Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0708

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
21-12-2007
Zaaknummer
15/751610-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1691, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis medeverdachte Willem H. Bewezenverklaard: medeplegen van witwassen. Verdachte heeft namens zijn medeverdachte Willem H. op een zondag op het kantoor van Endstra een envelop met 250.000 euro in contanten opgehaald. De envelop is door de neef van Endstra, Arnold E., aan verdachte overhandigd. Verdachte wist op het moment dat hij de envelop aannam dat het zich daarin bevindende geld uit misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/751610-06

Uitspraakdatum: 21 december 2007

Tegenspraak

verkort strafvonnis (art. 138b Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 juli 2006, 6 oktober 2006, 2 april 2007, 3 april 2007, 5 april 2007, 12 april 2007, 16 april 2007, 7 mei 2007, 27 september 2007, 1 oktober 2007, 2 oktober 2007, 4 oktober 2007, 8 oktober 2007, 9 oktober 2007, 11 oktober 2007, 22 oktober 2007, 23 oktober 2007, 25 oktober 2007, 29 oktober 2007, 30 oktober 2007, 1 november 2007, 5 november 2007,

8 november 2007, 9 november 2007, 12 november 2007, 16 november 2007, 19 november 2007, 22 november 2007, 23 november 2007 en 7 december 2007 in de zaak tegen:

Marcel K.,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adresgegevens].

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

FEIT 1

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004,

te Amsterdam en/of (elders) in Nederland,

heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of W.F.H. en/of M.M. en/of M.C.D. en/of O.T.S. en/of één of meer anderen,

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- afpersing van W.A.A.P.M. Endstra (artikel 317 Wetboek van Strafrecht), en/of

- bedreiging van die Endstra met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), en/of

- mishandeling van die Endstra (artikel 300 Wetboek van Strafrecht), en/of

- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht), en/of

- witwassen van vermogensbestanddelen, afkomstig van (afpersing van, althans enig misdrijf ten nadele van) die Endstra en/of één of meer aan hem gelieerd(e) bedrijf/bedrijven (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht), en/of

- handelen in strijd met artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie (artikel 55 Wet wapens en munitie);

FEIT 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004,

te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen,

door geweld en/of bedreiging met geweld W.A.A.P.M. Endstra heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, te weten:

1. op of omstreeks 24 december 2002: (ongeveer) € 1.200.000,- en/of (ongeveer)

€ 1.300.000,-, en/of

2. op of omstreeks 30 december 2002: (ongeveer) € 3.176.461,50, en/of

3. in of omstreeks de periode van 09 tot en met 10 januari 2003: (ongeveer) € 1.361.340,60, en/of

4. in of omstreeks de periode van 28 februari tot en met 01 maart 2003: (ongeveer)

€ 3.400.000,-, en/of

5. in of omstreeks de periode van 12 tot en met 14 maart 2003: (ongeveer) € 1.500.000,- , en/of

6. op of omstreeks 2 april 2003: (ongeveer) € 900.000,-, en/of

7. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 23 april 2003: (ongeveer) € 450.000,-, en/of

8. op of omstreeks 27 april 2003: (ongeveer) € 250.000,-, en/of

9. in of omstreeks de periode van 26 tot en met 28 mei 2003: (ongeveer) € 1.499.920,28, en/of

10.in of omstreeks de periode van 24 tot en met 26 juni 2003: (ongeveer) € 2.800.000,-, en/of

11. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 21 juli 2003: (ongeveer) € 400.000,-, en/of

12. in of omstreeks de periode van 24 december 2003 tot en met 07 januari 2004: (ongeveer) US $ 2.000.000,-, en/of

