Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0431

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
07/3286
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BK6509, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De gerealiseerde winsten op vier panden behoren tot het ondernemingsvermogen van eiser. Eiser heeft de panden als ondernemeingsvermogen in zijn aangifte opgenomen en dienaangaande aftrekposten en een kostenegalisatiereserve opgevoerd. Door willens en wetens deze winsten buiten de aangifte te laten, is sprake van opzet. De vergrijpboete van 50% is passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/18.3.4
FutD 2008-0020
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/3286

Uitspraakdatum: 5 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Y in de [land], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f 352.953, alsmede bij beschikking een boete van f 86.498, zijnde 50% van het bedrag van de navorderingsaanslag.

1.2. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 11 mei 2006 de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van f 305.914 en de boete dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van f 80.619.

1.3. Eiser heeft daartegen bij brief van 14 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 15 juni 2006, beroep ingesteld bij de rechtbank Leeuwarden. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 13 juli 2006.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Rechtbank Leeuwarden heeft zich bij uitspraak van 18 april 2007 (procedurenummer AWB 06/1388) onbevoegd verklaard de zaak in behandeling te nemen nu eiser ten tijde van het instellen van beroep in Zandvoort woonde. De zaak is vervolgens doorgestuurd naar de rechtbank Haarlem met het verzoek de behandeling van de zaak over te nemen.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007 te Haarlem.

Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde B. Namens verweerder is verschenen C.

1.7. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan – met bijlage - overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is enig directeur en groot aandeelhouder van de besloten vennootschap S B.V. (hierna: de BV). Het doel van de BV is blijkens een uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Friesland d.d. 21-10-1991: “Aan- en verkopen dan wel verhuren van onroerende en roerende goederen alsmede het bemiddelen bij de aan- en verkoop dan wel verhuring van vorenbedoelde goederen”.

2.2. De BV heeft een samenwerkingsverband met A Holding B.V. (directeur groot aandeelhouder is A). Van dit samenwerkingsverband is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt. Er is mondeling afgesproken dat ieder voor de helft in het resultaat deelt. Het resultaat van dit samenwerkingsverband is voor 50% opgenomen in de jaarrekening van de BV.

2.3. Eiser drijft voorts een eenmanszaak en vormt een samenwerkingsverband met A. Ook van dit samenwerkingsverband is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt. Er is mondeling afgesproken dat ieder voor de helft in het resultaat deelt. Door het samenwerkingsverband vinden aan- en verkopen van onroerende zaken plaats, worden onroerende zaken verhuurd en worden leningen verstrekt. De administratie van dit samenwerkingsverband is gevoerd door de heer A. De bezittingen en de schulden alsmede het resultaat van dit samenwerkingsverband zijn voor 50% opgenomen in de jaarrekening van de eenmanszaak van eiser.

2.4. Het samenwerkingsverband A en X maakt gebruik van een bankrekening ten name van hen beide. Daarnaast heeft het samenwerkingsverband een rekening courant. Ook deze rekening staat op beider naam. Het samenwerkingsverband factureert met BTW.

2.5. Op de balans van de eenmanszaak van eiser per 1 januari 1999 staan onder meer de volgende (verhuurde) onroerende zaken (hierna: de panden):

a-straat 1 te Q. Dit pand is aangekocht op 27 oktober 1995. Eiser is 100% eigenaar.

b-straat 2 te R. Dit pand is aangekocht op 1 februari 1996. Eiser is 50% eigenaar. De andere 50% is van A.

c-straat 3 te S. Dit pand is aangekocht op 14 juni 1996. Eiser is 50% eigenaar. De andere 50% is van A.

d-straat 4 te T. Dit pand is aangekocht op 28 september 1995. Eiser is 50% eigenaar. De andere 50% is van A.

2.6. Eiser heeft de panden voor zijn aandeel vanaf het moment van aanschaf tot het ondernemingsvermogen van zijn eenmanszaak gerekend. De panden zijn aangekocht met geleend geld. De leningen zijn voor eisers aandeel opgenomen op de balans van zijn eenmanszaak.

2.7. Ter zake van de panden in gezamenlijke eigendom met A is een voorziening (kostenegalisatiereserve ex artikel 13 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964; hierna de Wet IB 1964) groot onderhoud gevormd. Per 1 januari 1999 bedraagt het aandeel van eiser in de reserve f 40.000 en per 31 december 1999 f 33.353. Eiser heeft de reserve gevormd door de dotaties ten laste van het resultaat van zijn eenmanszaak te brengen.

2.8. A is overleden op 13 december 2000. De samenwerking is daarmee beëindigd.

2.9. Eiser heeft in 1999 (zijn aandeel in) de panden met winst verkocht. De winsten zijn verantwoord als privé-stortingen en niet als belastbare winst aangegeven.

