Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC2561

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
23-01-2008
Zaaknummer
140757 - KG ZA 07-626
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling van de vrouw om mee te werken aan de toedeling van de woning aan de man, bij gebreke waarvan het vonnis in de plaats treedt van het betreffende deel van de notariële akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 140757 / KG ZA 07-626

Vonnis in kort geding van 21 december 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te […],

eiser,

procureur mr. J.P. van Vulpen,

advocaat mr. M. Kashyap te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te […],

gedaagde,

procureur mr. A.J.F. Manders,

advocaat mr. Y.W.G. Verschuren te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond, laatstelijk in de woning aan […], hierna ook “de woning” te noemen. De woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen. In 2004 is de relatie van partijen geëindigd. Aanvankelijk is [gedaagde] met de zoon van partijen, [zoon], in de woning blijven wonen. Thans woont zij met [zoon] in een huurappartement.

2.2. Partijen hebben na hun uiteengaan diverse procedures gevoerd. Ter beëindiging van een bij deze rechtbank aanhangige bodemprocedure hebben partijen ter terechtzitting van 13 april 2006 een vaststellingsovereenkomst gesloten die onder meer de volgende bepalingen bevat.

“(…)

1. Partij [eiser] zal aan partij [gedaagde] een bedrag betalen van € 125.000,-- (…), te voldoen in twee termijnen. De eerste termijn ad € 25.000 dient uiterlijk op 27 april 2006 te zijn bijgeschreven op rekeningnunner […] ten name van [gedaagde] te […]. De tweede termijn ad € 100.000,-- dient uiterlijk op 1 augustus 2006 te zijn bijgeschreven op voormeld rekeningnummer.

(…)

4. Partij [gedaagde] zal na ontvangst van het onder 1 genoemde bedrag alle medewerking verlenen om binnen één maand de toedeling van de woning […] aan partij [eiser] te bewerkstelligen.

(…)”

2.3. [Eiser] heeft het hiervoor genoemde bedrag van € 125.000,-- binnen de daarvoor in de vaststellingsovereenkomst bepaalde termijn aan [gedaagde] betaald. [gedaagde] heeft binnen een maand na ontvangst van de laatste termijn een volmacht voor haar ontslag uit de hoofdelijkheid en toedeling van de woning aan [eiser] ondertekend en afgegeven aan de behandelend notaris.

2.4. Vervolgens heeft de hypotheekverstrekker medewerking aan het ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijkheid geweigerd.

2.5. [gedaagde] heeft met de eigenaar van haar huurappartement gesproken over aankoop van dat appartement door haar. [gedaagde] heeft de financiering niet tijdig rond kunnen krijgen. De eigenaar heeft het appartement inmiddels verkocht aan een derde, aan wie hij het in januari 2008 dient te leveren.

2.6. Bij brief van 3 oktober 2007 heeft de advocaat van [gedaagde] de advocaat van [eiser] als volgt bericht.

“(…) De enige mogelijkheid voor cliënte om de koop van het huis alsnog rond te krijgen is wanneer zij voor 17 oktober a.s. gevrijwaard is ten aanzien van de hypothecaire lening rustende op [de woning] en bij betaling van 10 % van de gehele koopsom, te weten € 31.900,--.

(…)

Reden waarom ik uw cliënt voor dit moment verzoek voor 17 oktober a.s. alsnog de beschikking van de rechtbank d.d. 13 april 2006 na te komen en cliënte te vrijwaren van haar hypothecaire lening rustende op [de woning] , uiteraard met medewerking van cliënte, en € 31.900 te betalen aan cliënte opdat zij en [zoon] in hun huis kunnen blijven wonen.

(…)”

2.7. Daarop heeft de advocaat van [eiser] op 9 oktober 2007 geantwoord dat inmiddels stappen waren ondernomen om [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijkheid en dat één en ander naar verwachting voor 17 oktober 2007 zou zijn gerealiseerd.

2.8. Bij brief van 10 oktober 2007 heeft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiser] laten weten, dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst had ontbonden.

2.9. Nadien heeft [eiser] van de behandelend notaris vernomen dat [gedaagde] haar onder 2.3 bedoelde volmacht had ingetrokken. Bij brief van 16 oktober 2007 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd die intrekking ongedaan te maken om het ontslag uit de hoofdelijkheid alsnog te bewerkstelligen. [Gedaagde] heeft daaraan niet voldaan.

3. Het geschil

3.1. [Eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

[gedaagde] zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan haar ontslag uit de hoofdelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening verbonden aan de woning aan […] en aan de toedeling van die woning aan [eiser], bij gebreke waarvan het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de vereiste wilsverklaring en handtekening van [gedaagde] tot het ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijkheid en levering van de woning aan [eiser],

subsidiair:

[gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom zal veroordelen binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen vonnis medewerking te verlenen aan ongedaanmaking van de verrichte rechtshandelingen op grond van de vaststellingsovereenkomst.