13. in de periode 2002 tot en met 2004: (ongeveer) € 50.000,-,

in ieder geval (telkens) enig geldbedrag,

(telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die Endstra, in ieder geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- meermalen, althans eenmaal, tegen die Endstra heeft/hebben gezegd dat hij, Endstra, werd bedreigd door, althans geweld en/of bedreiging met geweld had te duchten van één of meer (al dan niet hem, Endstra, onbekende) derde(n), waartegen hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) hem, Endstra, zou(den) kunnen beschermen tegen betaling van geld, waardoor die Endstra (al dan niet in toenemende mate) bang werd gemaakt en/of gehouden, en/of in een (min of meer) afhankelijke positie van hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) werd gebracht en/of gehouden, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die Endstra dreigende wijze tegen die Endstra heeft/hebben gezegd dat hij en/of één of meer van zijn gezins- en/of familieleden zou(den) worden gedood als hij niet en/of niet meer en/of niet binnen een gestelde termijn zou betalen, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die Endstra dreigende wijze tegen die Endstra heeft/hebben gezegd dat hij moest betalen en anders niet meer hoefde te betalen en/of anders niet meer mocht betalen, en/of dat hij, verdachte, altijd heel snel te weten kon komen waar die Endstra zich bevond, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die Endstra dreigende wijze zich heeft opgehouden vóór of bij de woning en/of vóór of bij een locatie waar die Endstra op dat moment aanwezig was, althans in de nabijheid van die Endstra en/of die Endstra thuis heeft/hebben opgezocht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die Endstra dreigende wijze een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, aan die Endstra heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of op die Endstra heeft/hebben gericht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die Endstra dreigende wijze die Endstra bij een oor heeft/hebben gepakt en/of tegen die Endstra heeft/hebben gezegd of laten doorschemeren dat een bepaalde (met name genoemde) persoon (op al dan niet korte termijn) zou worden geliquideerd, en/of

- die Endstra meermalen, althans eenmaal, gewelddadig tegen het hoofd en/of/althans het lichaam heeft/hebben geslagen en/of geduwd, en/of

- (door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die Endstra heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die Endstra voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) gerechtvaardigd was;

FEIT 3

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 30 januari 2006,

te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer) van zijn mededader(s), op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen

(één of meer) voorwerpen, te weten (één of meer) van de navolgende geldbedragen en/of vermogensrechten en/of onroerend goed, verworven en/of voorhanden gehad:

A.in (april) 2003 een geldbedrag van (ongeveer) € 250.000,- (welk geldbedrag contant door A.A.E. namens W.A.A.P.M. Endstra aan verdachte is overhandigd), en/of

B.op of omstreeks 24 december 2002 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.200.000,- (op bankrekening [bankrekeningnummer] ten name van M.C.D. met als omschrijving 'koopsom aandelen Leijenbergh Vastgoed B.V.'), en/of

C.op of omstreeks 20 februari 2003 een of meer geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) € 4.000.000,- (in de vorm van één of meer overboekingen met als omschrijving (hypothecaire) lening(en) van € 1.750.000,- en/of € 2.250.000,- van Wilbury Ltd. aan Gebouw Royal Investments B.V.), en/of

D. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 1] te Amsterdam, en/of

E. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 2] te Amsterdam, en/of

F. in 2002 een perceel grond, gelegen aan de [straatnaam 3] (ongenummerd) te Amsterdam (kadastrale aanduiding: [kadasternummer]), en/of

G. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 4] te Amsterdam, en/of

H. in 2002 het bedrijfspand (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 5] te Amsterdam, en/of

I. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 6] te Amsterdam, en/of

J. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 7] te Amsterdam, en/of

K. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [straatnaam 8] te Amsterdam en [straatnaam 9] te Amsterdam,

(telkens) zulks terwijl hij, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit afpersing, in elk geval uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Zijn betoog op dat punt bevat twee hoofdelementen (A en B).

A.

Er is geen sprake van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM).