2.9.1. Het pand a-straat 1 te Q is op 11 oktober 1999 verkocht voor f 125.000 inclusief inventaris. Met de verkoop is een winst behaald van f 39.600, uitgaande van een boekwaarde van f 84.490 voor het pand en een boekwaarde voor de inventaris van f 910. De kosten van de taxatie en de makelaarsprovisie ter zake van de verkoop van het pand zijn ten laste van het resultaat van de eenmanszaak van eiser gebracht. De in rekening gebrachte omzetbelasting is als voorbelasting in aftrek gebracht op de aangifte omzetbelasting van de eenmanszaak.

2.9.2. Het pand b-straat 2 te R is op 20 december 1999 verkocht voor f 474.599. Met de verkoop is een winst behaald van f 128.797, uitgaande van een boekwaarde van f 333.052 voor het pand en van f 2.400 voor de inventaris. Bij het bepalen van die winst is voorts rekening gehouden met een bedrag aan huur van f 10.350. Het aandeel van eiser in de winst bedraagt 50% van f 128.797, is f 64.398.

2.9.3. Het pand c-straat 3 te S is op 4 augustus 1999 verkocht voor f 237.722. Met de verkoop is een winst behaald van f 61.761, uitgaande van een boekwaarde van

f 163.636 voor het pand. In genoemd bedrag van f 237.722 is f 12.325 begrepen in verband met aflossing van een lening. Het aandeel van eiser in de winst bedraagt 50% van f 61.761, is f 30.881.

2.9.4. Het pand d-straat 4 te T is op 20 december 1999 verkocht voor f 568.738. In verband met de verkoop is op 22 december 1999 een bedrag van f 546.156 van de notaris ontvangen. Genoemd bedrag is verlaagd met f 12.581 wegens verschuldigde huur aan de koper en met f 10.000 welk bedrag in depot blijft bij de notaris, zodat de verkoopprijs

f 568.738 heeft bedragen. Met de verkoop is een winst behaald van f 228.858, uitgaande van een boekwaarde van f 339.880 voor het pand. Het aandeel van eiser in de winst bedraagt 50% van f 228.858, is f 114.429.

2.10.1. Naar aanleiding van een in de ingediende aangifte IB/PVV vermeld belastbaar inkomen van f 4.391 is op 17 augustus een controle aangekondigd welke is gestart op 29 september 2004. Het rapport dienaangaande is van 13 mei 2005. Naar aanleiding hiervan is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd ter zake van (eisers aandeel in) voornoemde winsten behaald met de verkopen van genoemde panden. Het totaalbedrag van de correctie bedraagt voor eiser: f 249.308 (39.600 + 64.398 + 30.881 + 114.429).

2.10.2. Voorts heeft verweerder op het aangegeven belastbaar inkomen de volgende correcties aangebracht: geen recht op zelfstandigenaftrek f 11.815 en gebruikelijk loon

f 40.400. De correctie ter zake van genoten dividend ten bedrage van f 47.039 is in de uitspraak op bezwaar teruggedraaid. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen aldus nader vastgesteld op een bedrag van f 305.914.

3. Geschil

3.1. In geschil is of de winst behaald met de verkopen van de vier in 2.5. vermelde panden in 1999 tot de belaste winst van eisers eenmanszaak behoort.

3.2. De hoogte van de met de panden gerealiseerde winsten is niet in geschil.

De overige correcties (geen zelfstandigenaftrek en gebruikelijk loon) zijn evenmin in geschil.

3.3. Eiser is van mening dat de panden tot zijn privévermogen hebben behoord en dat er sprake is geweest van normaal vermogensbeheer. De winst behaald met de verkoop van de panden is daarom onbelast. Eiser concludeert tot vaststelling van het belastbaar inkomen op

f 56.606 (f 305.914 minus f 249.308).

3.4. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de panden tot het ondernemingsvermogen van eiser hebben behoord en dat de winst behaald met de verkoop behoort tot eisers winst uit onderneming. Subsidiair stelt verweerder dat de verkoopwinst belast is als andere inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 22, lid 1, onderdeel b, Wet IB 1964.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet in geschil is dat eiser in het onderhavige jaar een onderneming had. Eiser stelt zich op het standpunt dat de panden niet tot het ondernemingsvermogen behoren.

4.2. Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat de panden keuzevermogen vormen en dat ervoor is gekozen de panden tot het privé-vermogen te rekenen kan de rechtbank eiser niet volgen. Anders dan eiser betoogt heeft hij niet alleen naar de heer A ter financiële verantwoording binnen het samenwerkingsverband, maar ook naar verweerder toe de panden behandeld als behorende tot het ondernemingsvermogen. Als al sprake zou zijn van keuzevermogen, dan heeft eiser de panden – door ze op de ondernemingsbalans te zetten en als behorende tot het ondernemingsvermogen in de aangifte op te nemen, door dienaangaande aftrekposten op te voeren en voor de panden een kostenegalisatiereserve te vormen – de keuze gemaakt voor ondernemingsvermogen. Op die keuze kan niet meer worden teruggekomen. Eiser heeft de overige op de balans van zijn onderneming voorkomende panden ook na 1999 – in ieder geval tot en met 2004 – steeds als ondernemingsvermogen aangemerkt en heeft het resultaat steeds als winst aangegeven. De panden zijn dus na 1 januari 2001 niet in box 3 aangegeven, hetgeen in de optiek van eiser wel zou moeten gebeuren.

