Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0186

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
138733/2--7-1002
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling. Bevoegheid Nederlandse rechter. De Verordening(EG)nr.2201/2003, L 2003,338, de zogenaamde Brussel II–bis Verordening, noch het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van 1961 is van toepassing. Bevoegdheid wordt beheerst door het commune internationaal bevoegdheidsrecht zoals neergelegd in artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ingevolge dit artikel heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, indien de minderjarige zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft. Met de gewone verblijfplaats wordt in dit artikel de feitelijke gewone verblijfplaats bedoeld en niet de afhankelijke woonplaats in zin van artikel 1:12 lid 1 BW. Nu [naam kind] al vier jaar in Marokko verblijft en woont, ligt het in de rede aan te nemen dat haar gewone verblijfplaats in Marokko is. De Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft in deze zaak,” tenzij”, zoals de uitzonderingsbepaling van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, de rechtbank “ zich in een uitzonderlijk geval, wegens verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen”. In het onderhavige geval acht de rechtbank de zaak zodanig verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, dat hij in staat is in het belang van [naam kind] een beslissing te nemen. De omstandigheid dat de gezaghebbende ouders en de zus van [naam kind] in Nederland wonen, dat voornoemde betrokkenen (mede) de Nederlandse nationaliteit bezitten en dat niet alleen de moeder maar ook de vader uitdrukkelijk heeft verklaard dat het ook zijn bedoeling is [naam kind], zodra haar gezondheid dat toelaat, weer terug naar Nederland te laten komen, acht de rechtbank voldoende gronden en aanknopingspunten om verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer te kunnen constateren en rechtsmacht aan te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

ondertoezichtstelling

zaak-/rekestnr.: 138733/2007-1002

beschikking van de kinderrechter d.d. 20 september 2007

naar aanleiding van een verzoek van:

De Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

verder te noemen: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

naam: [naam kind]

geboren: [datum] 2002 te [plaats]

moeder: [naam vrouw]

wonende op een adres bekend bij de rechtbank

vader: [naam man]

wonende te Heemskerk

gezag: ouders

verblijfplaats: in Marokko

Verloop van de procedure

Op 11 september 2007 is op de griffie van de rechtbank een verzoekschrift binnengekomen van de Raad strekkende tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige.

Op 18 september 2007 heeft de kinderrechter het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de vader bijgestaan door mr. M.A. Kanning;

- de advocaat van de moeder mr. drs. M.L. van Riel

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. van den Ende;

- de William Schrikker Stichting , vertegenwoordigd door mevrouw I. Geenen.

Ter zitting is bijstand verleend door een tolk in de Marokkaanse taal.

Beoordeling

Ten aanzien van de bevoegdheid

De advocaat van de vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat de Nederlandse rechter ten aanzien van de minderjarige [naam kind] geen rechtsmacht heeft in deze zaak aangezien die minderjarige reeds lange tijd in Marokko verblijft.

De vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is, nu de bevoegdheidsregeling van noch de Verordening(EG)nr.2201/2003, L 2003,338, de zogenaamde Brussel II–bis Verordening,(kind heeft zijn verblijfplaats niet in een lidstaat en niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 12) noch het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van 1961 (vereist is dat de minderjarige zijn gewone verblijf heeft in een van de verdragsluitende staten en Marokko is geen verdragsluitende staat) van toepassing is, wordt beheerst door het commune internationaal bevoegdheidsrecht zoals neergelegd in artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ingevolge dit artikel heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht in zaken betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid, indien de minderjarige zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft. Met de gewone verblijfplaats wordt in dit artikel de feitelijke gewone verblijfplaats bedoeld en niet de afhankelijke woonplaats in zin van artikel 1:12 lid 1 BW. Nu [naam kind] al vier jaar in Marokko verblijft en woont, ligt het in de rede aan te nemen dat haar gewone verblijfplaats in Marokko is.

Gelet op het bovenstaande valt aan te nemen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft in deze zaak,” tenzij”, zoals de uitzonderingsbepaling van artikel 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt, de rechtbank “ zich in een uitzonderlijk geval, wegens verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen”.

In het onderhavige geval acht de rechtbank de zaak zodanig verbonden met de Nederlandse rechtssfeer, dat hij in staat is in het belang van [naam kind] een beslissing te nemen. De omstandigheid dat de gezaghebbende ouders en de zus van [naam kind] in Nederland wonen, dat voornoemde betrokkenen (mede) de Nederlandse nationaliteit bezitten en dat niet alleen de moeder maar ook de vader uitdrukkelijk heeft verklaard dat het ook zijn bedoeling is [naam kind], zodra haar gezondheid dat toelaat, weer terug naar Nederland te laten komen, acht de rechtbank voldoende gronden en aanknopingspunten om verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer te kunnen constateren en rechtsmacht aan te nemen.

Ten aanzien van het verzoek tot ondertoezichtstelling

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het de rechtbank gebleken dat er door de Raad onderzoek is gedaan naar de situatie van [naam kind], doch dat dit gelet op het verblijf van [naam kind] in Marokko feitelijk niet goed mogelijk was. De Raad heeft een advies uitgebracht op basis van de op dit moment beschikbare informatie en komt tot de conclusie dat er reden is tot zorg ten aanzien van de ontwikkeling van [naam kind]. De ouders hebben geen opvoedkundige rol en oefenen feitelijk geen gezag uit over de minderjarige. De opvoeding en verzorging van de minderjarige is in handen van derden waarmee de Raad geen contact kan krijgen omdat de vader geen informatie wenst te verschaffen over de verblijfplaats van [naam kind].

Gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht de kinderrechter het van belang de behandeling van de zaak aan te houden, in afwachting van de uitspraak van de rechtbank te Haarlem ten aanzien van het verzoek tot de toekenning van het eenhoofdig gezag. Tevens dient deze periode aangewend te worden om de vader en voor zover mogelijk ook de overige betrokkenen (de moeder en de Raad) in de gelegenheid te stellen om de rechtbank nader informatie te verschaffen over [naam kind]. De rechtbank denkt daarbij aan de navolgende informatie:

- op welk adres en bij wie woont [naam kind] vanaf datum ongeluk tot heden;

- Op welk telefoonnummer is [naam kind] dagelijks te bereiken;

- gaat [naam kind] naar school en zo ja naar welke school gaat zij en in welke klas zit zij;

- een originele medisch verklaring over de medische toestand vanaf datum ongeluk tot heden van [naam kind];

- wanneer komt [naam kind] weer naar Nederland dan wel een originele medische verklaring wanneer verwacht wordt dat [naam kind] weer mag reizen en naar Nederland zal komen;

- alle overige voor de zaak relevante informatie.

De kinderrechter verwacht van de vader en voor zover mogelijk van de overige betrokkenen dat deze informatie schriftelijk aan de rechtbank wordt gezonden, tot uiterlijk één week voor de hierna te noemen Pro Forma datum van 20 december 2007, derhalve voor 13 december 2007.

Beslissing

De kinderrechter:

Houdt de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling aan tot 20 december 2007 Pro Forma.

Verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank uiterlijk op 13 december 2007 schriftelijk te berichten omtrent de ontwikkelingen ten aanzien van [naam kind]. Daarnaast wenst de rechtbank tijdig geïnformeerd te worden indien de minderjarige [naam kind] naar Nederland komt.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van Andel als kinderrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 september 2007, in tegenwoordigheid van R.C.M. Martens als griffier.