Schending van genoemd verdragsartikel acht de verdediging in de eerste plaats daarin gelegen, dat haar niet de gelegenheid is geboden het materiaal dat is voortgekomen uit de zogenaamde achterbankgesprekken van rechercheurs van de CIE met Endstra, te toetsen op de rechtmatige wijze van verkrijging daarvan. Gesteld is in dat verband, dat het openbaar ministerie op vragen van de verdediging dienaangaande géén opening van zaken heeft willen geven omtrent de precieze status van Endstra ten tijde van bedoelde gesprekken. Daardoor zijn vragen onbeantwoord gebleven die voor een beoordeling van de rechtmatigheid van de bewijsgaring relevant zijn, aldus de raadsman.

In de tweede plaats wordt het door artikel 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces ook geschonden geacht doordat de verdediging het opgenomen gespreksmateriaal niet adequaat heeft kunnen en mogen onderzoeken. In dat verband wordt gewezen op strijd met het beginsel van equality of arms nu het openbaar ministerie de gelegenheid heeft gehad en benut de opnamen te beluisteren en aan de verdediging niet de gelegenheid is geboden die opnamen door deskundigen te laten beluisteren en analyseren.

Ten aanzien van de controleerbaarheid van hetgeen is besproken met Endstra is door de raadsman tenslotte nog opgemerkt, dat met name het startgesprek en de afsluitende gesprekken niet zijn opgenomen dan wel niet meer als opname beschikbaar zijn, waardoor toetsing van cruciale informatie onmogelijk is geworden.

B.

De methode van onderzoek geeft blijk van een dusdanig verkokerde blik, dat niet gesproken kan worden van een behoorlijke opsporing.

Ter toelichting op deze stelling is door de raadsman gewezen op de sturende vraagstelling van verbalisanten bij het horen van getuigen, maar eveneens van zijn cliënt. De door de raadsman gewraakte werkwijze zou aantonen dat men vanaf het begin van het onderzoek heeft getracht de vooraf ingenomen stellingen, die geheel waren gebaseerd op hetgeen Endstra had beweerd tijdens de achterbankgesprekken, bevestigd te krijgen. Daardoor is van een open waarheidsvinding geen sprake geweest.

De officieren van justitie hebben bij repliek geconcludeerd, dat de wijze waarop door hen verantwoording is afgelegd omtrent de totstandkoming, vastlegging en uitwerking van de gesprekken met Endstra, alsmede de wijze waarop de verdediging in de gelegenheid is geweest daarover vragen te (doen) stellen en daarnaar onderzoek te (doen) verrichten geen tekortkomingen vertonen die leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ook ten aanzien van de gewraakte methode van verhoor hebben zij de visie van de raadsman bestreden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan bezwaarlijk worden gesteld, dat de verdediging is beknot in haar rechten en mogelijkheden wensen aangaande nader onderzoek te uiten. Er is ook geen grond voor de stelling dat het openbaar ministerie een discussie over de status van Endstra uit de weg heeft willen gaan en dat onderzoekswensen zijn gefrustreerd doordat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de geluidsopnames van de achterbankgesprekken en deze dus ook niet door deskundigen heeft kunnen laten beluisteren.

Reeds op de terechtzitting van 11 mei 2006, waar verdachte aanwezig was, is uitvoerig aandacht besteed aan de waarde die zou moeten worden toegekend aan de bij de stukken van het strafdossier opgenomen weergave van de achterbankgesprekken. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van diezelfde datum in de zaak tegen medeverdachte Willem H., waarover de verdediging in de onderhavige zaak beschikt, blijkt dat toen reeds discussie heeft plaatsgevonden over de status van Endstra. In dat verband is van de zijde van het openbaar ministerie opgemerkt, dat aan Endstra geen CIE-status toekwam en is door officier van justitie mr Teeven het aanbod gedaan desgewenst ten behoeve van de rechtbank en de verdediging per brief uitleg te geven aan de hand van de vraag hoe CIE-informatie in elkaar zit of kan zitten.

