Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC1280

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
07-01-2008
Zaaknummer
354006 CV EXPL 07-6853
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Gedaagde heeft een baksteen door het keukenraam van eiseres gegooid. Eiseres vordert materiële en immateriële schadevergoeding. Boosheid omtrent het gedrag van de echtgenoot van eiseres vormt geen rechtvaardigingsgrond ex artikel 6:162 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 354006/ CV EXPL 07-6853

datum uitspraak: 19 december 2007 (bij vervroeging)

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiseres]

te [woonplaats]

eisende partij

hierna te noemen [eiseres]

gemachtigde mr. S.A.E. Voges

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [gedaagde]

gemachtigde mr. E. Sweerts

De procedure

[eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard op 19 juli 2007. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiseres] schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna [gedaagde] nog een schriftelijke reactie heeft gegeven.

De feiten

1. [eiseres] woont met haar echtgenoot in een flat op de eerste etage aan de [adres] te [woonplaats]. Achter de flat loopt een weg waarbij een bord is geplaatst met de tekst “verboden toegang voor onbevoegden, art. 461 SR”.

2. Op 13 oktober 2005 heeft de minderjarige zoon van [gedaagde] over deze weg dan wel door het naast deze weg gelegen plantsoen gefietst.

3. Op 13 oktober 2005 heeft [gedaagde] een baksteen door de ruit van de keuken van de woning van [eiseres] gegooid. De baksteen heeft schade veroorzaakt aan de dubbele beglazing van de keuken, de plavuizenvloer in de keuken, de keukeninrichting en het binnenschilderwerk van de woning van [eiseres].

4. Op 13 oktober 2005 heeft de politie [bewoner A] (hierna: [bewoner A]) en [bewoner B] (hierna: [bewoner B]), beiden bewoners van de flat aan de [adres], gehoord.

5. [bewoner A] heeft daarbij onder meer het volgende tegenover de politie verklaard:

“[…] omstreeks 16.00 uur hoorde ik hard geschreeuw aan de achterzijde van onze flat. Ik zag dat een jongetje met lang blond haar huilend weg reed […] Ik zag dat het jongetje op een gegeven moment met zijn fietsje ten val kwam. Ik hoorde dat het jongetje hierdoor nog harder ging huilen.”

6. [bewoner B] heeft onder meer het volgende verklaard:

“Op een gegeven moment hoorde ik een hoop geschreeuw. Ik liep het balkon op […] Aldaar zag ik een man op de begane grond staan welke stond te schreeuwen tegen een man welke op de eerste verdieping stond van zijn balkon. […] Ik zag dat de man wegreed in een personenauto […] Enkele minuten later zag ik dat de man weer kwam aanlopen […] Ik zag dat hij een grote klinker naar het keukenraam gooide. […] Verder heb ik geen bijzonderheden te verklaren.”

7. Op 14 oktober 2005 heeft [gedaagde] bij de politie aangifte gedaan van mishandeling van zijn minderjarige zoon [XXX]. [gedaagde] heeft daarbij onder meer het volgende verklaard:

“Op donderdag, 13 oktober 2005 omstreeks 16.00 uur […] kwam mijn zoontje huilend en overstuur thuis. Ik zag dat hij helemaal van streek was. […] Hij vertelde mij dat hij door een man was geslagen achter de flat aan de [adres]. Hij was door een man aangesproken omdat hij in het plantsoen aldaar aan het fietsen was. […] Als gevolg van de klap heeft mijn zoon een scheurtje in zijn lip opgelopen en enkele krassen in zijn nek.”

8. Op 5 januari 2006 is [gedaagde] door de politie gehoord. Het proces-verbaal van verhoor houdt als verklaring van [gedaagde] onder meer het volgende in:

“Op donderdag 13 oktober 2005 omstreeks 16.30 uur […] kwam mijn zoontje (9 jaar oud) genaamd [XXX] thuis. Ik zag dat mijn zoon helemaal overstuur was. Ik zag dat er bloed aan zijn mond en aan zijn t shirt zat. Mijn zoontje vertelde dat hij zojuist door een man van zijn fiets getrokken was en hierna hardhandig tegen de grond gewerkt was. […] Hierop ben ik direct tezamen met mijn zoon naar de man toegegaan. […] Deze man stond op het balkon van zijn woning op de eerste verdieping. Ik zag ook dat er een vrouw op het balkon stond. […] Ik wilde aan de man vragen of hij de dader was. […] Toen de man ontkende werd ik boos. […] Ik hoorde dat de man zei dat ik mijn zoontje beter moest opvoeden. Door deze woorden ben ik zo boos geworden waarop ik een baksteen uit de bosjes pakte. […] Voordat ik de steen gooide zag ik dat de man nog steeds op het balkon stond. Ik zag dat de vrouw naar binnen ging […] Mijn doel op dat moment was dat ik het raam zou vernielen. […] Ik kan u verklaren dat ik de steen niet had gegooid als ik de vrouw nog in de keuken had zien staan.”

