Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC3369

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
04-02-2008
Zaaknummer
AWB 07-8072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens het met een woonboot innemen van een ligplaats zonder ligplaatsvergunning. Geen concreet uitzicht op legalisatie of andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan van handhaving moet worden afgezien. Verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 8072

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 december 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te Haarlem,

verzoeker,

gemachtigde: mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.E. Biezenaar, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2007 heeft verweerder verzoeker een last onder dwangsom opgelegd wegens het met een woonark innemen van een ligplaats zonder de vereiste ligplaatsvergunning.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 29 november 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 7 december 2007, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en A. Abdelmouhim, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de voorzieningenrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Woonschepenverordening (Wsv) is het verboden zonder ligplaatsvergunning met een woonschip ligplaats in te nemen of te hebben op plaatsen in de openbare wateren, die zijn aangegeven op de ligplaatsenkaart.

2.3 Verzoeker heeft eind mei 2007 met een woonark een ligplaats ingenomen aan de Lieover 34 te Haarlem. Omdat verzoeker volgens verweerder niet beschikt over de vereiste ligplaatsvergunning, heeft verweerder verzoeker gelast om binnen een termijn van vier weken de woonark van de desbetreffende locatie te verwijderen en verwijderd te houden. Indien verzoeker aan deze last geen gevolg geeft, verbeurt hij een dwangsom van € 3000,- per week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 18.000,-.

2.4 Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft de voorzieningenrechter verzocht het besluit te schorsen. Verweerder heeft de begunstigingstermijn in verband met de gevraagde voorziening geschorst tot en met 10 december 2008.

2.5 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.6 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet beschikt over de vereiste ligplaatsvergunning. Dit is een overtreding van artikel 3, tweede lid, Wsv. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zal, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen.

2.7 Van een bijzondere omstandigheid kan sprake zijn indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van concreet uitzicht op legalisatie, omdat een eerder door verzoeker aangevraagde ligplaatsvergunning voor zijn vorige woonschip op dezelfde locatie reeds is geweigerd.

2.8 Verzoeker voert daartegen aan, dat destijds niet werd voldaan aan artikel 7, tweede lid, van de Woonschepenverordening, waarin is bepaald dat een woonschip met het oog op de openbare orde en veiligheid op een veilige wijze van de wal te bereiken moet zijn. Nu echter bestaat die mogelijkheid wel, omdat hij met de eigenaar van het belendende perceel, [X], een overeenkomst heeft gesloten, waarin is bepaald dat aan hem het zakelijk recht van overpad wordt verleend, zodat hij over het grondgebied van [X] op veilige wijze zijn woonark kan bereiken. De voorzieningenrechter stelt vast, dat [X] betwist dat hij dit met verzoeker is overeengekomen en dat hij stelt dat zijn handtekening is vervalst. [X] heeft aangegeven dat hij op korte termijn een civiele procedure aanhangig zal maken om vastgesteld te krijgen dat de overeenkomst niet geldig is. Nu de rechtsgeldigheid van de overeenkomst wordt betwist en deze naar verwachting niet op korte termijn komt vast te staan, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat binnen afzienbare tijd op basis van die overeenkomst een ligplaatsvergunning kan worden verleend. Dat een handschriftdeskundige op korte termijn - zoals verzoeker ter zitting heeft gesteld - zal verklaren dat de handtekening echt is, leidt niet tot een ander oordeel, nu alleszins aannemelijk is dat [X] deze verklaring zal betwisten en aanvechten.

2.9 Verzoeker heeft voorts aangegeven dat hij van [X] heeft gevorderd een noodweg aan te leggen, zodat het mogelijk wordt zijn woonark vanaf de openbare weg te bereiken. Vast staat dat deze vordering bij vonnis van 4 juli 2007 is afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld en stelt dat verweerder ten onrechte meent dat het hoger beroep onvoldoende kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter begrijpt de stelling van verzoeker aldus dat er nog altijd een kans bestaat dat de vordering tot het aanleggen van een noodweg wordt toegewezen. Nu de uitkomst van het hoger beroep onzeker is, is de voorzieningenrechter ook op dit punt van oordeel dat niet aannemelijk is dat binnen afzienbare tijd een noodweg tot stand komt en een ligplaatsvergunning kan worden verleend.

2.10 Verzoeker stelt dat hij nog een andere oplossing heeft gevonden voor het probleem dat hij vanaf de woonark niet op veilige wijze de openbare weg kan bereiken, te weten een verbinding naar de openbare weg via gronden die, net als zijn grond en water, in ondererfpacht zijn uitgegeven door het Recreatieschap en waarop ten behoeve van andere (onder-)erfpachters een recht van overpad rust. Verweerder acht zulks geen reële optie en wijst er in dit verband op dat deze verbinding ongeveer driehonderd meter lang is en loopt over de grond van een groot aantal (onder-)erfpachters, percelen die veelal van elkaar gescheiden zijn door heggen, hagen en schuttingen. Volgens verweerder is hier niet langer sprake van een redelijke wijze van uitoefening van het verleende recht en heeft ook het Recreatieschap verklaard dat de door verzoeker aangedragen oplossing in strijd is met het doel van de bepaling.

2.11 De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat, afgezien van de vraag of hier sprake is van het op redelijke wijze uitoefenen van het verleende recht van overpad, de door verzoeker aangedragen oplossing nog onvoldoende concreet gestalte heeft gekregen om te kunnen oordelen dat binnen afzienbare tijd geen beletselen meer aanwezig zijn om een ligplaatsvergunning te verlenen. Zo is bijvoorbeeld nog onduidelijk of en zo ja wanneer alle (onder)erfpachters ook daadwerkelijk instemmen met het gebruik dat verzoeker van hun percelen wenst te gaan maken en of en zo ja wanneer er dan ook daadwerkelijk een doorgang zonder feitelijke belemmeringen in de vorm van erfafscheidingen e.d. tot stand zou kunnen komen. Ook op basis van deze door verzoeker aangedragen mogelijkheid kan vooralsnog dan ook niet worden geconcludeerd tot een concreet zicht op legalisatie.

2.12 Voorts is niet gebleken van andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had moeten afzien van handhavend optreden. In dit verband is door verzoeker aangevoerd dat de woonark "Portofino" er al 40 jaar lag en door verweerder werd gedoogd. Verzoeker stelt niet in te zien waarom de gedoogsituatie niet geldt voor de nieuwe woonark. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker had moeten weten dat met het verwijderen van de "Portofino" een einde zou komen aan de gedoogsituatie. De "Portofino" werd gedoogd, omdat deze niet zonder schade kon worden versleept. Nadat de "Portofino" door verzoeker was verwijderd, speelde dit aspect niet langer een rol. Het had op het pad van verzoeker gelegen eerst de ingevolge het bestemmingsplan vereiste vrijstelling alsmede de ligplaatsvergunning op orde te hebben, alvorens een nieuwe woonark te plaatsen.

2.13 Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat de woonark niet kan worden verwijderd zonder eerst baggerwerkzaamheden te verrichten, waarvoor een vergunning van het hoogheemraadschap is vereist. Verweerder heeft overleg gepleegd met het hoogheemraadschap en is op basis hiervan tot de conclusie gekomen dat een vergunning in spoedgevallen binnen twee weken kan worden verleend. In verband hiermee is verweerder bereid de begunstigingstermijn te verlengen tot 14 januari 2008, zodat verzoeker ook nog voldoende tijd heeft om daadwerkelijk tot het baggeren en de verwijdering van het schip over te gaan.

2.14 Gelet hierop alsmede op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, en op 10 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.