In het verdere verloop van de discussie op 11 mei 2006 heeft de zojuist genoemde officier van justitie duidelijk gemaakt dat het openbaar ministerie zich realiseerde dat de verdediging zo ruim mogelijk in staat zou moeten worden gesteld de gesprekken te toetsen, omdat het anders voor de rechtbank moeilijk zou zijn ze als bewijs te bezigen. Van de zijde van het openbaar ministerie is daarbij aangegeven dat ingestemd zou worden met een open terugwijzing naar de rechter-commissaris, opdat omtrent een en ander de betrokken CIE-rechercheurs (wat het openbaar miniserie betreft: ongeclausuleerd) vragen konden worden gesteld. Tevens zou daardoor gelegenheid ontstaan ten kabinette de banden nader te onderzoeken.

Ingevolge de open terugwijzing, die ook in de zaak Marcel K. plaatsvond, heeft de rechter-commissaris vervolgens een onderzoek ingesteld, waarvan verslag is gedaan bij proces-verbaal van 21 december 2006. Dit onderzoek heeft geleid tot het alsnog toevoegen van enige aanvankelijk weggelaten passages en in verband daarmee tot verstrekking van een nieuwe versie van de uitgewerkte achterbankgesprekken.

In het kader van onderzoek naar en in verband met de achterbankgesprekken is ook van belang, dat de drie rechercheurs die van de zijde van de CIE hebben deelgenomen aan die gesprekken, zijn gehoord bij de rechter-commissaris; zie de processen-verbaal, opgemaakt van die verhoren: 1 februari 2007 ([rechercheur 1]) en 20 februari 2007 ([rechercheur 2] respectievelijk [rechercheur 3]). De verdediging is aldus in de gelegenheid geweest de vragen te stellen, die haar bezig hielden.

Op 2 april 2007, de dag waarop een aanvang werd gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak, heeft de raadsman zich verzet tegen honorering van de wens van het openbaar ministerie een selectie van gespreksfragmenten uit zojuist bedoelde opnames ter terechtzitting te beluisteren. Hij heeft zich op het standpunt gesteld, dat ofwel alle gesprekken moesten kunnen worden afgeluisterd of geen enkel gesprek. Een andere door hem in de vorm van een verzoek aan de rechtbank voorgelegde mogelijkheid betrof het in handen van de verdediging stellen van alle gespreksopnames, opdat de verdediging deskundigenonderzoek zou kunnen laten plaatsvinden met betrekking tot wat werd genoemd: de gespreksstructuur.

Op 3 april 2007 heeft de rechtbank met inachtneming van en onder verwijzing naar hetgeen daaromtrent ter terechtzitting aan de orde was geweest, beslist dat de tapes niet ter beschikking zouden worden gesteld van de verdediging en heeft ook het verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek afgewezen. De laatste beslissing heeft de rechtbank aldus gemotiveerd dat zij zich heel wel in staat achtte zich aan de hand van de ter terechtzitting beluisterde (in feite: op dat moment nog te beluisteren) fragmenten een oordeel te vormen omtrent de waardering van het materiaal in het licht van de door de verdediging opgeworpen punten; zij heeft daarbij vervolgens de mogelijkheid open gelaten alsnog in andere zin te beslissen indien bij haar op een later moment toch de behoefte zou ontstaan een of meer deskundigen in te schakelen. Dat latere moment had kunnen voortkomen uit het beluisteren van de door het openbaar ministerie voorgestelde selectie geluidsfragmenten, waardoor de rechtbank op 5 april 2007 een begin maakte met de waardering van de schriftelijke uitwerking van de achterbankgesprekken. Ook zouden nadere wensen kunnen voortvloeien uit de luistersessies op 13 en 18 april 2007 waar verdachte en zijn raadsman de gelegenheid werd geboden de aan de definitieve schriftelijke versie ten grondslag liggende geluidsopnames integraal te beluisteren.

