Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC1324

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
344802 CV EXPL 07-3891
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vernietiging van vaststellingsovereenkomst mogelijk? In het kader van ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst komen partijen tot een afspraak over einddatum van het dienstverband en de daarbij door de werkgever te betalen vergoeding. Werknemer beroept zich op dwaling omdat de werkgever hem onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over de financiële situatie van het bedrijf en een dreigend faillissement. Werknemer stelt dat hij ten gevolge van die onjuiste inlichtingen ten onrechte akkoord is gegaan met een lager bedrag dan waarop hij eigenlijk recht had. De kantonrechter is van oordeel dat zwaardere eisen gelden bij vernietiging van een vaststellingsovereenkomst, maar dat in dit geval de werknemer de overeenkomst op goede gronden heeft vernietigd. Vervolgens kent de kantonrechter de werknemer een schadevergoeding toe die deze brengt in de situatie waarin hij zou zijn komen te verkeren als hij niet had ingestemd met de vaststellingsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0029
RAR 2008, 43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 344802/CV EXPL 07-3891

datum uitspraak: 19 december 2007

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde voorheen mr. S.M.A. van Warmerdam

thans mr. R.A.C.G. Martens

tegen

de besloten vennootschap Trust Security B.V.

te Rijswijk

gedaagde partij

hierna te noemen Trust Security

gemachtigde mr. J.P. Koets

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:

- de dagvaarding van 18 april 2007, met producties,

- de akte vermeerding van eis,

- de conclusie van antwoord,

- de door de kantonrechter tussen partijen gegeven rolbeschikking van 13 juni 2007,

- de conclusie van repliek, met producties,

- de conclusie van dupliek, met producties.

Trust Security heeft bij conclusie van dupliek nog producties in het geding gebracht. [eiser] heeft op die producties niet kunnen reageren. Indien mocht blijken dat die producties bij de beoordeling van het geschil zullen moeten worden betrokken, zal [eiser] alsnog de gelegenheid krijgen daarop te reageren. De kantonrechter komt daarop hieronder terug.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a. [eiser] is per 12 december 2001 in dienst getreden van Trust Security in de functie van algemeen beveiligingsmedewerker.

b. Het laatstelijk door [eiser] genoten salaris bedroeg €2.038,01 bruto per vier weken, exclusief vakantietoeslag.

c. Bij brief van 5 januari 2005 heeft Trust Security het volgende aan [eiser] geschreven:

“Hierbij delen wij u mee dat u op non-actief wordt gezet. Dit naar aanleiding van het niet op uw werk verschijnen en het niet op de hoogte stellen van Trust Security BV, i.v.m. het niet door u ontvangen werkrooster. Door uw nalatigheid zijn wij een belangrijke klant kwijtgeraakt. (…)”

d. Bij brief van 7 januari 2005 heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de op non-actief stelling en heeft hij zich beschikbaar gehouden voor het verrichten van zijn werkzaamheden.

e. Bij brief van 10 januari 2005 heeft Trust Security aan [eiser] meegedeeld dat zij had besloten het dienstverband met [eiser] te beëindigen.

f. Vervolgens heeft Trust Security een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend en heeft [eiser] tegen Trust Security een vordering ingesteld voor het verkrijgen van een voorlopige voorziening. Beide zaken zijn door de kantonrechter te Haarlem gelijktijdig behandeld op 9 maart 2005.

g. In het van de onder f. bedoelde mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal is het volgende opgenomen:

“Mr. Nolet: (kantonrechter: gemachtigde van Trust Security):

(…) Trust wil de zaak goed afwikkelen en biedt een vergoeding aan waarbij de correctiefactor (factor C) 1 bedraagt.

Kantonrechter:

Op grond van de tot op heden in het geding gebrachte stukken en hetgeen u hier naar voren heeft gebracht, ben ik voorshands van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser] als schuldige kan worden aangemerkt voor het verlies van de belangrijke klant. (…)

(Na de schorsing)

Kantonrechter:

Heeft uw overleg iets opgeleverd?