3.2. [Gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [Gedaagde] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Dit verweer wordt verworpen. Partijen hebben na jaren van geschillen op 13 april 2006 een regeling weten te treffen, waarbij tevens is overeengekomen dat partijen elkaar finale kwijting verlenen van al hetgeen zij in het kader van de betreffende procedure hebben gevorderd, waaronder begrepen alle tot die datum gevorderde dwangsommen. Aan die regeling moet thans uitvoering worden gegeven. Daar komt bij dat de vordering van [eiser] de voorzieningenrechter dermate sterk voorkomt dat aan het spoedeisend belang geen al te hoge eisen moeten worden gesteld. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.2. [Gedaagde] stelt zich op het standpunt dat artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst voor [eiser] een fatale termijn van een maand inhoudt om het ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te bewerkstelligen. Zij voert aan dat [eiser] niet binnen die termijn aan zijn verplichtingen heeft voldaan en daardoor van rechtswege in verzuim is. Volgens [gedaagde] rechtvaardigt die tekortkoming van [eiser] de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst door [gedaagde].

4.3. In dit betoog kan [gedaagde] niet worden gevolgd. Artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst luidt:

4. Partij [gedaagde] zal na ontvangst van het onder 1 genoemde bedrag alle medewerking verlenen om binnen één maand de toedeling van de woning […] aan partij [eiser] te bewerkstelligen.

(…)”

Uit die formulering blijkt duidelijk dat de daar genoemde termijn van een maand uitsluitend betrekking heeft op de verplichting van [gedaagde] om mee te werken aan toedeling van de woning aan [eiser]. Dat die termijn een verplichting van [eiser] zou betreffen staat er niet en valt er ook langs de weg van uitleg van overeenkomst (Haviltex) niet in te lezen. Derhalve is ook niet juist dat [eiser] van rechtswege in verzuim zou zijn.

4.4. Bij de onder de feiten aangehaalde brief van 3 oktober 2007 heeft de advocaat van [gedaagde] [eiser] verzocht voor 17 oktober 2007 [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en aan haar euro 31.900,-- te betalen, bij gebreke waarvan zij tot rechtsmaatregelen zou overgaan. Voor zover dit verzoek als ingebrekestelling moet worden aangemerkt, kan dat niet gelden voor de betaling van euro 31.900,-- waarop [gedaagde] aanspraak maakt. Ter toelichting hierop heeft [gedaagde] ter zitting aangevoerd dat zij niet in staat is geweest een ander huis te kopen, doordat zij door toedoen van [eiser] nog mede aansprakelijk was voor de hypothecaire lening die verbonden is aan de woning aan […]. Voorts heeft zij aangevoerd dat de eigenaar van haar huidige huurwoning thans bereid is dat appartement aan haar te verkopen indien zij de boete ad € 31.900,-- voor haar rekening neemt die de eigenaar moet betalen aan de eerdere koper indien hij verkoopt en levert aan [gedaagde]. De vraag in hoeverre [eiser] voor deze door [gedaagde] gestelde schade aansprakelijk kan worden gehouden gaat echter het bestek van deze procedure te buiten.

4.5. Aangezien dit onderwerp tussen partijen niet eerder aan de orde is geweest, kan de ingebrekestelling alleen het ontslag uit de hoofdelijkheid betreffen. Daaraan heeft [eiser] tijdig willen en kunnen voldoen. Het ontslag uit de hoofdelijkheid kon echter niet voor 17 oktober 2007 worden bewerkstelligd, uitsluitend doordat [gedaagde] de volmacht aan de notaris inmiddels had ingetrokken. Nu [eiser] bereid en in staat was om, conform het verzoek van [gedaagde], voor 17 oktober 2007 het ontslag uit de hoofdelijkheid te realiseren, was [gedaagde] niet gerechtigd om op 10 oktober 2007 de vaststellingsovereenkomst te ontbinden.

4.6. Op grond van het voorgaande zal het primair gevorderde worden toegewezen. Gelet op het feit dat partijen gewezen levenspartners zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dag na betekening van dit vonnis haar medewerking te verlenen aan het ontslag van [gedaagde] uit de hoofdelijkheid met betrekking tot de hypothecaire geldlening verbonden aan de woning aan […] en aan de levering van die woning aan [eiser],

5.2. bepaalt dat, indien [gedaagde] in gebreke mocht blijven aan de veroordeling onder 5.1 te voldoen, dit vonnis op de voet van artikel 3: 300 lid 2 BW in de plaats zal treden van die delen van de notariële akten waarvoor de medewerking van [gedaagde] noodzakelijk is,

5.3. bepaalt de termijn als bedoeld in artikel 3: 301 lid 1 sub b BW op veertien dagen,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. compenseert de kosten van het geding tussen partijen aldus dat ieder de eigen kosten draagt,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2007.?