Op 5 september 2007, enige dagen voor de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting dat een viertal maanden geschorst was geweest, wendde de raadsman zich per brief tot de voorzitter met een verzoek om tussenkomst. Uit de brief en de daarbij gevoegde bijlagen werd duidelijk dat hij zich kort daarvoor had gewend tot het openbaar ministerie in deze zaak met de mededeling, dat het ondoenlijk was gebleken al die achterbankgesprekken te beluisteren en dat hij om die reden verzocht het met de grootst mogelijke spoed mogelijk te maken een viertal door hem genoemde deskundigen de tapes te laten beluisteren. Dit verzoek om tussenkomst is door de voorzitter afgewezen bij brief van 7 september 2007 onder verwijzing naar de hierboven weergegeven beslissing van de rechtbank ter terechtzitting van 3 april 2007.

Bij deze zojuist geschetste gang van zaken, die daarop neerkomt dat de verdediging niet de van haar te verwachten actieve opstelling heeft getoond bij het kennelijke bestaan van onderzoekswensen gericht op vaststelling van de kwaliteit van de uitwerking van de banden alsmede van de wijze waarop de gesprekken werden gevoerd, kan niet met recht bij pleidooi het standpunt worden ingenomen dat aldus sprake is van tekortschietend onderzoek waardoor aan de rechten van de verdediging is tekort gedaan op een zodanige wijze dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie daarvan het gevolg moet zijn.

Met betrekking tot de gewraakte methode van onderzoek kan de rechtbank zich niet vinden in de door de raadsman geponeerde stelling dat voornamelijk sprake is geweest van het zoeken naar bevestiging van bij voorbaat ingenomen stellingen. In het onderzoek Kolbak is een enorm aantal getuigen gehoord. De neerslag van al die verhoren beslaat honderden pagina’s. Bij lezing van al die pagina’s vallen wel eens passages op van de soort waarop de raadsman blijkens de door hem gegeven voorbeelden kennelijk doelt, maar dringt zich bepaald niet het beeld op, dat de gehoorde personen op stelselmatige wijze gevoed zijn met sturende informatie, gericht op het verkrijgen van een wenselijk of bruikbaar antwoord.

Overigens acht de rechtbank zich in voorkomende gevallen heel wel in staat eventuele richtinggevende vragen te onderkennen en antwoorden op zulke vragen te bezien in het licht van hetgeen overigens (met opgave van redenen van eigen wetenschap) wordt verklaard. Daarbij is het bepaald behulpzaam dat nogal wat verhoren op band zijn opgenomen en letterlijk zijn uitgewerkt.

Op grond van het bovenstaande worden de verweren gericht op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verworpen.

Aangezien de rechtbank ook overigens geen redenen voor niet-ontvankelijkverklaring aanwezig acht, is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging.

2.3. Schorsing vervolging

De rechtbank stelt vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Vordering van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerequireerd tot bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk had op het plegen van in elk geval afpersing, bedreiging, valsheid in geschrift en witwassen. Voorts hebben de officieren van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van afpersing alsook voor witwassen met uitzondering van hetgeen in dat verband onder feit 3 sub D tot en met K ten laste is gelegd. De officieren van justitie hebben op grond van een en ander gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

3.2. Bespreking van een bewijsverweer

Door de raadman van verdachte is ter terechtzitting aangevoerd, dat – voor het geval de rechtbank niet de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou uitspreken in verband met een onrechtmatige dan wel onbehoorlijke wijze van opsporing – de gespreksverslagen van de achterbankgesprekken tussen Endstra en de CIE-rechercheurs dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Daartoe heeft hij aangevoerd, dat de met Endstra gemaakte afspraken toetsbaar noch controleerbaar zijn, de verdediging geen adequate mogelijkheid heeft gehad het gepresenteerde materiaal te laten onderzoeken op deugdelijkheid en de herkomst van de informatie dubieus is.

