Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB9794

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
11-12-2007
Zaaknummer
06/11666 en 06/11667
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BH5928, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wijnaccijns. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet tijdig bezwaar heeft aangetekend tegen de voldoening van wijnaccijns voor de periode na 13.10.1989. De wetgever heeft niet voorzien in een mogelijkheid voor het maken van bezwaar op het voor de aangifte voorgeschreven model.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/11666 en AWB 06/11667

Uitspraakdatum: 6 december 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gedingen tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane West, kantoor Hoofddorp, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres heeft op 13 oktober 1989 twee verzoeken om teruggaaf van wijnaccijns ingediend voor de periode 14 oktober 1986 tot en met 13 oktober 1989. Op 31 juli 1997 en 22 augustus 1997 heeft verweerder aan eiseres teruggaaf wijnaccijns verleend voor een bedrag van respectievelijk f. 16.617,50 en f. 183.427,50.

1.2. Na door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar van

2 oktober 2006 de teruggaafbeschikkingen gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 3 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op

7 november 2006, beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2007 te Haarlem. Namens eiseres is daar verschenen haar gemachtigde, mr. A. Namens verweerder zijn verschenen mr. B en C. Partijen hebben elk een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres exploiteert een wijnhandel en importeert wijnen uit diverse landen. In het verleden heeft eiseres druivenwijn in Nederland ingevoerd uit andere lidstaten van de EG. De aangiften ten invoer zijn namens eiseres door een expediteur ingediend. Eiseres heeft de berekende wijnaccijns voldaan.

2.2. Op 13 oktober 1989 heeft eiseres twee verzoeken om teruggaaf van wijnaccijns ingediend. Het ene verzoek heeft betrekking op aangiften die zijn gedaan door expediteur D B.V., en het andere verzoek op aangiften die zijn gedaan door expediteur E B.V. De verzoeken hadden betrekking op de in de drie voorafgaande jaren betaalde wijnaccijns.

2.3. Op 17 oktober 1991 heeft verweerder eiseres een brief gezonden met een verzoek om inlichtingen. Op deze brief heeft eiseres niet gereageerd. Op 3 december 1996 heeft verweerder, na telefonisch contact met de gemachtigde van eiseres, wederom schriftelijk verzocht om inlichtingen. Op dit verzoek heeft de gemachtigde van eiseres op 11 december 1996 gereageerd. Op 18 februari 1997 heeft de gemachtigde van eiseres bescheiden gestuurd naar verweerder voor de afhandeling van de verzoeken.

2.4. Verweerder heeft in een brief van 21 februari 1997 aangegeven hoe de verzoeken / bezwaren verder zouden worden behandeld. Deze brief is de aanleiding geweest voor de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de Tariefcommissie van 24 augustus 1999, nr. 0070/98 TC.

2.5. Op 31 juli 1997 heeft verweerder eiseres beschikking Wijn [nummer] uitgereikt voor de wijnaccijns die op de tot en met 30 augustus 1989 door D B.V. ingediende aangiften is voldaan. Op 22 augustus 1997 heeft verweerder eiseres beschikking Wijn [nummer] uitgereikt voor de wijnaccijns die op de tot en met 2 oktober 1989 door E B.V. ingediende aangiften is voldaan.

2.6. De onderhavige procedure betreft aangiften ten invoer voor druivenwijn die na 13 oktober 1989 zijn ingediend. Namens eiseres is op deze aangiften het volgende vermeld:

“geadresseerde maakt bezwaar, gelet op het bepaalde in artikel 95 van het EEG-verdrag, op te betalen wijnaccijns”

Tussen partijen staat vast dat deze vermelding op alle in geding zijnde aangiften is geplaatst.

2.7. Tot de gedingstukken behoort een kopie van een Mededeling Afhandeling aangifte ten invoer van 4 december 1989 ten name van E B.V. In het vak “Verificatie mededelingen” staat het volgende vermeld onder de noemer “Bevindingen”:

“wordt niet aangemerkt als bezwaarschrift bij art. 108 AWDA.”

Tussen partijen staat vast dat de hiervoor vermelde bevinding niet op alle in geding zijnde aangiften is geplaatst.

2.8. Eiseres beschikte niet over een vergunning als bedoeld in paragraaf 6, vijfde lid, van het Voorschrift Bezwaar en beroep (hierna: het Voorschrift), op basis waarvan de vergunninghouder ten behoud van rechten een zogeheten protestclausule mocht aanbrengen op iedere aangifte ten invoer.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder terecht de teruggaaf van wijnaccijns heeft geweigerd voor de onder 2.6. bedoelde aangiften, omdat tegen deze aangiften niet tijdig bezwaar zou zijn gemaakt. Eiseres stelt zich onder meer op het standpunt dat zij bij brief van 24 november 1989 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de betaling van wijnaccijns in de toekomst, in welke brief zij tevens heeft aangekondigd op alle toekomstige aangiften de onder 2.6. opgenomen clausule te zullen vermelden. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de vermelding van de clausule op de aangifte dient te worden beschouwd als een tijdig ingediend bezwaarschrift. Verweerder bestrijdt de brief van 24 november 1989 te hebben ontvangen en stelt zich op het standpunt dat de onder 2.6 genoemde vermelding niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift.