4.3. De stelling dat de panden verplicht privé-vermogen vormen en dat de etikettering als ondernemingsvermogen onjuist is geweest, acht de rechtbank niet aannemelijk. Eiser heeft niet onderbouwd dat de ondernemingsactiviteiten van de eenmanszaak geen verband hielden met de onderhavige panden . Desgevraagd heeft eiser niet duidelijk kunnen maken waarop de ondernemingsactiviteiten dan wel hebben gezien. De enkele stelling dat in dat verband uitsluitend is gehandeld in inventaris en leningen zijn verstrekt acht de rechtbank volstrekt onvoldoende. Eiser heeft zich niet alleen intern en – zoals uit het voorgaande blijkt - naar verweerder als ondernemer gepresenteerd, ook in het economisch verkeer heeft eiser zich met betrekking tot de panden als ondernemer gedragen. Blijkens de gedingstukken zijn diverse panden aangekocht en verkocht. Er worden leningen afgesloten om de aankopen mee te financieren. Er worden panden verhuurd, de huren worden geïnd en er worden leningen verstrekt. Rente en aflossing worden betaald. Er wordt controle uitgeoefend op de staat van onderhoud van de panden; hiervoor is zelfs een kostenegalisatiereserve gevormd. Er wordt opdracht gegeven tot het uitvoeren van onderhoud aan de panden. Er wordt een administratie van het geheel bijgehouden. Eiser en A hebben gezamenlijke bankrekeningen. Voorts hebben ze afgesproken dat ze ieder voor de helft delen in het resultaat van het samenwerkingsverband. Er is omzetbelasting in rekening gebracht en verrekend op de aangifte omzetbelasting van de eenmanszaak.

4.5. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat eiser in het onderhavige jaar actief is geweest op het terrein van onroerende zaken, deels via zijn eenmanszaak en deels via de BV, al dan niet tezamen met A en luidt de slotsom dat de panden tot zijn ondernemingsvermogen behoren. Dat de zelfstandigenaftrek niet is geaccepteerd, omdat niet is voldaan aan het urencriterium, zegt enkel iets over het aantal door eiser aan de onderneming bestede uren en brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

4.6. Voor zover eiser met betrekking tot het pand a-straat 1 te Q stelt dat sprake is van een eigen woning, merkt de rechtbank op dat ter zake van deze woning huur is aangegeven en dat eiser deze woning niet onder het huurwaardeforfait heeft opgegeven, ook al stond eiser in 1999 volgens de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op dit adres. Het pand is steeds als verhuurd pand tot het ondernemingsvermogen van eiser gerekend en heeft daartoe ook behoord. Als al sprake zou zijn van keuzevermogen dan heeft eiser – zoals ook uit het voorgaande volgt - dit pand geëtiketteerd als ondernemingsvermogen. De rechtbank vermag voorts niet in te zien dat het pand tot het verplicht privévermogen behoort.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van eiser in redelijkheid niet is vol te houden en dat eiser zich bij het doen van aangifte heeft moeten realiseren dat het buiten het inkomen laten van de met de panden behaalde winst niet juist kon zijn. Er is sprake van een onderneming en de panden behoren tot het ondernemingsvermogen. Door de gerealiseerde winsten buiten de aangifte te laten heeft eiser zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans blootgesteld dat te weinig belasting zou worden geheven, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet. Het is aan voorwaardelijk opzet van eiser te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Er is terecht een vergrijpboete opgelegd.

4.8. De rechtbank acht een boete van 50% passend en geboden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser opzettelijk grote winsten buiten de aangifte heeft gehouden. Na toezending van het controlerapport d.d. 13 mei 2005 aan eiser met daarin een aankondiging van de boete zijn meer dan twee jaren verstreken. Deze overschrijding van de termijn van twee jaar is naar de rechtbank voorkomt veroorzaakt doordat eiser de zaak bij de verkeerde rechtbank heeft aangebracht. Ten tijde van het instellen van het beroep had eiser immers zijn woonplaats in Zandvoort, zodat rechtbank Haarlem bevoegd is en niet rechtbank Leeuwarden. De vertraging in de procedure dient voor rekening van eiser te blijven. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn.

4.9. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. R.G. Kemmers en mr. T.A. de Hek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh - Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.