Ook bij een inhoudelijke beoordeling van dit materiaal aan de hand van toetsing aan andere gegevens uit het onderzoek, schiet de betrouwbaarheid van de beweringen van Endstra, zoals gedaan op de achterbank, tekort, aldus de raadsman.

Op deze door de raadsman ingenomen standpunten zal de rechtbank niet ingegaan, omdat zij ten behoeve van hetgeen zij van de tenlastelegging bewezen acht geen gebruik maakt van enig gedeelte van de schriftelijke weergave van de achterbankgesprekken.

3.3. (Partiële) vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1, feit 2 en feit 3 sub B tot en met K ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht. Een dergelijke organisatie is aanwezig indien sprake is van een gestructureerd samenwerkingsverband waarin de deelnemers in een zekere duurzaamheid, met enige continuïteit samenwerken.

Aan verdachte is een aantal misdrijven ten laste gelegd die hij samen met een of meer mededaders zou hebben gepleegd. Aan de beoordeling of verdachte die feiten heeft gepleegd komt de rechtbank pas hierna toe; zelfs indien de rechtbank tot bewezenverklaring van alle feiten zou komen, volgt daaruit nog niet dat van een gestructureerd samenwerkingsverband gesproken kan worden. Voor het bewijs bruikbare aanwijzingen en gegevens voor het bestaan van een dergelijk gestructureerd verband heeft de rechtbank, behalve in de verklaringen van Endstra, in het dossier niet aangetroffen. De door de officieren van justitie aangevoerde feiten en omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat voldoende cement tussen de verdachten aanwezig is, acht de rechtbank daarvoor onvoldoende.

Aangezien de rechtbank het bestaan van een organisatie in de zin van artikel 140 Wetboek van Strafrecht niet bewezen acht, behoeft hetgeen is aangevoerd ten aanzien van duurzaamheid, deelneming en oogmerk geen bespreking meer.

De rechtbank is voorts, anders dan de officieren van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de afpersing van Endstra. De rechtbank komt tot dat oordeel nu uit de stukken van het strafdossier noch aan de hand van het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van de daarvoor vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte Willem H..

Endstra heeft in zijn gesprekken met rechercheurs van de CIE verteld dat verdachte in opdracht van Willem H. eenmaal contant geld bij Endstra heeft opgehaald, een aantal malen aan Endstra heeft medegedeeld dat Willem H. hem moest spreken en voorts namens Willem H. bij Endstra op kantoor de stukken met betrekking tot de WFC-transactie heeft ingezien, welk bezoek ook door enkele getuigen is bevestigd; deze handelingen zijn echter naar het oordeel van de rechtbank slechts aan te merken als ondersteunende handelingen. Daarmee heeft verdachte zich mogelijk schuldig gemaakt aan niet ten laste gelegde medeplichtigheid aan de afpersing van Endstra, maar voor het bewijs van medeplegen is dit onvoldoende.

Verdachte dient dan ook van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde witwassen is de rechtbank met de officieren van justitie van oordeel dat hetgeen onder D tot en met K ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen is. Anders dan de officieren van justitie is de rechtbank evenwel van oordeel dat ook de onder B en C ten laste gelegde onderdelen niet bewezen zijn, aangezien zij niet het bewijs geleverd acht dat de onder B bedoelde betaling door Endstra het resultaat is van jegens Endstra geuite bedreigingen met geweld. Ten aanzien van de geldbedragen onder C acht zij van belang dat deze betreffen de herfinanciering van de Wallenpanden, terzake waarvan door verdachte ten behoeve van Wilbury Ltd. zekerheid is gesteld en uit hoofde van welke financiering door verdachte rente en aflossing werden betaald. De nogal merkwaardige gang van zaken rondom deze herfinanciering geeft wel te denken, maar levert op zichzelf niet het bewijs dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden, dat deze bedragen – onmiddellijk dan wel middellijk – afkomstig waren van afpersing.