9. Op 15 maart 2006 heeft Toplis Hettema B.V. een begroting opgesteld van de schade ontstaan in de woning van [eiseres] door het gooien van de baksteen door [gedaagde]. De kosten van herstel van de plavuizenvloer, welke volgens het schaderapport “zonder afscheiding doorloopt in de hal/entree” is begroot op € 3.183,25.

10. De inboedelverzekeraar van [gedaagde] heeft aangegeven de schade aan de dubbele beglazing, de keukeninrichting en het binnenschilderwerk geheel te vergoeden en een bedrag van € 500,00 beschikbaar te stellen voor het herstel van de plavuizenvloer.

11. Bij vonnis van 17 juli 2006 van de politierechter is [gedaagde] in verband met het op 13 oktober 2005 opzettelijk en wederrechtelijk vernielen van enig aan een ander toebehorend goed, veroordeeld tot een geldboete van € 300,00 subsidiair 6 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. [eiseres] is in de door haar als benadeelde partij in de strafzaak ingestelde vordering niet-ontvankelijk verklaard.

12. Bij brief van 13 november 2006 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] verzocht de door [eiseres] geleden schade, voorlopig vastgesteld op een bedrag van € 3.775,00, te vergoeden.

13. [gedaagde] is niet tot betaling van enig bedrag aan [eiseres] overgegaan.

De vordering

[eiseres] vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.380,25 ter zake van materiële en immateriële schadevergoeding en € 524,79 ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

[eiseres] stelt daartoe het volgende.

[gedaagde] heeft op 13 oktober 2005 onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. [gedaagde] is ingevolge artikel 6:162 BW aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor heeft geleden. Die schade is zowel materieel als immaterieel van aard.

De materiële schade betreft de plavuizenvloer in de woning van [eiseres]. Door de baksteen zijn ten minste zes plavuizen beschadigd. Omdat [eiseres] nog slechts over twee reserve plavuizen beschikt en de vloeren van de keuken, de hal, het toilet en de badkamer in elkaar overlopen en met dezelfde plavuizen zijn betegeld, is de daadwerkelijke schade hoger dan het door de verzekeraar toegekende bedrag van € 500,00. [gedaagde] dient het resterende bedrag, te weten (€ 3.183,25 - € 500,00 =) € 2.683,25, aan [eiseres] te vergoeden.

Zowel [eiseres] als haar echtgenoot hebben na het voorval op 13 oktober 2005 in verband met de bedreiging door [gedaagde] gedurende lange tijd hun hond niet ’s avonds durven uitlaten. Zij hebben dit laten doen door een kennis, aan wie zij als dank een etentje hebben aangeboden. De kosten daarvan, € 122,00, dient [gedaagde] te vergoeden.

[eiseres] heeft een beroep moeten doen op haar rechtsbijstandverzekering. Het eigen risico van € 75,00 dient voor rekening van [gedaagde] te komen.

[eiseres] bevond zich op het balkon van haar woning toen [gedaagde] de baksteen gooide. [gedaagde] heeft de baksteen opzettelijk in de richting van [eiseres] gegooid. Door tijdig te bukken heeft [eiseres] de baksteen kunnen ontwijken. Het idee dat [gedaagde] [eiseres] en haar echtgenoot iets heeft willen aandoen en het besef aan de dood te zijn ontsnapt, heeft bij [eiseres] depressieve gevoelens teweeg gebracht. [eiseres] heeft diverse malen contact gehad met de huisarts en slachtofferhulp. [eiseres] heeft gedurende vier weken antidepressiva ingenomen. [gedaagde] dient [eiseres] ter zake van smartengeld een bedrag van € 1.500,00 te vergoeden.