Mr. Martens: (kantonrechter: gemachtigde van [eiser])

Ja, partijen zijn er samen uitgekomen. [eiser] wil ook op een goede manier uit elkaar gaan. Partijen willen de arbeidsovereenkomst per 15 maart 2005 beëindigen met de toekenning van een door Trust te betalen vergoeding aan [eiser] van € 8.000,--bruto. Zij verzoeken u om dit in een beschikking vast te leggen. Trust zal met een bedrag van

€ 1.000,--, exclusief BTW, bijdragen in de kosten van de rechtsbijstand van [eiser].

(…)”

h. Bij beschikking van 11 maart 2005 heeft de kantonrechter te Haarlem de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 15 maart 2005 onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding van €8.000,00 bruto.

i. Trust Security heeft de declaratie van de gemachtigde van [eiser] ten bedrage van €1.190,00 inclusief omzetbelasting voldaan.

j. Trust Security heeft de volgende bedragen aan [eiser] betaald:

- op 10 maart 2005 €2.500,00

- op 23 maart 2005 €973,72 en

- op 6 april 2005 €2.804,83.

k. Aan [eiser] is een WW-uitkering geweigerd.

l. Nadat [eiser] met succes tegen die beslissing beroep had ingesteld, heeft het UWV bij besluit van 4 januari 2007 het volgende beslist:

“De u toegekende schadevergoeding van €8.000,--hebben wij overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 lid 3 van de ww toegerekend aan voornoemde opzegtermijn.”

m. Van de ontbindingsvergoeding van €8.000,00 werd uiteindelijk €2.437,95 bruto beschouwd als loon over de fictieve opzegtermijn.

n. Bij brief van 30 januari 2006 heeft de toenmalige gemachtigde van Trust Security aan de toenmalige gemachtigde van [eiser] onder meer het volgende geschreven:

“Met verwijzing naar uw verzoek zoals dit is gedaan bij faxbericht van 24 januari 2006 deel ik u mede, dat bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek bij de Kantonrechter te Haarlem de toentertijd slechte financiële positie van cliënte in het kader van de onderhandelingen onderwerp van gesprek is geweest. Ik heb u inmiddels cijfers doen toekomen waaruit het negatieve resultaat over de eerste periode in 2005 blijkt. (…) Uw cliënt heeft zich uiteindelijk bereid getoond voor een lagere vergoeding dan de gebruikelijke in aanmerking te komen, rekening houdend met die weinig florerende positie van cliënte. Er is toen ook tijdens de onderhandelingen gezegd dat wanneer uw cliënt niet akkoord zou gaan met een lager bedrag er een zeker risico wordt gelopen dat er helemaal geen geld zou worden betaald in verband met een eventueel faillissement.

(…)”

o. Bij brief van 27 september 2006 heeft de toenmalige gemachtigde van [eiser] het volgende aan Trust Security geschreven:

“Uit het voorgaande vloeit voort dat cliënt heeft gedwaald. Bij een juiste voorstelling van de zaken door uw cliënte met betrekking tot haar financiële positie, had cliënt deze schikkingsovereenkomst immers niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, gesloten. Op grond van artikel 6:228 BW vernietig ik namens cliënt dan ook de op 9 maart 2005 tot stand gekomen schikkingsovereenkomst.”

De vordering

[eiser] vordert, na vermeerdering van de eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een schadevergoeding van €27.035,55 bruto,

II. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] gespecificeerd te voldoen €6.320,61 bruto ter zake van achterstallig loon,

III. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] gespecificeerd te voldoen €1.799,84 ter zake van te weinig betaalde vakantietoeslag,

IV. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] gespecificeerd te voldoen €6.344,48 bruto als vergoeding voor de opgebouwde doch niet genoten vakantie-uren,

V. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting gespecificeerd te voldoen de boete wegens te late betaling ex artikel 7:625 BW over het onder II., III. en IV. gevorderde,

VI. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] gespecificeerd te voldoen de wettelijke rente over de onder I. tot en V. gevorderde bedragen,

VII. Trust Security voor niet nakoming van een der verplichtingen genoemd bij de punten I. tot en met VI. een direct opeisbare dwangsom van €100,00, op te leggen voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Trust Security in gebreke blijft aan haar verplichtingen te voldoen,

VIII. Trust Security zal veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen €1.785,00 inclusief omzetbelasting ter zake van buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 BW,

IX. Trust Security zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

[eiser] heeft het volgende aan zijn vordering ten grond¬slag gelegd:

Schadevergoeding:

Tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling op 9 maart 2005 heeft de directeur van Trust Security, de heer [XXX] (hierna: [XXX]) [eiser] valselijk weten te overtuigen van de financiële precaire situatie van Trust Security. Een schikking voor een lager bedrag leek op dat moment voor de hierdoor verontruste [eiser] de enige manier om zijn juridische kosten enigszins te compenseren. [eiser] heeft zodoende veel water bij de wijn gedaan, waardoor partijen het vol-gende zijn overeengekomen:

- ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingaande 15 maart 2005,

- een vergoeding van €8.000,00 bruto, waarvan €1.000,00 ex BTW als bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en waarvan €7.000,00 bruto primair als loon van 27 december 2004 tot en met 14 maart 2005 en secundair als ontbindingsvergoeding, waarbij partijen hebben af-gesproken dat Trust €2.500,00 direct na de zitting per telebanking aan [eiser] zou betalen,

- eindafrekening van de vakantietoeslag van 17 mei 2004 tot en met 14 maart 2005,

- de opgebouwde doch niet genoten vakantie-uren zouden worden geacht te zijn opgeno-men,

- een positief getuigschrift.

Uit de toelichting op de balans uit de jaarrekening 2004 blijkt dat het eigen vermogen van Trust Security over 2004 is gegroeid met de nettowinst ad €169.849,00 over 2004 tot €447.344,00.

Vergelijking van de jaarrekening 2004 en de overgelegde winst- en verliescijfers eerste kwar-taal 2005 wijst uit dat er op 9 maart 2005 absoluut geen sprake kon zijn van een dreigend fail-lissement, laat staan van een precaire financiële situatie.

Louter vanwege de expliciete en ondubbelzinnige mededelingen ten aanzien van de slechte financiële situatie en een praktisch onafwendbaar faillissement ingeval van veroordeling tot betaling van een neutrale ontbindingsvergoeding ad €7.156,54, het achterstallige loon ad €6.320,61, het vakantiegeld ad €1.799,84 en de openstaande vakantiedagen ad (naar de kanton-rechter begrijpt:) €6.344,48 is [eiser] akkoord gegaan met een veel lagere vergoeding dan waar hij recht op had. In totaal zou [eiser] namelijk recht hebben gehad op een bedrag van (naar de kantonrechter begrijpt:) €21.621,47.

De toenmalige gemachtigde van [eiser] heeft daarom de schikkingsovereenkomst van 9 maart 2005 wegens dwaling vernietigd.

Trust Security heeft zich niet als goed werkgever gedragen door [eiser] eerst als zondebok te gebruiken en hem vervolgens te misleiden zodat hij met een lagere vergoeding zou instemmen. [eiser] maakt derhalve op grond van artikel 7:611 BW aanspraak op een schadevergoeding gelijk aan en naar analogie van de kantonrechterformule, waarbij de correctiefactor C = 2,5 de verwijtbaarheid van Trust Security tot voldoende uitdrukking brengt, verminderd met het bedrag van €7.000,00.

Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de hem volledig ten laste gekomen fictieve opzegtermijn ad €2.437,94 bruto, alsmede van de kosten van rechtsbijstand en de gevoerde procedures. De onder I. genoemde vordering wordt als volgt gespecificeerd:

- schadevergoeding €10.891,43

- fictieve opzegtermijn € 2.437,94

- juridische kosten €13.706,18

in totaal €27.035,55

Loonvordering:

Doordat de ontbindingsvergoeding ad €8.000,00 bruto niet kan worden toegerekend als betaling van het salaris over de periode van 27 december 2004 tot en met 14 maart 2005, maakt [eiser] alsnog aanspraak op een vergoeding van het te weinig betaalde salaris van €6.320,61 bruto.

Resterende vakantiedagen;

Op grond van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst had [eiser] jaarlijks recht op 25 vakantiedagen à 8 uur per dag. Het saldo bedroeg per ultimo 2004 456,33 vakantie-uren. Tijdens de onrechtmatige schorsing heeft [eiser] nog eens (2,5/12 x 200) = 41,67 vakantie-uren opgebouwd. Nu [eiser] de schikkingsovereenkomst heeft vernietigd maakt hij op grond van artikel 7:641 BW alsnog aanspraak op vergoeding van de op 15 maart 2005 resterende vakantie-uren, tegen een vergoeding van (1,08 x €2.039,91 : 160 =) €12,74 bruto per vakantie-uur. [eiser] maakt zodoende aanspraak op €6.344,48 bruto.

