Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0023

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
06-12243
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BO4073, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Precariobelasting: de tussen partijen gesloten koopovereenkomst staat aan precarioheffing in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2319
FutD 2007-2370
Belastingblad 2008/157

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/12243

Uitspraakdatum: 19 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

N.V. X, gevestigd te Y, eiseres,

gemachtigde: mr. A,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlem, verweerder,

gemachtigde: mr. B.

1.Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2005 met dagtekening 31 augustus 2005 een aanslag precariobelasting opgelegd van € 2.338.583,26.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 november 2006 de aanslag verminderd tot € 1.238.420,00.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op 28 november 2006, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 1 februari 2007.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2007 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde voornoemd, C (medewerker van de afdeling juridische zaken van eiseres) en D. Namens verweerder is verschenen voornoemde gemachtigde.

2.Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 26 mei 1992 hebben de gemeenten Haarlem, E, F en G en het door die gemeenten beheerste openbare lichaam H gezamenlijk de naamloze vennootschap I N.V. opgericht. Het waterleidingbedrijf van genoemd lichaam werd in deze vennootschap ondergebracht. De aandelen van I N.V. werden gehouden door de genoemde gemeenten. Bij gelegenheid van de oprichting is tussen de desbetreffende partijen een aandeelhoudersconvenant opgesteld. Daarvan maakt een artikel 4 onderdeel uit.

2.2. Op 1 juli 1996 hebben de genoemde gemeenten hun aandelen in I N.V. verkocht en overgedragen aan eiseres. In de desbetreffende koopovereenkomst (hierna: de koopovereenkomst) zijn - voor zover van belang - de artikelen 8, 10, 13 en 18 opgenomen. De inhoud van artikel 10 is - afgezien van een klein, hier niet ter zake doend, tekstueel verschil - gelijkluidend aan de inhoud van artikel 4 van het aandeelhoudersconvenant. I N.V. wordt in het hiernavolgende aangeduid als “de Vennootschap”.

De artikelen 8, 10, en 13 luiden – voor zover van belang – als volgt:

“Artikel 8 Afstand van recht

8.1 Verkopers doen hierbij, voorzover nodig, ten behoeve van de Vennootschap afstand van alle eigendoms- en andere zakelijke rechten welke zij als grondeigenaar zouden kunnen doen gelden op in de grond van Verkopers aangebrachte of aan te brengen buizen, kabels, leidingen en andere voorzieningen die een functie hebben voor de bedrijfsvoering van de Vennootschap en zullen desgevraagd hun medewerking verlenen aan de overdracht daarvan op naam van Koper of de Vennootschap.

8.2 Verkopers verlenen hierbij machtiging aan Koper om, indien en wanneer Koper zulks verzoekt, alle inschrijvingen in de openbare registers te laten wijzigen overeenkomstig de (rechts)toestand ontstaan na het plaatsvinden van de overgang van de Gemeenschappelijke Regeling Waterleidingbedrijf Zuid Kennemerland in de Vennootschap 1 juli 1992. Verkopers verplichten zich, op eerste verzoek van Koper, hiertoe alle mogelijke medewerking te verlenen.

8.3 De kosten gemoeid met de uitvoering van het in lid 1 en lid 2 bepaalde komen ten laste van Koper.

Artikel 10 Gemeentelijke heffingen

10.1 Iedere Gemeente zal aan de Vennootschap vergunningen verlenen voor het gebruik maken van eigendommen, toebehorende aan de betreffende Gemeente danwel van eigendommen van anderen, welke een openbare bestemming hebben en waarvoor de Gemeente op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift gelijke vergunning dient te verlenen, zulks voor het in eigendom hebben, alsmede voor het (doen) leggen, onderhouden, in stand houden, verleggen, vervangen of verwijderen van kabels, leidingen en winningsmiddelen met bijbehorende voorzieningen.

10.2 De Gemeenten verbinden zich hiervoor geen recognities en dergelijke in rekening te brengen aan de Vennootschap. Indien zij daartoe echter wel wettelijk verplicht mochten zijn of worden, verbinden de Gemeenten zich de recognities zo spoedig mogelijk aan de Vennootschap te restitueren.

Artikel 13 Waterleidingwerken

13.1 De Vennootschap is gerechtigd om in de wegen, straten, pleinen, wateren en andere onroerende zaken, toebehorende aan of staande onder het beheer van een van de Gemeenten (...) daarin aanwezige waterleidingwerken te hebben, te onderhouden, te vernieuwen en uit te breiden en de daarin door de Vennootschap respectievelijk Koper noodzakelijk geachte nieuwe waterleidingwerken aan te leggen, te hebben en te onderhouden.

(...)

13.5 Voorts zullen de Gemeenten en de Vennootschap elkaar tijdig en zonder kosten informeren over voorgenomen aktiviteiten, die van invloed zijn op elkaars taken. Indien hierbij meerdere partijen casu quo nutsbedrijven zijn betrokken zal de betreffende gemeente als coördinator optreden.”

