaraan belanghebbende vertrouwen kan ontlenen.

Eiseres stelt verder dat zij geen partij is bij de vaststellingovereenkomst en dat dit door verweerder is bevestigd.

Eiseres stelt tot slot dat op grond van het voorzichtigheidsbeginsel een voorziening wegens oninbaarheid van de rente mag worden gevormd.

3.3. Standpunt verweerder

Eiseres heeft de vereiste aangifte niet gedaan, hetgeen leidt tot omkering van de bewijslast.

Eiseres presenteerde de geldverstrekking aan Y BV vanaf het begin civielrechtelijk en fiscaalrechtelijk als een vordering. Dit blijkt onder meer uit het feit dat over 1996 en 1997 rente is berekend en in 1998 aflossing heeft plaatsgevonden. Partijen zijn er bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst van uitgegaan dat de geldverstrekking van belanghebbende aan Y BV als een geldlening moet worden aangemerkt. De bedoeling van partijen bij de vaststellingsovereenkomst kan geen andere zijn dan dat eiseres in 2003 een vordering had op Y BV. Eiseres heeft ook niet op een eerder moment het standpunt ingenomen dat sprake is van informeel kapitaal.

Er is geen sprake van een bodemloze put situatie. In het door Y BV opgestelde concept businessplan 1995 wordt uitgegaan van een rendabele exploitatie. Ook uit het businessplan 2004 is beschreven dat ultimo 2003 sprake is van een positief eigen vermogen als rekening wordt gehouden met de in de voorraad paarden opgebouwde stille reserve. Niet gebleken is dat de schuld niet aan eiseres zou kunnen worden terugbetaald.

Eiseres beroept zich er ten onrechte op dat door het doen van een voorstel het vertrouwen is gewekt dat de omzetting in kapitaal geacht moet worden te hebben plaatsgevonden per 1 januari 2001.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Vaststaat dat eiseres de aangifte heeft ingediend nadat door verweerder op 28 februari 2006 de aanslag is opgelegd. Eiseres heeft niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om tijdig haar aangifte in te dienen. Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt alsdan dat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Dit betekent dat op eiseres de verzwaarde bewijslast rust om aan te tonen dat en in hoeverre het door verweerder in de uitspraak op bezwaar vastgestelde belastbare bedrag onjuist is.

4.2. Eiseres stelt dat reeds vanaf het moment waarop zij de gelden heeft verstrekt aan Y B.V. sprake was van informeel kapitaal. Eiseres beroept zich daartoe op het eerder aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 1988. De stelling van eiseres dat reeds aanstonds duidelijk was dat de aan Y B.V. verstrekte bedragen haar vermogen blijvend hebben verlaten, wordt door de rechtbank evenwel niet gevolgd. Zoals uit de hiervoor onder 2.6 opgenomen feiten blijkt, wordt in de jaarrekening 2003 van Y B.V. gesproken over een langlopende schuld aan X BV. Ook in het business plan van Y B.V. van 16 november 2004 is vermeld dat het voornemen bestaat om de langlopende schuld om te zetten in kapitaal door middel van een kapitaalstorting door X B.V. Eiseres en Y B.V. zijn er derhalve steeds vanuit gegaan dat sprake was van geldleningen. In het businessplan van 16 november 2004 is verder vermeld dat sprake is van een aanzienlijke stille reserve in de paarden welke de omvang van de aanloopverliezen overtrof en wordt ervan uitgegaan dat in de toekomst sprake zal zijn van een positieve exploitatie. Op basis hiervan moet worden geoordeeld dat door de geldverstrekker ten tijde van de geldverstrekkingen ervan kon worden uitgegaan dat terugbetaling daarvan door Y B.V. zou plaatsvinden. De stelling dat deze stille reserve in werkelijkheid veel minder groot was, is zonder nadere onderbouwing, ontoereikend om aan te tonen dat de exploitatie van Y zodanig was dat terugbetaling van de gelden niet zou kunnen plaatsvinden. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat ten tijde van het verstrekken van de gelden door eiseres aan Y B.V. niet reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat deze niet zouden kunnen worden terugbetaald.

