Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC1090

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
03-01-2008
Zaaknummer
141045 / HA RK 07-122
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van de wrakingskamer. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit de gevolgtrekking zou moeten worden gemaakt dat behandeling van het wrakingsverzoek door de rechters wier wraking is verzocht niet kan plaatsvinden zonder dat daarbij sprake zou zijn van inbreuk op de rechterlijke onpartijdigheid of van de aanwezigheid van schijn van rechterlijke partijdigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 141045 / HA RK 07-122

datum beslissing: 19 december 2007

Op het verzoek van:

Willem GABEL,

wonende te Haarlem,

verzoeker,

advocaat mr. B. Beg te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1. Bij brief van 21 november 2007 heeft verzoeker de wraking verzocht van mrs. E.A. Coyajee-Kappers, J.T.M. Nijenhof en A.C. Terwiel-Kuneman, hierna tezamen ook te noemen: de wrakingskamer, in de bij deze rechtbank aanhangige zaak met kenmerk 140209 / HA RK 07-591.

1.2. De wrakingskamer heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3. Verzoeker, de wrakingskamer en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 6 december 2007. Ter terechtzitting zijn verschenen mr. Beg voornoemd namens verzoeker, alsmede de officier van justitie

mr. E. Visser. De wrakingskamer heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt.

2. Het standpunt van verzoeker

2.1. Verzoeker legt aan zijn verzoek tot wraking het volgende ten grondslag.

2.1.1. Voor de zitting van de wrakingskamer op 21 november 2007 heeft het gerechtsbestuur mr. Beg bij monde van de president, mr. F.C. Bakker, laten weten dat het zich zal beraden over eventuele tegen mr. Beg te ondernemen stappen. In verband daarmee heeft mr. Beg de wrakingskamer ter zitting van 21 november 2007 verzocht de behandeling van de zaak aan te houden totdat het gerechtsbestuur daaromtrent duidelijkheid zal hebben verschaft. De wrakingskamer is daaraan voorbijgegaan.

2.1.2. De griffie van de wrakingskamer heeft mr. Honig, de politierechter die belast is met de strafzaak tegen verzoeker, verzocht in persoon te verschijnen ter zitting van 21 november 2007. Mr. Honig is echter wegens ziekte niet verschenen. Ter zitting heeft mr. Beg de wrakingskamer gevraagd de behandeling van de zaak aan te houden om mr. Honig te horen. De wrakingskamer heeft dat verzoek afgewezen.

2.1.3. Van het verhandelde ter terechtzitting van de politierechter van 31oktober 2007 heeft mr. Beg een proces-verbaal opgemaakt. Dat proces-verbaal stemt niet overeen met het proces-verbaal van de zitting dat door mr. Honig is vastgesteld en ondertekend. De officier van justitie heeft van het verhandelde ter zitting van 31 oktober 2007 op ambtseed een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de officier van justitie aangeboden een afschrift van dat proces-verbaal over te leggen. De wrakingskamer heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de wrakingskamer, aldus verzoeker, in haar beslissing opgenomen dat de kamer bij de beoordeling van het verzoek tot wraking zal uitgaan van (de juistheid van) het proces- verbaal van mr. Honig.

2.2. Verzoeker stelt dat voormelde gang van zaken tijdens de terechtzitting van de wrakingskamer op 21 november 2007 bij hem de schijn heeft gewekt dat de wrakingskamer niet onpartijdig is.

3. Beoordeling

3.1. Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een betrokkene bij een geding een vooringenomenheid koestert, hierna ook te noemen de subjectieve toets.

3.2. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, bij een betrokkene vrees voor partijdigheid van die rechter bestaat die objectief gerechtvaardigd is, hierna ook te noemen de objectieve toets. Daarbij moet rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.3. Gesteld noch gebleken is dat de rechters van de wrakingskamer jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

Wat de objectieve toets betreft overweegt de rechtbank als volgt.

3.4. De eerste wrakingsgrond betreft de afwijzing door de wrakingskamer van het verzoek de behandeling aan te houden in afwachting van de beslissing van het gerechtsbestuur omtrent eventueel jegens mr. Beg te ondernemen actie. Verzoeker heeft ter toelichting gesteld dat een criminal charge of een tucht- c.q. klachtrechtelijke klacht van een rechter tegen een raadsman met zich brengt dat de raadman tegenover die rechter zijn cliënt niet adequaat kan verdedigen en dat, indien het gerechtsbestuur tot het instellen van een dergelijke actie zou besluiten, de hele rechtbank niet onpartijdig tegenover die raadsman zou staan. Verzoeker stelt dat de wrakingskamer, door voorbij te gaan aan het verzoek om aanhouding, heeft geweigerd deze wrakingsgrond inhoudelijk in behandeling te nemen.