[eiseres] heeft kosten gemaakt ter vaststelling van de schade en ter incassering van de vordering buiten rechte. De gemachtigde van [eiseres] heeft aan de zaak 3 uur à € 140,00 per uur, vermeerderd met 5% kantoorkosten en 19% btw, besteed. Deze kosten komen voor rekening van [gedaagde].

Voorts vordert [eiseres] de wettelijke rente over het gevorderde bedrag ter zake van (im)materiële schadevergoeding, vanaf 13 oktober 2005.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert daartoe het volgende aan.

Bij [gedaagde] zijn ten gevolge van de mishandeling van zijn zoon door de echtgenoot van [eiseres] hevige emoties ontstaan. Deze emoties werden versterkt toen de echtgenoot van [eiseres] de mishandeling ontkende en [gedaagde] te verstaan gaf dat hij zijn zoon beter moest opvoeden. Het gedrag van de echtgenoot van [eiseres] leverde aldus een rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW op voor het gooien van de steen door [gedaagde]. Omdat de rechtvaardigingsgrond het onrechtmatig karakter aan de handeling van [gedaagde] ontneemt, is [gedaagde] niet aansprakelijk voor de schade die is ontstaan door het gooien van de baksteen.

Voorts ontbreekt het ingevolge artikel 6:98 BW noodzakelijke causale verband tussen het gooien van de baksteen en de door [eiseres] gestelde schade.

Van de plavuizenvloer is slechts een klein gedeelte beschadigd, terwijl uit het schaderapport niet de noodzaak van de vervanging van de gehele vloer blijkt.

Hetzelfde geldt met betrekking tot de kosten van het etentje, nu de bij [eiseres] (en haar echtgenoot) levende angst om ’s avonds de hond uit te laten niet als geobjectiveerde bron voor schadevergoeding kan worden beschouwd. Daarbij komt dat de ter zake gevorderde kosten hoger zijn dan het bedrag van € 75,00 dat [eiseres] in een eerder stadium wenste te ontvangen.

Evenmin is aangetoond dat de depressieve gevoelens waaronder [eiseres] stelt te hebben geleden, veroorzaakt zijn door het incident op 13 oktober 2005. [eiseres] bevond zich immers ten tijde van het gooien van de baksteen niet op het balkon. Van immateriële schade die in zodanig verband staan met die gebeurtenis, dat deze aan [gedaagde] kan worden toegerekend, is dan ook geen sprake.

[gedaagde] heeft niet het oogmerk had om [eiseres] nadeel toe te brengen, maar slechts om het keukenraam te vernielen. Daarmee vervalt ook de aanspraak op immateriële schade-vergoeding ingevolge artikel 6:106 BW.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet redelijk en niet werkelijk door [eiseres] gemaakt. [eiseres] heeft slechts kosten gemaakt ter hoogte van het door haar verschuldigde eigen risico van € 75,00. Het hierop betrekking hebbende gedeelte van de vordering dient derhalve te worden afgewezen dan wel gematigd.

De beoordeling van het geschil

Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, is er geen aanleiding om [eiseres] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de door [gedaagde] bij conclusie van dupliek overgelegde producties, nu dit niet tot een andere uitkomst kan leiden.

Aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond?

Nog daargelaten de vraag of de echtgenoot van [eiseres] het zoontje van [gedaagde] heeft geslagen dan wel van de fiets heeft getrokken en tegen de grond gewerkt – [eiseres] heeft dit gemotiveerd betwist en blijkens de stukken is de Officier van Justitie niet tot vervolging van de echtgenoot van [eiseres] overgegaan - dit kan op zichzelf noch in combinatie met de volgens [gedaagde] door de echtgenoot van [eiseres] gemaakte opmerking met betrekking tot de opvoeding van het zoontje van [gedaagde], een rechtvaardigingsgrond vormen voor het gooien door [gedaagde] van een baksteen door het keukenraam van de woning van [eiseres]. Er is immers niet gebleken van zodanige omstandigheden dat de gedraging van [gedaagde] (het werpen van de baksteen door het keukenraam van [eiseres]), op zichzelf in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, desniettemin als aanvaardbaar zou kunnen worden beschouwd dan wel door [eiseres] als normaal risico dient te worden aanvaard. De boosheid die [gedaagde], terecht of niet, heeft gevoeld over het gedrag van de echtgenoot van [eiseres] kan dan ook geen rechtvaardiging vormen voor de vorm van eigenrichting – [gedaagde] heeft tegenover de politie verklaard dat het zijn bedoeling was het raam te vernielen – die [gedaagde] jegens [eiseres] heeft toegepast. Het ter zake door [gedaagde] gevoerde verweer faalt derhalve.