4.3. Eiseres heeft nog aangevoerd dat zij niet is gehouden aan de vaststellingsovereenkomst van 17 januari 2005 omdat deze alleen is ondertekend door Y B.V. en D en omdat verweerder zich eveneens in die zin zou hebben uitgelaten. De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en de handelwijze van eiseres niet de conclusie kan worden getrokken dat eiseres niet aan deze overeenkomst gebonden is. De overeenkomst is tot stand gekomen om de fiscale gevolgen van eiseres, van Y B.V. en van de aandeelhouder van eiseres te regelen. In punt 5. van de overeenkomst is opgenomen dat de vordering van X B.V. op Y B.V. ultimo 2004 wordt omgezet in kapitaal. Ook in de punten 6, 7, 8, 9 en 14 van de overeenkomst zijn bepalingen opgenomen waarin rechtsgevolgen voor eiseres zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat D, in zijn hoedanigheid als bestuurder, namens eiseres de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend. Eiseres heeft bovendien overeenkomstig de vaststellingsovereenkomst meegewerkt aan de ontvoeging van Y B.V. uit de fiscale eenheid en aan de omzetting van de lening in aandelenkapitaal, hetgeen blijkt uit de ingediende aangiften kapitaalsbelasting. Zowel uit de inhoud van de overeenkomst als uit de handelwijze van eiseres volgt daarom dat eiseres partij was bij deze vaststellingsovereenkomst.

4.4. Ten aanzien van de stelling van eiseres, dat het voorstel tijdens de onderhandelingen voor de vaststellingsovereenkomst van 17 januari 2005 om de vordering per 1 januari 2001 om te zetten in kapitaal een bewuste standpuntbepaling van verweerder inhield, waaraan belanghebbende vertrouwen kan ontlenen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank vindt in de stukken van het geding en in het verhandelde ter zitting geen reden om aan te nemen dat verweerder jegens eiseres een zodanige bewuste standpuntbepaling heeft uitgedragen. Eiseres is bovendien, zoals uit hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen, gebonden aan de vaststellingsovereenkomst. Daarin is bepaald dat de omzetting ultimo 2004 zal plaatsvinden. Ook in het businessplan van 16 november 2004 van Y B.V. is vermeld dat het voornemen bestaat om de geldlening om te zetten in aandelenkapitaal. In 2003 moet daarom naar het oordeel van de rechtbank nog steeds worden uitgegaan van een geldlening.

4.5. Vaststaat dat in de vaststellingsovereenkomst niets is opgenomen ten aanzien van de rente die Y B.V. ter zake van de lening verschuldigd is aan eiseres. Partijen zijn het er over eens dat deze rente tot 2003 fiscaal niet van belang was omdat eiseres en Y B.V. behoorden tot een fiscale eenheid. Voor het jaar 2003 geldt dat eiseres, die een aanzienlijk vordering op Y B.V. heeft, gelet op hetgeen tussen zakelijk handelende partijen gebruikelijk is, daarvoor rente in rekening moet brengen. Eiseres heeft niet aangetoond dat en waarom Y B.V. in 2003 geen rente zou zijn verschuldigd. Verweerder is er derhalve terecht van uitgegaan dat eiseres deze rente bij de berekening van haar fiscale winst in aanmerking had moeten nemen.

4.6. Verweerder is bij de correctie uitgegaan van 8% van de gemiddelde vordering en heeft een bedrag van € 331.795 in aanmerking genomen. Eiseres doet een beroep op het Besluit van de Staatssecretaris van 11 maart 2004, CPP 2004/517M en stelt dat de gemiddelde rente over 2003 3,43% bedraagt. In dit besluit is echter aangegeven dat deze percentages voor de marktrente kunnen worden gebruikt bij de berekening van de contante waarde van renteloze langlopende verplichtingen. Namens eiseres is ter zitting evenwel verklaard dat Y B.V. niet tegen een lagere vergoeding gelden zal kunnen lenen. Ook op andere wijze is niet aangetoond dat de rente, gelet op zakelijke verhoudingen, te hoog is. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door verweerder toegepaste rente niet berust op een onredelijke schatting.

4.7. Eiseres heeft tot slot gesteld dat zij, indien de rechtbank zou oordelen dat zij rente in rekening had moeten brengen aan Y B.V., een voorziening mag vormen omdat niet waarschijnlijk is dat Y B.V. deze rente zal betalen. Deze stelling kan, nu daarvan geen nadere onderbouwing is gegeven, evenmin worden gevolgd.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.P.M. van Rijn, voorzitter, mr. J. Snitker en mr. J.H. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.