Aangezien de rechtbank bij de stukken van het dossier ook geen aanwijzingen en gegevens heeft aangetroffen dat verdachte ter zake van de onder B en C vermelde bedragen kan worden aangemerkt als (mede)pleger van witwassen van uit ander misdrijf afkomstige bedragen, dient verdachte ook ten aanzien van deze onderdelen van het onder 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

3.4. Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat geen van de door de raadsman aangevoerde en hierboven onder 3.2. kort samengevatte bezwaren tegen het gebruik van de achterbankgesprekken, met zoveel woorden dan wel impliciet betrekking heeft op de zogenaamde dagboekaantekeningen van Endstra, een verzameling aantekeningen omtrent gedane betalingen in de eerste helft van 2003. Er is integendeel zelfs aanknoping gezocht bij die aantekeningen waar door de raadsman werd gewezen op het (veronderstelde) ontbreken van een aanduiding van de valuta bij het bedrag dat Arnold E. op 27 april 2003 namens zijn oom Endstra had afgegeven aan verdachte; het zou dus ook om Zwitserse franken gegaan kunnen zijn, aldus de raadsman.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend van de neef van Endstra een envelop met een groot bedrag aan cash geld in ontvangst te hebben genomen. Hij heeft verklaard dat Endstra hiermee de vordering van verdachte op Endstra wilde voldoen. Verdachte zou het door hem ontvangen geld niet hebben nageteld en na een week weer aan Endstra hebben teruggegeven, omdat hij zijn vordering niet in contanten, maar via de bank betaald wilde krijgen, naar eigen zeggen uit vrees voor een MOT-melding.

De rechtbank merkt deze verklaring van verdachte aan als ongeloofwaardig. Zij overweegt in dat verband dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij het geld dringend nodig had en dat Endstra bij herhaling eerder gedane toezeggingen omtrent betaling niet was nagekomen. In dat licht bezien is het bepaald ongeloofwaardig dat verdachte het in ontvangst genomen geldbedrag, ook nog eens zonder het te hebben nageteld, een week later toch weer zou hebben geretourneerd, zonder dat hij zicht had op voldoening van zijn vordering binnen afzienbare termijn; op betaling door Endstra via de bank zat hij immers al enige maanden tevergeefs te wachten. Dat verdachte hiertoe zou zijn overgegaan omdat hij een MOT-melding wilde voorkomen, acht de rechtbank niet geloofwaardig nu verdachte immers, indien zijn verklaring voor het overige juist zou zijn, van een dergelijke melding niets te vrezen zou hebben; het zou dan immers een legale betaling betreffen. Deze vaststellingen leiden de rechtbank tot de conclusie, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte in elk geval wist dat het geld uit misdrijf afkomstig was.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 sub A ten laste gelegde heeft begaan, in dier voege dat:

FEIT 3

hij in de periode van 1 april 2003 tot en met 30 januari 2006,

te Amsterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander,

zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en zijn mededader,

één voorwerp, te weten het navolgende geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad:

A. in april 2003 een geldbedrag van ongeveer € 250.000,-, welk geldbedrag contant door A.A.E. namens W.A.A.P.M. Endstra aan verdachte is overhandigd,

terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat voorwerp afkomstig was uit misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 3: medeplegen van witwassen.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft namens zijn medeverdachte Willem H. op een zondag op het kantoor van Endstra een envelop met 250.000 euro in contanten opgehaald. De envelop is door de neef van Endstra, Arnold E., aan verdachte overhandigd. Verdachte wist op het moment dat hij de envelop aannam dat het zich daarin bevindende geld uit misdrijf afkomstig was. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Op grond van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere dan een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht, artikelen 47 en 420bis.

8. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder feit 1, feit 2 en feit 3 sub B tot en met K ten laste gelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mrs. I.A.M. Tel en H.A. Pott Hofstede, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. H.W. van der Ploeg en C.C.J. Antonos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 december 2007.