2.3. Krachtens fusie met I N.V. is eiseres in 1997 in de rechten van die vennootschap getreden, waardoor zij de uit de koopovereenkomst voortvloeiende rechten rechtstreeks jegens de betreffende gemeenten geldend kan maken.

2.4. Op 5 maart 2004 heeft het Gerechtshof Amsterdam uitspraak gedaan op het beroep van eiseres tegen 22 door verweerder aan eiseres opgelegde legesheffingen voor het in behandeling nemen van 22 vergunningaanvragen voor het openbreken van en spitten in de aan de gemeente Haarlem in eigendom toebehorende wegen met een openbare bestemming. In deze uitspraak is - voor zover van belang - het volgende overwogen:

“5.2. Belanghebbende heeft zich beroepen op vrijstelling van legesheffing, verwijzend naar artikel 10 van de koopovereenkomst. Bij de beantwoording van de vraag of die bepaling aan de heffing van leges in de weg staat, dient aanknoping te worden gezocht bij de tekst ervan. De tekst van het eerste lid van het artikel leidt tot het oordeel dat het mede betrekking heeft op de werkzaamheden ter zake waarvan belanghebbende de in het geding zijnde vergunningaanvragen heeft ingediend. Het gaat bij elk van die aanvragen immers om het gebruik door belanghebbende van eigendommen van de gemeente Haarlem met een openbare bestemming (...) waarvoor de gemeente Haarlem op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift (...) vergunning dient te verlenen, zulks voor het door belanghebbende (doen) leggen, onderhouden, in stand houden, verleggen, vervangen of verwijderen van kabels en leidingen.

5.3. Dat de desbetreffende werkzaamheden onder de werking van het eerste lid van artikel 10 vallen, volgt voorts uit het feit dat het artikel blijkens het gebruik van de woorden ‘waarvoor de gemeente op grond van enig publiekrechtelijk voorschrift vergunning dient te verlenen’ aan het desbetreffende publiekrechtelijke voorschrift geen nadere eisen stelt naar aard en strekking.

5.4. Het tweede lid van artikel 10 bepaalt dat ‘hiervoor’ geen gemeentelijke heffingen gelden, dan wel dat deze worden gerestitueerd. Anders dan verweerder betoogt, kan de tekst van het tweede lid niet anders worden verstaan dan dat met ‘hiervoor’ niet alleen wordt bedoeld ‘voor het gebruik van de gemeentelijke eigendommen’, zoals in het eerste lid omschreven, doch tevens ‘voor de publiekrechtelijke vergunningverlening in verband met dat gebruik’. Het zwaartepunt van hetgeen door het eerste lid wordt geregeld, is immers gelegen in de kwestie van die vergunningverlening. Zulks strookt bovendien met het opschrift van artikel 10 (‘gemeentelijke heffingen’) en met de woorden van het tweede lid ‘geen recognities en dergelijke', welke begrippen telkens in het algemeen zijn gesteld en bepaalde heffingen, zoals leges, niet uitzonderen.”

2.5. Met ingang van 1 januari 2005 geldt in de gemeente Haarlem de Verordening precariobelasting (hierna: de Verordening), vastgesteld bij raadsbesluit van 12 november 2004 en gepubliceerd in de Stadskrant van 16 december 2004. De Verordening is gewijzigd bij raadsbesluit van 20 april 2005, gepubliceerd in de Stadskrant van 28 april 2005. De Verordening luidt - voor zover van belang - als volgt:

“Artikel 2: belastbaar feit

Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven van ter zake van het hebben van voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening of de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3: belastingplicht

1. De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel ten behoeve van wie de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond aanwezig zijn (...)”

3.Geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil of de aanslag precariobelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

3.2. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat verweerder ten onrechte een aanslag precariobelasting heeft opgelegd. Ter onderbouwing van dit standpunt brengt eiseres naar voren dat artikel 10 van de koopovereenkomst in de weg staat aan het heffen van precario. Dit artikel sluit heffingen in verband met het gebruik van gemeentegrond immers uit. Dit blijkt niet alleen uit de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2004, maar ook uit het feit dat verweerder niet eerder precariobelasting van eiseres heeft geheven, aldus eiseres.

Bovendien is er sprake van een gedoogplicht op grond van a) de Belemmeringenwet Privaatrecht, b) de Belemmeringenwet Verordeningen, c) de Waterleidingverordening en/of d) de koopovereenkomst van 1 juli 1996, die eveneens aan het heffen van precariobelasting in de weg staat. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat de aanslag te hoog is vastgesteld omdat verweerder van een onjuiste lengte van de waterleidingen is uitgegaan. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, primair tot vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag.