3.5. In dit betoog kan verzoeker niet worden gevolgd. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer heeft de voorzitter medegedeeld, dat het standpunt van de wrakingskamer ten aanzien van de gevolgen van de eventueel door het gerechtsbestuur te ondernemen stappen ten aanzien van de raadsman, kenbaar zal worden gemaakt in de uiteindelijke beslissing op het wrakingsverzoek. Tegen die achtergrond kan niet worden

volgehouden dat de wrakingskamer heeft geweigerd een door verzoeker aangevoerde grond in behandeling te nemen. De wrakingskamer heeft immers aangekondigd haar standpunt daarover in haar beslissing kenbaar te zullen maken. Met de onderhavige wrakingsgrond loopt verzoeker op die beslissing vooruit. De handelwijze van de wrakingskamer levert echter geen aanwijzing op van partijdigheid.

3.6. De onder 2.1.2 vermelde wrakingsgrond betreft de afwijzing van het verzoek om aanhouding van de behandeling in verband met het feit dat mr. Honig niet ter zitting was verschenen. Uit het proces-verbaal van de zitting van 21 november 2007 blijkt dat de wrakingskamer aanvankelijk mr. Honig heeft willen horen, omdat de gronden van de wraking van mr. Honig niet vermeld staan in het proces-verbaal van de zitting van 31 oktober 2007. Voorts vermeldt het proces-verbaal van 21 november 2007 dat de wrakingskamer met de wrakingsgronden bekend is geworden door de brief van mr. Beg van 31 oktober 2007. De wrakingskamer is vervolgens uitgegaan van de wrakingsgronden als door mr. Beg in die brief en ter zitting geformuleerd en heeft de verschijning van mr. Honig, die op 21 november 2007 ziek was, niet meer noodzakelijk geacht. Niet valt in te zien dat hierbij de rechterlijke onpartijdigheid in het geding zou zijn.

3.7. In de laatste wrakingsgrond stelt verzoeker dat de wrakingskamer in haar beslissing heeft opgenomen uit te gaan van (de juistheid van) het proces-verbaal van mr. Honig. Aldus heeft de wrakingskamer volgens verzoeker een beslissing genomen die de politierechter in bescherming neemt en die de raadsman (al dan niet impliciet) van leugens c.q. meineed beticht.

Uit het proces-verbaal van de zitting van de wrakingskamer kan echter niet blijken dat de wrakingskamer het standpunt heeft ingenomen dat het proces-verbaal van mr. Honig juist is en dat van mr. Beg onjuist. De wrakingskamer heeft immers geen enkele beslissing genomen ten aanzien van de juistheid van welk proces-verbaal dan ook. De inhoud van het proces-verbaal van de officier van justitie is niet bekend, aangezien de wrakingskamer de overlegging daarvan niet noodzakelijk heeft geacht voor de beoordeling van het wrakingsverzoek. Ook op dit punt valt niet in te zien in welk opzicht van een gebrek aan onpartijdigheid sprake zou zijn.

3.8. Al het voorgaande voert tot de slotsom dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit de gevolgtrekking zou moeten worden gemaakt dat behandeling van het wrakingsverzoek door de rechters wier wraking is verzocht niet kan plaatsvinden zonder dat daarbij sprake zou zijn van inbreuk op de rechterlijke onpartijdigheid of van de aanwezigheid van schijn van rechterlijke partijdigheid. Het verzoek tot wraking van de wrakingskamer zal daarom worden afgewezen.

4. Beslissing

De rechtbank:

4.1. wijst het verzoek tot wraking van de rechters van de (gewraakte) wrakingskamer af,

4.2. beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de (gewraakte) wrakingkamer en de officier van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3. bepaalt dat de hoofdzaak onder zaaknummer 140209 / HA RK 07-591 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. van der Meer, voorzitter, en mrs. A.E. Patijn en

B. Vogel, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007 in tegenwoordigheid van drs. E.A. Verloop als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.