Vakantiebijslag:

Hoewel partijen op 9 maart 2005 zijn overeengekomen dat Trust Security het vakantiegeld van 17 mei 2004 tot en met 14 maart 2005 zou vergoeden, heeft [eiser] hier geen betaling van ontvangen. Het saldo aan vakantiebijslag bedroeg per einde dienstverband €1.799,84 bruto.

Buitengerechtelijke incassokosten, wettelijke rente en wettelijke verhoging:

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft Trust Security [eiser] genoodzaakt zijn vordering ter incasso uit handen te geven. [eiser] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van €1.785,00 inclusief omzetbelasting. Trust Security dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan [eiser] te voldoen.

Voorts is Trust Security de wettelijke rente verschuldigd geworden over het achterstallige loon, de vakantietoeslag, de vergoeding voor opgebouwde doch niet-genoten vakantie-uren en schadevergoeding. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op de wettelijke verhoging.

Dwangsom:

Vanwege het feit dat van [eiser] niet kan worden verlangd om extra kosten in het kader van de executie te maken in het geval de onderhavige vordering wordt toegewezen, vordert [eiser] dat aan Trust Security een dwangsom wordt opgelegd van €100,000 voor iedere dag dat Trust Security in gebreke blijft om aan haar verplichtingen uit het vonnis te voldoen.

Het verweer

Trust Security heeft de vordering gemotiveerd weersproken. Op het verweer zal, voor zover relevant, bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

Nu [eiser] bij buitengerechtelijke verklaring de vaststellingsovereenkomst heeft vernietigd, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of daarvoor voldoende wettelijke grondslag bestond.

[eiser] heeft zich beroepen op dwaling, hierin bestaande dat, indien hij geweten zou hebben dat de financiële situatie niet zo slecht was als tijdens de onderhandelingen door Trust Security was geschetst, hij nimmer akkoord zou zijn gegaan met de uiteindelijk tot stand gekomen vaststellingsovereenkomst.

Het betreft hier een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 e.v. BW. Dat betekent dat niet te snel kan worden aangenomen dat sprake is van dwaling. Immers, de vaststellingsovereenkomst is nu juist bedoeld een einde te maken aan een onzekere rechtstoestand. Daarom moet een beroep op dwaling bij een vaststellingsovereenkomst aan zwaardere eisen voldoen dan bij andere overeenkomsten.

De kern van het betoog van [eiser] komt erop neer dat hij en/of zijn advocaat tijdens de onderhandelingen onjuiste informatie heeft en/of hebben verkregen over de financiële situatie van Trust Security.

Op grond van de inhoud van de brief van 30 januari 2006 van de toenmalige gemachtigde van Trust Security staat vast dat tijdens die onderhandelingen inderdaad de financiële positie van Trust Security is besproken en dat [eiser], daarvan uitgaande, uiteindelijk heeft ingestemd met een lagere vergoeding dan waar hij anders recht op zou hebben. Bovendien staat op grond van de inhoud van die brief vast dat aan [eiser] toen ook is meegedeeld dat wanneer hij niet akkoord zou gaan met een lager bedrag er een zeker risico werd gelopen dat er helemaal geen geld zou worden betaald in verband met een eventueel faillissement.

De vraag moet dus worden beantwoord of die mededelingen aan [eiser] juist waren.

Uit de thans overgelegde jaarrekening over 2004, zoals deze bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd, blijkt dat per 31 december 2004 sprake was van een eigen vermogen van €447.344,00 en een winst over 2004 van €169.849,00. Of die jaarrekening op 9 maart 2005 voor [eiser] reeds beschikbaar was, is niet relevant. Er moet immers van worden uitgegaan dat op die datum in ieder geval bij Trust Security bekend moest zijn geweest hoe zij er financieel voor stond. Indien zij nog niet de beschikking had over definitieve cijfers over het hele jaar, dan moeten toch in ieder geval gegevens over de eerste drie kwartalen bij haar bekend zijn geweest.

Bij haar conclusie van dupliek heeft Trust Security nog financiële stukken in het geding gebracht.