3.3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat terecht een aanslag precariobelasting aan eiseres is opgelegd. Artikel 10 van de koopovereenkomst ziet enkel op heffingen die te maken hebben met het verlenen van vergunningen. Precariobelasting valt daar niet onder. In dit kader verwijst verweerder eveneens naar de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2004. Dat de gemeente Haarlem niet eerder precariobelasting van eiseres heeft geheven, verplicht de gemeente geenszins om van heffing van precariobelasting te blijven afzien. Bovendien is er in dit geval geen sprake van een gedoogplicht die aan heffing van precariobelasting in de weg staat. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de aanslag precariobelasting tot het juiste bedrag is opgelegd. De lengte van het waterleidingnetwerk is op basis van door eiseres aangeleverde kaarten met behulp van een digitale curvimeter vastgesteld op 619,210 kilometer. Dit komt overeen met de lengte van het gasleidingnetwerk. Bovendien heeft eiseres tot op heden de door haar voorgestane lengte van 546,8 kilometer op geen enkele wijze onderbouwd, aldus verweerder. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4.Beoordeling van het geschil

4.1. Bij de beantwoording van de vraag of artikel 10 van de koopovereenkomst in de weg staat aan het heffen van precariobelasting geldt dat bij de uitleg van genoemd artikel niet alleen de letterlijke tekst daarvan doorslaggevend is, maar tevens de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling daarvan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ter zitting hebben partijen desgevraagd aangegeven geen informatie te kunnen verschaffen over de totstandkoming van de koopovereenkomst en ook niet over die van het daaraan voorafgaande aandeelhoudersconvenant, omdat zij niet aanwezig zijn geweest bij de totstandkoming hiervan en geen contact hebben gehad met personen die hierbij wel aanwezig zijn geweest. Ook hebben beide partijen aangegeven niet te beschikken over stukken die inzicht kunnen geven in de aan de totstandkoming van de koopovereenkomst voorafgaande onderhandelingen. Gelet hierop is de rechtbank bij de uitleg van de overeenkomst aangewezen op de tekst daarvan.

4.2. Bij lezing van de tekst van artikel 10 constateert de rechtbank in de eerste plaats dat niet eenduidig kan worden vastgesteld waarop het woord "hiervoor" in de in het tweede lid opgenomen zinsnede "verbinden zich hiervoor geen recognities en dergelijke te verbinden" terugslaat. Zowel de lezing van eiseres, dat "hiervoor" (ook) terugwijst naar "voor het gebruik maken van eigendommen", als de lezing van verweerder, dat "hiervoor" slechts terugwijst naar "vergunningen verlenen voor het gebruik maken", is voorstelbaar. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat met “hiervoor” niet alleen de vergunningverlening maar ook het gebruik van gemeentelijke eigendommen wordt bedoeld (zie hiervoor onder 2.4).

4.3. Bij de uitleg van artikel 10 is mede de context van deze bepaling van belang. Daarbij neemt de rechtbank in de eerste plaats in aanmerking dat het opschrift "Gemeentelijke heffingen" er op lijkt te wijzen dat hetgeen in artikel 10 wordt bepaald zich uitstrekt tot gemeentelijke heffingen in het algemeen en niet tot een of meer bepaalde heffingen in het bijzonder. Daarnaast zou de bepaling van het tweede lid van artikel 10 waar gesproken wordt van “recognities en dergelijke” onbegrijpelijk zijn als “hiervoor” geacht wordt alleen te slaan op de vergunningverlening. Een recognitie is immers een betaling voor het gebruik van andermans goed als erkenning van diens recht daarop. Een recognitie is geen belasting, maar wordt op privaatrechtelijke basis geheven. Ter zitting hebben partijen desgevraagd geen duidelijkheid kunnen verschaffen over wat onder "recognities en dergelijke" moet worden verstaan.

4.4. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de meest aannemelijke uitleg van artikel 10 van de koopovereenkomst dat daarin is bepaald dat (ook) voor het gebruik van de grond geen gemeentelijke heffing in rekening zou worden gebracht. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank nog dat in de artikelen 8, derde lid, en 13, vijfde lid, van de koopovereenkomst gedetailleerd is vastgelegd welke partij de daar specifiek omschreven kosten (kosten gemoeid met eventuele overdracht van eigendoms- en andere rechten, kosten van inschrijvingen in openbare registers en kosten die samenhangen met informatieverstrekking tussen partijen) draagt. Nu partijen in de overeenkomst de kosten die mogelijkerwijs in verband met de uitvoering van de overeenkomst verschuldigd mochten worden aan één van de partijen hebben toebedeeld, is het moeilijk voorstelbaar dat ze de verschuldigdheid van eventuele gemeentelijke heffingen niet geregeld zouden hebben.

4.5. Het vorenstaande brengt mee dat artikel 10 van de koopovereenkomst aan heffing van precariobelasting in de weg staat. Het beroep is daarom gegrond en de bestreden uitspraak en de aanslag dienen te worden vernietigd.

5.Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1,5).

6.Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de aanslag precariobelasting van 31 augustus 2005;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 966, en wijst de gemeente Haarlem aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de gemeente Haarlem het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 19 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. H.A.M. Röell-Mulder en mr. E. Jochem, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Graanstra, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.