Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0807

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
06/1221
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Werkzaamheden waarvoor vergoeding wordt betaald uit persoonsgebonden budget aan een verzorger binnen het gezin zijn een bron van inkomen. Dit geldt eveneens onder de "PGB nieuwe stijl".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/1221

Uitspraakdatum: 21 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan eiseres is voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV, [aanslagnummer]), gedagtekend 15 februari 2005, opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.875.

1.2 Eiseres heeft bij brief van 11 maart 2005 bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde aanslag. Verweerder heeft bij uitspraak van 15 decemcber 2005 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3 Eiseres heeft daartegen bij brief van 6 januari 2006, ontvangen bij de rechtbank op 9 januari 2006, beroep ingesteld.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5 Bij brief van 22 oktober 2007 heeft de rechtbank partijen doen toekomen het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2007, nr. 42.044, en daarbij partijen in de gelegenheid gesteld op dit arrest te reageren. Geen van beide partijen heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2007 te Haarlem. Eiseres is daar in persoon verschenen, tot bijstand vergezeld van mr. A en B. Namens verweerder is verschenen C. De zaak is gezamenlijk behandeld met de identieke zaak van eiseres over het jaar 2004, met registratienummer 06/1222, waarin door de rechtbank heden ook uitspraak is gedaan.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1 Eiseres is in gemeenschap van goederen gehuwd met D en heeft een lichamelijk en geestelijk gehandicapte zoon, E, geboren op [geboortedatum].

2.2 Over 2003 is aan de zoon van eiseres een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.5.6.1 onder f van de Regeling subsidies AWBZ en Ziekenfonds (tekst 2003; hierna de Regeling) toegekend van € 13.570. Een bedrag van € 12.506 van het toegekende budget heeft betrekking op persoonlijke verzorging. De rest (€ 1.064) ziet op activerende begeleiding.

2.3 Het persoonsgebonden budget is afgegeven voor de bovengebruikelijke zorg voor de zoon. Het betreft de persoonlijke verzorging, medische verzorging en ondersteunende begeleiding die een gezond persoon van dezelfde leeftijd niet nodig heeft.

2.4 Voormelde persoonlijke verzorging van de zoon is verricht door eiseres. Zij heeft daartoe met haar zoon, in dezen vertegenwoordigd door zijn vader/de echtgenoot van eiseres, een zorgovereenkomst gesloten. Daarbij is een vergoeding van € 2000 (variabel) per maand afgesproken.

2.5 Blijkens de toekenningsbeschikking is het bedrag van het persoonsgebonden budget uitbetaald op de bank- of girorekening van de echtgenoot.

2.6 Eiseres heeft in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2003 de vergoeding van € 12.506 aangegeven als loon van “PGB Zorgkantoor”. Verweerder heeft conform deze aangifte vervolgens de onder 1.1 vermelde aanslag aan eiseres opgelegd.

3. Geschil

3.1 In geschil is de vraag of verweerder terecht de door eiseres ontvangen vergoeding uit het aan de zoon toegekende persoonsgebonden budget tot haar belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend.

3.2 Eiseres betwist dat deze vergoeding behoort tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Volgens eiseres kan bij deze zorgverlening niet worden gesproken van deelname aan het economische verkeer, maar is hier sprake van normale ouderlijke zorg. Eiseres wijst erop dat zij voor de geboorte van haar gehandicapte zoon allang was gestopt met werken. Zij heeft geen betaalde functie opgegeven, zoals wel het geval was bij de moeder in het onder 1.5 genoemde arrest van de Hoge Raad, in ruil voor een vergoeding voor het verzorgen van haar gehandicapte zoon, zodat het hier dus geen vervangend inkomen vormt. Voorts is volgens eiseres geen sprake van een arbeidsrelatie, omdat een gezagsverhouding met haar zoon ontbreekt. Een onbelaste vergoeding past volgens eiseres ook bij de bedoeling van de wetgever om de verantwoordelijkheid voor zorgtaken zoveel als mogelijk bij particulieren zelf te laten. Een belaste vergoeding zal volgens haar tot gevolg hebben dat het beroep op zorginstanties alleen maar zal toenemen.

3.3 Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en voorts tot handhaving van de aanslag.

4. Beoordeling van het geschil

4.1 Wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar betreffende de aanslag concludeert verweerder tot gegrondverklaring van het beroep. Nu daarbij blijkens de door verweerder gedane uitspraak op bezwaar is uitgegaan van ontvangst van het bezwaarschrift op 1 november 2005 en tussen partijen vaststaat dat het bezwaarschrift op 11 maart 2005 door verweerder is ontvangen, ziet de rechtbank geen reden partijen hierin niet te volgen. Het beroep is in zoverre gegrond. De rechtbank ziet geen reden de zaak terug te wijzen naar de inspecteur en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.

