Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0014

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
10-12-2007
Datum publicatie
12-12-2007
Zaaknummer
136982-07-2355
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de stukken is gebleken dat op 14 juni 2006 een MSN sessie tussen de huidige echtgenote van de man enerzijds en [kind 2] anderzijds heeft plaatsgevonden. In deze MSN sessie wordt door de echtgenote van de man getracht om de medewerking van [kind 2] (en [kind 1]) te verkrijgen om bij zichzelf een test af te nemen via het wangslijm, teneinde vast te stellen of de man al dan niet de biologische vader van de beide minderjarigen is. De echtgenote van de man refereert in deze sessie aan het reeds eerder met de beide minderjarigen besproken verzoek om hun medewerking daaraan te verlenen. De echtgenote van de man stelt [kind 2] op de hoogte van het feit dat voornoemde test met toestemming van de rechtbank uitgevoerd kan en mag worden. Uit de toelichting van de man ter zitting blijkt dat, in het kader van de schuldsanering van de man, toestemming is verleend om de eventuele kosten van het DNA-onderzoek voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de man in ieder geval tijdens de MSN sessie op 14 juni 2006 alsook de periode van twee weken daaraan voorafgaand, bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van de kinderen is. De man heeft eerst op 10 juli 2007 zijn verzoek bij deze rechtbank ingediend.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man niet binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van de minderjarigen is, zijn verzoek heeft ingediend. Daarom zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

ontkenning vaderschap

zaak-/rekestnr.: 136982/07-2355

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 10 december 2007

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de man,

procureur: mr. M. Stokvis,

--tegen--

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

procureur: mr. E.C.H. de Leon.

1 Verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- het op 10 juli 2007 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van de man met bijlagen;

- de ambtshalve beschikking benoeming bijzondere curator van 7 augustus 2007;

- het op 10 september 2007 ingekomen verweerschrift van de vrouw met bijlagen;

- de brief van 28 augustus 2007 van de bijzonder curator, mr. H.J. Bettink;

- de brief van de procureur van de man van 5 november 2007, met bijlagen;

en het verhandelde ter terechtzitting op 12 november 2007 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.

1.2 De minderjarigen [kind 1] en [kind 2] zijn in raadkamer gehoord.

2 De vaststaande feiten

Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken:

2.1 Partijen zijn op [datum] gehuwd, welk huwe¬lijk op [datum] is ontbon¬den door de inschrijving in de regis¬ters van de burger¬lijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum].

2.2 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarige kinderen [naam]:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam];

- [kind 2], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [naam].

2.3 Bij beschikking van deze rechtbank van 7 augustus 2007 is mr. H.J. Bettink, advocaat te Haarlem, tot bijzondere curator over de minderjarige benoemd.

3 Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1 Het verzoek van de man strekt tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van voornoemde minderjarigen.

3.2 De man heeft zijn verzoek gebaseerd op de stelling dat hij niet de biologische vader van de kinderen is.

Hij voert daartoe aan dat op 26 augustus 2006 of omstreeks voornoemde datum hem het bericht bereikte dat de vrouw gedurende zowel voor als tijdens het huwelijk seksuele relaties met anderen heeft onderhouden. Van één van die relaties heeft de man liefdesbrieven overgelegd. Hij biedt aan de ontvanger van de liefdesbrieven als getuige te laten horen.

4 Het verweer

De vrouw heeft het verzoek gemotiveerd bestreden. Zij stelt primair dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Subsidiair stelt zij dat het verzoek van de man dient te worden afgewezen. Zij betwist dat zij gedurende de relatie van partijen zowel voor als tijdens het huwelijk seksuele relaties met anderen onderhouden heeft. De vrouw en de kinderen zijn bereid hun medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek.

5 Beoordeling van het verzoek

5.1 De bijzonder curator heeft bij voormelde brief van 7 augustus 2007 te kennen gegeven dat hij een gesprek met de vrouw tezamen met de minderjarigen heeft gehad. Een aantal dagen na deze bespreking heeft hij met de minderjarigen afzonderlijk gesproken. De minderjarigen hebben beiden aangegeven dat zij, zowel qua karakter als uiterlijk, een redelijk grote gelijkenis vertonen met hun vader. De vrouw heeft te kennen gegeven geen enkele twijfel te hebben dat de man de biologische vader van de minderjarigen is. Ter zitting heeft de bijzonder curator nog naar voren gebracht dat hij zijn twijfels heeft over de tijdigheid van het indienen van het verzoek. Hij vraagt zich af of er aanknopingspunten zijn om de man ontvankelijk te verklaren dan wel om een DNA-test te doen.

5.2 Met het oog op de rechtszekerheid en het belang van de minderjarigen, verbindt de wet de mogelijkheid tot ontkenning van het vaderschap aan bepaalde termijnen. Deze termijn is ingevolge artikel 1:200, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek (BW) voor de juridische vader gesteld op een jaar nadat de man bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van de kinderen is. De rechtbank zal vooreerst beoordelen of de man ontvankelijk is in zijn verzoek.

Uit de stukken is gebleken dat op 14 juni 2006 een MSN sessie tussen de huidige echtgenote van de man enerzijds en [kind 2] anderzijds heeft plaatsgevonden. In deze MSN sessie wordt door de echtgenote van de man getracht om de medewerking van [kind 2] (en [kind 1]) te verkrijgen om bij zichzelf een test af te nemen via het wangslijm, teneinde vast te stellen of de man al dan niet de biologische vader van de beide minderjarigen is. De echtgenote van de man refereert in deze sessie aan het reeds eerder met de beide minderjarigen besproken verzoek om hun medewerking daaraan te verlenen. De echtgenote van de man stelt [kind 2] op de hoogte van het feit dat voornoemde test met toestemming van de rechtbank uitgevoerd kan en mag worden. Uit de toelichting van de man ter zitting blijkt dat, in het kader van de schuldsanering van de man, toestemming is verleend om de eventuele kosten van het DNA-onderzoek voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Naar het oordeel van de rechtbank staat daarmee vast dat de man in ieder geval tijdens de MSN sessie op 14 juni 2006 alsook de periode van twee weken daaraan voorafgaand, bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van de kinderen is. De man heeft eerst op 10 juli 2007 zijn verzoek bij deze rechtbank ingediend.

5.3 Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man niet binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van de minderjarigen is, zijn verzoek heeft ingediend. Daarom zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

5.3 De bijzonder curator heeft, overeenkomstig de wens van de beide minderjarigen, zich niet opgeworpen als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen en doet namens hen geen zelfstandig verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man.

5.4 De rechtbank passeert het bewijsaanbod van de man, onder verwijzing naar het dictum waarbij de man niet-ontvankelijk zal worden verklaard als gevolg van overschrijding van de vervaltermijn zoals bepaald in artikel 1:200, vijfde lid, Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank overweegt daartoe dat het toelaten van de man tot bewijs de termijnoverschrijding niet in een voor de man gunstige zin kan beïnvloeden.

6 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Otter en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 10 december 2007, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Ungheretti als griffier.