Uit die stukken blijkt weliswaar dat in de onderhavige periode sprake is geweest van een omzetdaling maar niet dat op 9 maart 2005 gevreesd moest worden voor een faillissement. Het verliescijfer dat in die stukken wordt genoemd voor 2005, te weten €11.435,19, is, gelet op de eerder genoemde balanspositie van Trust Security, bepaald niet dermate verontrustend te noemen dat in maart 2005 een faillissement moest worden verwacht.

Daar komt bij dat uit die laatste producties van Trust Security ook blijkt dat de omzet zich vanaf periode zeven van 2005 zich weer enigszins heeft hersteld. Weliswaar was dat nog niet bekend op 9 maart 2005, maar onvoldoende gebleken is dat op die datum met een structureel dalende omzet en een mogelijk faillissement rekening moest worden gehouden.

Gelet op dit oordeel van de kantonrechter met betrekking tot die producties bestaat geen noodzaak om [eiser] nog te laten reageren op de producties die door Trust Securities bij dupliek zijn overgelegd.

Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat Trust Security [eiser] tijdens de onderhandelingen rond de ontbinding van arbeidsovereenkomst op het verkeerde been heeft gezet.

Het is vanzelfsprekend dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst niet zou hebben gesloten als hij hiervan op de hoogte zou zijn geweest, nu hij bij die overeenkomst afstand van loonbetaling en vakantierechten heeft gedaan en genoegen heeft genomen met een lager bedrag dan hem toekwam.

Nu partijen beiden die vrees van een faillissement -die achteraf niet reëel blijkt te zijn geweest- aan hun vaststellingsovereenkomst ten grondslag hebben gelegd, is vernietiging daarvan mogelijk.

De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] op goede gronden de vaststellingsovereenkomst heeft vernietigd op grond van het bepaalde bij artikel 6:228 lid 1 aanhef en onder a. BW.

Dat betekent evenwel niet dat de einddatum van de arbeidsovereenkomst nu niet meer 15 maart 2005 zou zijn. De overeenkomst is namelijk door de kantonrechter ontbonden, zodat, nu [eiser] geen herroeping van die beschikking heeft bewerkstelligd, die beslissing onverkort geldt.

Op grond van het bepaalde bij artikel 3:41 BW kan daarom slechts sprake zijn (geweest) van partiële vernietiging in dier voege dat overeind blijft dat de arbeidsovereenkomst per 15 maart 2005 is geëindigd en dat voor het overige de vaststellingsovereenkomst is vernietigd.

Op grond van het bepaalde bij artikel 3:53 BW is de kantonrechter van oordeel dat [eiser] in de situatie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als hij niet zou hebben ingestemd meet de vaststellingsovereenkomst.

Uit het procesverbaal van de zitting van 9 maart 2005 blijkt dat gedacht werd aan een neutrale vergoeding bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Dit komt neer op het door [eiser] genoemde bedrag van €7.156,54. Daarbij wordt, zoals het vaste beleid is bij ontbindingsvergoedingen geen rekening gehouden met de fictieve opzegtermijn, omdat deze voor rekening van [eiser] behoort te blijven.

Zonder de vaststellingsovereenkomst zou [eiser] voorts recht hebben gehad op betaling van zijn salaris over de periode van 27 december 2004 tot en met 14 maart 2005, vakantiegeld en vergoeding in geld van de niet-opgenomen vakantiedagen.

Met betrekking tot de loonvordering van €6.320,61 heeft Trust Security aangevoerd dat tussen partijen is overeengekomen dat €7.000,00 van de vergoeding van €8.000,00 op resterend salaris zag. Nu de vaststellingsovereenkomst (partieel) is vernietigd moet dat standpunt van Trust Security worden verworpen. Zij heeft voorts de hoogte van het door Trust Security niet gemotiveerd weersproken.

Daarnaast heeft Trust Security evenmin het gevorderde vakantiegeld weersproken.

Eén en ander leidt de kantonrechter tot de conclusie dat wegens loon en vakantiegeld aan [eiser] moet worden toegewezen: €6.320,61 + €1.799,84 = €8.120,45 bruto.

[eiser] heeft gesteld dat hij in totaal nog recht heeft op 498 uren vakantieverlof tegen een uurtarief van €12,74, in totaal derhalve €6.344,52.