3.2. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en verlening van een teruggaaf wijnaccijns ten bedrage van

f. 10.130,00 (€ 4.596,79) respectievelijk f. 55.238,90 (€ 25.066,32).

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel XIII, tweede lid, van de Invoeringswet Wet op de accijns blijft artikel 108 van de Algemene wet inzake de douane en de accijnzen (hierna: AWDA) van toepassing met betrekking tot bezwaren inzake wijnaccijns die vóór 1 januari 1992 is geheven. De termijn voor het maken van bezwaar tegen de onderhavige aangiften wijnaccijns bedroeg twee maanden. Eiseres heeft, tegenover de betwisting door verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat zij bij brief van 24 november 1989 bij verweerder bezwaar heeft gemaakt. Het risico dat een bezwaarschrift, dat niet aangetekend of met ontvangstbevestiging is verzonden, niet bij verweerder aankomt, komt voor rekening van eiseres.

4.2. Eiseres beschikte niet over een vergunning om de indiening van een bezwaarschrift te vervangen door de plaatsing van een protestclausule als bedoeld in paragraaf 6, vijfde lid, van het Voorschrift. Uit de gedingstukken en uit de verklaring van verweerder ter zitting leidt de rechtbank af dat het beleid was om voor de bezwaren tegen de heffing van wijnaccijns geen vergunning te verlenen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres niet bekend was met de regeling in het Voorschrift en dat zij geen vergunning heeft willen aanvragen. De rechtbank concludeert hieruit dat het standpunt van eiseres dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt, niet is gebaseerd op de regeling in het Voorschrift of tegen de weigering eiseres een vergunning te verlenen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de stelling over mogelijke strijd van de betreffende regeling met de communautaire beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid ingetrokken, zodat dit punt geen bespreking behoeft.

4.3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat artikel 108 van de AWDA, in het licht van de jurisprudentie, de mogelijkheid biedt om voortijdig bezwaar te maken. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in de belastingpraktijk van vóór 1 januari 1994, op welke datum de Awb toepasselijk werd, een vóór de termijn ingediend bezwaar ontvankelijk werd geacht ingeval aan het bestaan van de aanslag niet kon worden getwijfeld. De rechtbank is van oordeel dat het besluit waartegen bezwaar openstond op het moment van het aanbrengen van de protestclausule nog niet bestond. De rechtbank verwijst in dit verband naar de bepalingen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) over bezwaar en beroep zoals zij luidden ten tijde van de betaling van de wijnaccijns. Artikel 23 van de AWR bepaalde dat hij die bezwaar had tegen een hem opgelegde aanslag, daaronder begrepen bezwaar betreffende de in artikel 15, voorgeschreven verrekening, tegen een naheffingsaanslag of tegen een ingevolge enige bepaling van de belastingwet door de inspecteur genomen beschikking, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet of van het ter post bezorgde of uitgereikte afschrift van de beschikking een bezwaarschrift kon indienen bij de inspecteur. Artikel 24 van de AWR bepaalde dat hij die bezwaar had tegen het bedrag dat als belasting, hetzij door hem op aangifte is voldaan, hetzij door een inhoudingsplichtige van hem was ingehouden, binnen twee maanden na de voldoening of de inhouding een bezwaarschrift kon indienen bij de inspecteur. Volgens deze bepalingen ving de bezwaartermijn pas aan na de vaststelling van de aanslag c.q. de voldoening van de belasting. De rechtbank leidt uit voornoemde bepalingen af dat de wetgever niet heeft voorzien in een mogelijkheid voor het maken van bezwaar op het voor de aangifte voorgeschreven model. De rechtbank is van oordeel dat artikel 108 van de AWDA op dezelfde wijze dient te worden uitgelegd, zodat eiseres aan deze bepaling evenmin de mogelijkheid kon ontlenen om via een protestclausule op de aangifte bezwaar aan te tekenen tegen de heffing van wijnaccijns.

4.4. Uit het onder 4.3. overwogene volgt dat de onder 2.6. bedoelde vermelding naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. De jurisprudentie over vroegtijdig ingediende bezwaarschriften waarnaar eiseres heeft verwezen, kan aan dit oordeel niet afdoen. In deze zaken was sprake van een apart geschrift, dat na de aangifte werd ingediend. Dit geschrift werd aangemerkt als een bezwaarschrift indien het voldeed aan alle eisen die aan een bezwaarschrift worden gesteld. Uit deze jurisprudentie kan, anders dan eiseres stelt, niet worden afgeleid dat ook de aangifte zelf, indien voorzien van een vermelding als gedaan door of namens eiseres, als een bezwaarschrift zoals bedoeld in artikel 108 van de AWDA dient te worden aangemerkt.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat nu eiseres pas in 1997 schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de heffing van wijnaccijns voor de periode na 13 oktober 1989, de rechtbank van oordeel is dat verweerder de bezwaren van eiseres tegen de onder 1.1. genoemde teruggaafbeschikkingen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 6 december 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. G.W.S. de Groot en mr. E. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.