De materiële schade

[eiseres] heeft naar aanleiding van hetgeen [gedaagde] met betrekking tot de reparatie-kosten van de plavuizenvloer heeft aangevoerd, bij conclusie van repliek haar stelling, dat en waarom zij genoodzaakt is de gehele vloer opnieuw te betegelen, herhaald en onderbouwd. Nu [gedaagde] bij conclusie van dupliek niet meer op de stellingen van [eiseres] is ingegaan, zal zijn verweer als onvoldoende gemotiveerd worden verworpen. Dit brengt mee dat het door [eiseres] ter zake van het herstel van de plavuizenvloer gevorderde en als zodanig niet door [gedaagde] betwiste bedrag, voor toewijzing gereed ligt.

Het gedeelte van de vordering met betrekking tot de kosten van het etentje zal worden afgewezen, nu naar het oordeel van de kantonrechter door [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een zodanige bedreiging door [gedaagde] dat [eiseres] en haar echtgenoot genoodzaakt zijn geweest om het uitlaten van hun hond gedurende enige tijd door een derde te laten doen.

De immateriële schade

[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat hij de baksteen heeft gegooid met het oogmerk [eiseres] iets aan te doen. Op [eiseres] rust de bewijslast van deze stelling. Door [eiseres] is in het geding gebracht een (ongedateerde) schriftelijke verklaring van een bewoonster van een van de flatwoningen aan de [adres]. Deze verklaring kan, wat er ook van zij – hij is klaarblijkelijk opgesteld ten behoeve van de onderhavige procedure en niet, zoals de verklaringen van [bewoner A] en [bewoner B], waarin niets over de aanwezigheid van [eiseres] op het balkon blijkt, afgelegd tegenover de politie op de dag van het incident – niet als bewijs dienen. Uit het enkele feit dat [eiseres] zich op het balkon bevond toen [gedaagde] de baksteen gooide, kan immers niet worden afgeleid dat [gedaagde] de baksteen heeft gegooid met het oogmerk [eiseres] nadeel toe te brengen. Nu gesteld noch gebleken is dat deze bewoonster kan verklaren omtrent de intentie die [gedaagde] met het gooien van de baksteen had, zal het aanbod van [eiseres] om de bewoonster als getuige voor te brengen worden gepasseerd.

Nu niet is gebleken van andere feiten en omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de baksteen heeft gegooid met het vooropgestelde doel [eiseres] daarmee nadeel toe te brengen, is geen sprake van immateriële schade in de zin van artikel 6: 106 lid 1 sub a BW.

Voor zover [eiseres] met haar stelling dat zij depressieve klachten heeft ontwikkeld naar aanleiding van de gebeurtenis, haar vordering tevens op lid 1 sub b van artikel 6:106 BW baseert, wordt nog het volgende overwogen. Voor aantasting in de persoon is niet voldoende dat sprake is van meer of minder psychisch onbehagen. De door [eiseres] overgelegde verklaring van J. Oskam, huisarts, dat [eiseres] in oktober 2005 een “periode met klachten van depressieve aard” heeft gekampt, is te summier om uit af te leiden dat [eiseres] ten gevolge van de gebeurtenis op 13 oktober 2005 zodanig psychisch letsel heeft opgelopen, dat zij aanspraak kan maken op een immateriële schadevergoeding.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hierop betrekking hebbende gedeelte van de vordering zal worden afgewezen.

De buitengerechtelijke kosten

Het had, gelet op het door [gedaagde] gevoerde verweer, op de weg van [eiseres] gelegen om haar vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten nader te onderbouwen. Dit klemt te meer nu gesteld noch gebleken is dat en waarom de aan [eiseres] verleende juridische bijstand niet valt onder de dekking van haar rechtsbijstandverzekering. Nu [eiseres] een dergelijke onderbouwing achterwege heeft gelaten, zal het gedeelte van de vordering inzake buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot het door [gedaagde] erkende bedrag van € 75,00 ter zake van het eigen risico en voor het overige als ongegrond worden afgewezen.

De proceskosten zullen worden gecompenseerd, nu partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 2.758,25 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.683,25 vanaf 13 oktober 2005 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.