Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3705

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-06-2007
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
07/1654
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwaardering van vordering niet toegestaan, nu bestaan van de vordering niet aannemelijk is geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0417
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB07/1654

Uitspraakdatum: 18 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst / P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan eiseres is over het jaar 2004 een aanslag Vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 298.799.

1.2. Eiseres heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de aanslag bij de bestreden uitspraak verminderd tot een, opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 286.402.

1.3. Eiseres is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Bij het onderzoek ter zitting van 8 juni 2007 te Amsterdam zijn verschenen en gehoord – A, B, C, D en E.

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1. Tussen partijen vaststaande feiten

De rechtbank stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvol¬doende weersproken, de volgende feiten vast.

2.1. Eiseres is een 100% dochtervennootschap van Y BV (hierna: Y).

2.2. Y is behalve de moedermaatschappij van eiseres tot 15 september 2004 tevens aandeelhoudster van 50% van de aandelen van Z BV (hierna: Z).

Op 15 september 2004 verkoopt Y haar aandelen in Z voor € 150.000 aan P Holding BV waarvan R directeur en aandeelhouder is.

2.3. In een op 27 juli 2004 opgemaakte intentieverklaring is de verkoop van de aandelen Z door Y aan P Holding BV opgenomen, als onderdeel van een meeromvattende overeenkomst waarbij ook is overeengekomen dat een onroerende zaak te F zal worden verkocht, een handelsnaam en de aandelen in een andere vennootschap zullen worden overgedragen, en zal worden gekomen tot een correcte afbouw van de financiële positie van Y en/of haar gelieerde vennootschappen.

2.4. Op 3 november 2004 wordt Z failliet verklaard.

2.5. Eiseres heeft bij het vaststellen van haar jaarrekening over 2004 en het indienen van de aangifte Vennootschapsbelasting, een bedrag van € 374.551 ten laste van het resultaat gebracht.

Ter onderbouwing van deze aftrekpost voert eiseres aan dat zij ten tijde van de verkoop van de aandelen Z door haar moedermaatschappij Y, een R/C vordering (hierna: de vordering) heeft op Z tot hetzelfde bedrag. Na het faillissement van Z kan in de visie van eiseres aan de vordering geen waarde meer worden toegekend, waarna zij besluit tot afwaardering tot nihil.

2.6. In 2005 is bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld dat heeft geresulteerd in een rapport met dagtekening 20 februari 2006.

In het kader van het boekenonderzoek zijn door de controlerend ambtenaar onder andere vragen gesteld over het ontstaan en het verloop van de vordering.

2.7. Bij het vaststellen van de aanslag met dagtekening 6 mei 2006 is de afwaardering van de vordering tot op nihil, niet als aftrekpost geaccepteerd.

2. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht de afwaardering ad € 374.551 op de vordering heeft geweigerd, zoals verweerder verdedigt en eiseres bestrijdt.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd ter zitting en in de van hen afkomstige stukken.

3.3. Eiseres concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar bedrag van -/- € 88.149.

Verweerder concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

3. Beoordeling van het geschil

4.1. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiseres, die een vordering wil afwaarderen tot op nihil, de last rust aannemelijk te maken dat sprake is van een vordering tot het bedrag zoals door haar gesteld en dat vervolgens aanleiding bestaat tot afboeking van deze vordering over te gaan.

4.2. De stelling van verweerder, onder verwijzing naar artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat de administratie van eiseres moet worden verworpen als grondslag voor de winstberekening, zodat het beroep ongegrond moet worden verklaard tenzij is gebleken dat de bestreden uitspraak onjuist is, faalt.

Nog daargelaten dat de bewijslast voor de door eiseres geclaimde aftrek reeds op haar ligt, zijn de door verweerder aangedragen feiten en omstandigheden (bestaande in het door de directeur wijzigen van de tenaamstelling op een aantal inkoopfacturen), tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser (onder het innemen van de stelling dat slechts incidenteel een onjuiste tenaamstelling is gewijzigd en dat de facturen vervolgens correct in de admini¬stratie zijn verwerkt) volstrekt onvoldoende om tot deze verregaande maatregel over te gaan.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestaan en de omvang van de vordering tijdens het boekenonderzoek aan de orde is gesteld en sedertdien onderdeel is geweest van de rechtsstrijd tussen verweerder en eiseres (naast andere correctiepunten die inmiddels niet meer in geschil zijn).

Verweerder heeft daarbij het standpunt ingenomen dat in het geheel geen sprake is van een vordering van eiseres op Z, zodat een afwaardering op de vordering ten laste van het resultaat niet aan de orde is. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de onduidelijke omschrijving van de vordering (lening u/g), het ontbreken van iedere onderbouwing van het bestaan van de vordering (verloop van de vordering, onderliggende bescheiden), het gegeven dat de vordering door eiseres niet is ingebracht in het faillissement van haar debiteur, de ontkenning van het bestaan van de vordering door Z-directeur R, de omstandigheid dat de vordering niet is genoemd of opgenomen in de intentieverklaring zoals onder 2.3 omschreven, terwijl dat gelet op de omvang van de vordering en het verkoopbedrag voor de helft van de aandelen Z ad € 150.000 in verhouding tot de activa en passiva van Z, zeker in de rede zou hebben gelegen.

4.4. Tegenover deze gemotiveerde betwisting door verweerder ligt het op de weg van eiseres om het bestaan en de omvang van de vordering aannemelijk te maken. Dit klemt te meer nu, zoals wordt gesteld in de pleitnota van de gemachtigde van eiseres, de daarvoor benodigde stukken (zoals bankafschriften en leningsovereenkomsten) voorhanden zijn.

Eiseres heeft steeds volstaan met de (blote) stelling dat de vordering bij aanvang van het onderhavige jaar reeds bestond en ten tijde van de verkoop van de aandelen op 15 september 2004 was opgelopen tot € 374.551, maar voor deze stelling geen (begin van) bewijs bijgebracht.

4.5. Hoewel het bestaan en de omvang van de vordering door verweerder al sedert het boekenonderzoek worden betwist heeft eiseres, ofschoon zij (naar eigen zeggen) over de benodigde stukken en bescheiden beschikt, dus steeds nagelaten haar stelling nader te onderbouwen. Eiseres heeft evenmin inzicht gegeven in het ontstaan en het cijfermatig verloop van de vordering.

Aldus heeft eiseres niet voldaan aan de op haar rustende bewijslast zodat de rechtbank verweerder volgt in zijn stelling dat in het geheel geen sprake is van een vordering van eiseres op Z en dientengevolge ook geen sprake kan zijn van een afboeking van deze vordering ten laste van haar resultaat.

4.6. Nu verweerder op bovenstaande gronden in het gelijk is gesteld en bovendien heeft verklaard dat R ter zitting, als getuige gehoord, niet meer zal kunnen verklaren dan reeds door hem is uiteengezet in de van hem afkomstige schriftelijke verklaring (als bijlage 9 bij het verweerschrift gevoegd) passeert de rechtbank het aanbod van verweerder om R onder ede te laten getuigen.

4.7. Hetgeen overigens nog door eiseres is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het beroep is ongegrond.

4. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs A.M. van Amsterdam, voorzitter, J.T. Sanders en A.P.M. van Rijn, rechters. De beslissing is op 18 juni 2007 door de voorzitter in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr O.C.H.C. Pilet, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.