4.2 Een ingevolge de Regeling toegekend persoonsgebonden budget strekt tot inkoop van zorg. Indien dergelijke zorg – zoals in het onderhavige geval – buiten dienstbetrekking en niet als ondernemer wordt verricht vormt de vergoeding daarvoor mogelijk resultaat uit overige werkzaamheden. Daartoe is vereist dat de werkzaamheden een bron van inkomen vormen, dat wil zeggen dat eiseres met de werkzaamheden deelnam aan het economische verkeer en daarmee voordeel beoogde en voordeel ook redelijkerwijs was te verwachten.

4.3 Niet in geschil is dat de onderhavige vergoedingen door eiseres is genoten. Zoals eiseres heeft aangegeven is het persoonsgebonden budget uitbetaald op de bank- of girorekening van haar echtgenoot en is het gestorte bedrag door haar als vergoeding voor de door haar aan haar zoon bestede zorg gebruikt.

4.4 Het betoog van eiseres strekt ertoe dat de werkzaamheden onder de wettelijke en morele normale zorgplicht van een ouder voor diens kind vallen en derhalve niet in het economisch verkeer zijn verricht. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

4.4.1 Ingevolge artikel 2.5.6.8, lid 1 onderdeel a, van de Regeling, wordt bij de verlening van het netto persoonsgebonden budget aan de verzekerde de verplichting opgelegd dat hij het budget uitsluitend gebruikt voor betaling van zorg als bedoeld in artikel 2.5.6.1, onderdeel b of d, en de daarmee noodzakelijk verbonden kosten. In artikel 2.5.6.1, lid 1, onder b worden genoemd de huishoudelijke verzorging, persoonlijke verzorging, verpleging, ondersteunende begeleiding, activerende begeleiding en vervoer. Volgens dat artikelonderdeel hoeft de desbetreffende zorg niet door een instelling te worden verleend. In artikel 2.5.6.1, lid 1, onder d wordt onder kortdurend verblijf verstaan: tijdelijk verblijf gedurende gemiddeld niet meer dan twee etmalen per week.

In hetzelfde artikel wordt onder f. onder netto-persoonsgebonden budget verstaan: een subsidie waarmee de verzekerde aan hem te verlenen zorg als bedoeld onder b of d kan inkopen.

4.4.2 Uit de onder 4.4.1 genoemde bepalingen volgt dat het persoonsgebonden budget uitsluitend bestemd is om – binnen de grenzen en voorwaarden van de Regeling – zorg 'in te kopen'. Het door een verzekerde 'inkopen' van zorg door gecontracteerde hulpverleners die wordt gefinancierd vanuit een aan die verzekerde toegekend persoonsgebonden budget, geschiedt derhalve in het economische verkeer; dit geldt ongeacht of de gecontracteerde hulpverlener al dan niet tevens in familie- of gezinsverband staat tot de verzekerde. Een en ander brengt mee dat ook de werkzaamheden die door de aldus gecontracteerde hulpverlener worden verricht, steeds worden verricht in het economische verkeer (vgl. voor eerdere jaren, waarin de regeling van verstrekking van persoonsgebonden budgetten niet wezenlijk anders was: Hoge Raad 8 juni 2007, nr. 42.044, BNB 2007/246).

4.4.3 Nu in het onderhavige geval vaststaat dat het toegekende persoonsgebonden budget is aangewend om verzorging door eiseres in te kopen en niet in geschil is dat eiseres voor die werkzaamheden betaald is vanuit dat budget en dat eiseres derhalve ook het genot van dat budget heeft gehad, moet worden geoordeeld dat die werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres dat zij de door haar verrichte werkzaamheden ervaart als vallende binnen de normale zorgplicht van haar als ouder jegens haar zoon. Desalniettemin moet, gelet op het voorgaande, in objectieve zin worden geoordeeld dat de werkzaamheden in het economische verkeer zijn verricht.

4.5 Met de vaststelling dat hier sprake is van een vergoeding voor verrichte werkzaamheden, zoals ook blijkt uit de tussen eiseres en haar zoon gesloten zorgovereenkomst, dient ervan te worden uitgegaan dat het voordeel is beoogd en redelijkerwijs was te verwachten, zodat ook voor het overige aan de vereisten is voldaan om de werkzaamheden als een bron van inkomen aan te merken.

4.6 Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard en zal de aanslag worden gehandhaafd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt deze kosten op € 19,40 wegens reiskosten op basis van openbaar vervoer, tweede klas, gemaakt voor het bijwonen van de zitting op de rechtbank te Haarlem. De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken. De rechtbank merkt nog op dat mr. De Vink ter zitting heeft verklaard niet als professioneel gemachtigde voor eiseres op te treden, dat voor zijn optreden geen kosten in rekening worden gebracht en dat eiseres niet in aanmerking wenst te komen voor een proceskostenvergoeding dienaangaande.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op het bezwaarschrift;

- verklaart eiseres alsnog ontvankelijk in haar bezwaar;

- handhaaft de aanslag;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 37 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 19,40 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Financiën) als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. R.H.M. Bruin en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.