Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0728

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
07-2756
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu volledig is tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres, heeft zij geen belang meer bij de vraag of het besluit onrechtmatig was. Verweerder heeft het bezwaar inzoverre terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Verweerder kon hier echter niet mee volstaan en verweerder had een (afzonderlijke) beslissing dienen te nemen op het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar en de vraag of sprake was van een onrechtmatig besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 2756

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 december 2007

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres.

gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2006 heeft verweerder de uitkering van eiseres krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) met ingang van 1 november 2006 opgeschort.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 20 november 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 januari 2007 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de opschorting komt te vervallen.

Bij besluit van 5 maart 2007, verzonden op 6 maart 2007, heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 april 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 december 2007, alwaar eiseres noch verweerder zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Verweerder heeft bij beslissing van 13 november 2006 de bijstandsuitkering van eiseres opgeschort met ingang van 1 november 2006, omdat gebleken is dat eiseres inkomsten heeft ontvangen. Deze inkomsten had eiseres niet doorgegeven aan verweerder. Eiseres is vervolgens in de gelegenheid gesteld om vóór 24 november 2006 ontbrekende gegevens te overleggen. Op 20 november 2006 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de opschorting. Tevens heeft zij voor 24 november 2006 de gevraagde gegevens overgelegd. Vervolgens heeft verweerder bij beslissing van 16 januari 2007 de opschorting vervallen verklaard. Tevens heeft verweerder aan eiseres gevraagd, onder verwijzing naar artikel 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb), om aan te geven of zij zich kan vinden in het oordeel dat volledig is tegemoetgekomen aan haar bezwaar. Bij schrijven van 25 januari 2007 heeft eiseres verweerder verzocht wel te beslissen op haar bezwaarschrift. Bij besluit van 5 maart 2007 heeft verweerder vervolgens het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder is van oordeel dat met de nieuwe beslissing van 16 januari 2007 volledig tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van eiseres, zodat eiseres thans geen belang meer heeft bij een beslissing op haar bezwaarschrift. Het verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen, omdat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2.2 In beroep is namens eiseres - samengevat - het volgende naar voren gebracht. In het bezwaarschrift heeft eiseres tevens gevraagd om vergoeding van de proceskosten in bezwaar. Verweerder heeft verzuimd zich hierover uit te laten. Eiseres stelt dat zij in aanmerking komt voor een proceskostenvergoeding, omdat verweerder bij besluit van 13 november 2006 haar uitkering met terugwerkende kracht heeft opgeschort. Voor een dergelijke beslissing bestaat geen rechtsgrond. Er is in de ogen van eiseres sprake van een onrechtmatig besluit. Verweerder had in plaats van het nieuwe primaire besluit van 16 januari 2007, een beslissing op bezwaar dienen te nemen en het bezwaar gegrond moeten verklaren. Het belang van eiseres is gelegen in het oordeel over de proceskosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 De rechtbank ziet zich allereerst geplaatst voor de vraag of verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hiertoe wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) van 13 juni 2005 (LJN: AT7365), als volgt overwogen. Verweerder was op grond van het bepaalde in artikel 6:18, eerste lid, Awb bevoegd om, ondanks het aanhangige bezwaar tegen het besluit van 13 november 2006 een nieuw (gewijzigd) besluit te nemen. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verweerder met het besluit van 16 januari 2007 volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen zodat verweerder, gelet op artikel 6:19, eerste lid, Awb, het bezwaar terecht niet mede tegen dat besluit gericht heeft geacht. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij, ondanks de totstandkoming van het besluit van 16 januari 2007, belang heeft gehouden bij de vaststelling in bezwaar van de rechtmatigheid van het gewijzigde besluit van 13 november 2006. Uit artikel 6:19, derde lid, Awb vloeit, nog daargelaten de vraag of deze bepaling voor het bezwaar feitelijk wel betekenis heeft, niet voort dat aan een beslissing op een verzoek om vergoeding van de kosten van de behandeling van het bezwaar steeds vernietiging van het bestreden besluit vooraf dient te gaan. Het bestuursorgaan kan en dient bij de - gelet op de systematiek van artikel 7:15, derde lid, Awb: afzonderlijke - beslissing op een dergelijk verzoek te erkennen of te betwisten dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt onrechtmatig was. Uit het voorgaande volgt dat eiseres geen belang meer heeft bij het bezwaar tegen het besluit van 13 november 2006, zodat verweerder dit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.4 Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of verweerder op juiste gronden het verzoek om vergoeding van proceskosten in bezwaar heeft afgewezen. Verweerder heeft volstaan met de stelling dat dit verzoek dient te worden afgewezen, omdat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank volgt verweerder - wederom onder verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak van de Raad - niet in deze opvatting.

2.5 Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, Awb worden de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De Raad heeft in bovengenoemde uitspraak geoordeeld dat het naar aanleiding van een daartegen gemaakt bezwaar geheel of gedeeltelijk intrekken van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid, voor de toepassing van artikel 7:15, tweede lid, Awb op één lijn moet worden gesteld met het geheel of gedeeltelijk herroepen - met toepassing van artikel 7:11 Awb - van een primair besluit wegens gebleken onrechtmatigheid. De Raad heeft voor dit oordeel uitdrukkelijke steun gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 24 januari 2002 (Stb. 55) tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) en heeft in dit verband verwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag aan de Eerste Kamer (Kamerstukken I 2001/02, 27 024, nr. 17, p. 3).

2.6 De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in dit verband niet heeft uitgelaten over de (on)rechtmatigheid van het besluit van 13 november 2007. Verweerder heeft enkel het verzoek om vergoeding van proceskosten afgewezen omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Gelet op het voorstaande kon verweerder hier niet mee volstaan en had verweerder een (afzonderlijke) beslissing dienen te nemen op het verzoek om proceskostenvergoeding in bezwaar en de vraag of sprake was van een onrechtmatig besluit.

2.7 Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten.

2.8 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2007 voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek om vergoeding van de proceskosten;

3.3 bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;

3.4 veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 322,- te betalen door de gemeente Heemskerk aan eiseres;

3.5 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.6 gelast dat de gemeente Heemskerk het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, rechter, en op 14 december 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.G.J. Deckers, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.