Zoals Trust Security terecht heeft aangevoerd komen 498 uren op basis van 8 uren per dag neer op een totaal van niet-opgenomen vakantiedagen van 62,25 dagen. Tussen partijen staat vast dat [eiser] per jaar recht had op 25 vakantiedagen. De stelling van [eiser] komt er dus op neer dat hij in de drie jaren dat hij voor Trust Security werkzaam is geweest slechts

(75 – 62,25 dagen =) 12,75 vakantiedag zou hebben genoten. Dat komt de kantonrechter niet geloofwaardig voor. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen om zijn stelling nader te onderbouwen. Weliswaar draagt Trust Security als werkgever de plicht het vakantieverlof te registreren, maar dat ontslaat [eiser] niet van diens eigen plicht zijn vordering deugdelijk te onderbouwen. Nu [eiser] dit niet voldoende gemotiveerd heeft gedaan, zal dit deel van vordering worden afgewezen.

Het bovenstaande samenvattend is de kantonrechter van oordeel dat van de vordering in ieder geval toewijsbaar is:

€7.156,54 + €8.120,45 = €15.276,99 bruto, waarop in mindering strekt al wat Trust Security op basis van de vaststellingsovereenkomst reeds aan [eiser] heeft betaald.

Gelet op de onderhavige omstandigheden bestaat geen aanleiding om de wettelijke verhoging toe te wijzen. Deze zal dus worden afgewezen.

Voorts heeft [eiser] nog vergoeding gevorderd van de door hem gemaakte kosten voor juridische bijstand tot een (met facturen onderbouwd) totaalbedrag van €13.706,18.

De kantonrechter is van oordeel dat voor toewijzing slechts die kosten in aanmerking kunnen komen die gemaakt zijn ten behoeve van het vernietigen van de vaststellingsovereenkomst. De overige kosten moeten geacht worden betrekking te hebben gehad op de werkzaamheden ten behoeve van de behandeling van het ontbindingsverzoek, waarvoor naar vast beleid geen vergoeding wordt toegekend.

Nu onjuiste voorlichting door Trust Security ertoe heeft geleid dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst heeft vernietigd, is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende causaal verband aanwezig tussen die onjuiste voorlichting door Trust Security en de gemaakte kosten.

Voorts zijn niet toewijsbaar de facturen die blijkens hun datering geacht moeten worden betrekking te hebben op werkzaamheden ten behoeve van de onderhavige procedure en dus geacht worden te zijn begrepen onder de proceskostenveroordeling. Dat, zoals hieronder zal blijken, de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd doet daar niet aan af.

Het vorenstaande brengt met zich dat van de door [eiser] overgelegde facturen slechts toewijsbaar zijn:

factuur 30 november 2005 €3.399,11

factuur 30 december 2005 ? 283,82

factuur 31 januari 2006 €1.265,81

factuur 24 februari 2006 €2.696,24

factuur 28 februari 2006 € 240,35

in totaal derhalve €7.885,33

Gelet op de omvang deze kosten en het feit dat moet worden aangenomen dat die kosten ook betrekking hebben gehad op de buitengerechtelijke werkzaamheden van de gemachtigde van [eiser], bestaat geen aanleiding om daarnaast enig bedrag wegens buitengerechtelijke incassokosten toe te wijzen.

Voor oplegging van een dwangsom bestaat op grond van het bepaalde bij artikel 611a lid 1 laatste volzin Rv geen wettelijke grondslag.

Partijen worden over en weer in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de proceskoten tussen hen worden gecompenseerd.

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Trust Security om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan [eiser] te betalen €15.276,99 bruto, wegens loon en vakantietoeslag, te ver¬meerderen met de wette¬lijke rente berekend vanaf de datum der verschuldigdheid tot aan de dag der alge¬hele voldoening.

Veroordeelt Trust Security om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan [eiser] te betalen €€7.885,33 wegens gemaakte kosten van juridische bijstand te ver¬meerderen met de wette¬lijke rente berekend vanaf 18 april 2007 tot aan de dag der alge¬hele voldoening.

Bepaalt dat al wat Trust Security reeds aan [eiser] heeft betaald op basis van de vernietigde vaststellingsovereenkomst in mindering dient te strekken op de bovengenoemde door Trust Security te betalen bedragen.

Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.