Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB9628

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
140689 / KG ZA 07-614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering om een 16 jarig meisje binnen twee weken op een behandelplek voor orthopedagogische zorg te plaatsen afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2008, 25
GJ 2008/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 140689 / KG ZA 07-614

Vonnis in kort geding van 7 december 2007

in de zaak van

[X],

momenteel verblijvende te Lelystad, in de Justitiële Jeugdinrichting Rentray,

eiseres,

procureur mr. J. Klaas, tevens bijzonder curator,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Jeugd en Gezin),

zetelend te ‘s-Gravenhage,

gedaagde sub 1

advocaat mr. A.C. de Die te ’s-Gravenhage,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

zetelend te Haarlem,

gedaagde sub 2,

advocaat mr. A.C. de Die te 's-Gravenhage,

3. de stichting

STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-HOLLAND, AFDELING JEUGDBESCHERMING, LOCATIE HAARLEM,

gevestigd te Haarlem,

gedaagde sub 3,

ter zitting vertegenwoordigd door mr. E. Lam, die daartoe bijzonder gevolmachtigd is,

4. de rechtspersoon

HET ZORGKANTOOR KENNERMERLAND, blijkens het verhandelde ter zitting de naamloze vennootschap Achmea Zorgkantoor N.V.,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde sub 4,

advocaat mr. A.J.H.W.M. Versteeg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [X], de Staat, de Provincie, Bureau Jeugdzorg en het Zorgkantoor genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 23 november 2007

- de pleitnota van [X]

- de pleitnota van de Staat en de Provincie

- de pleitnota van Bureau Jeugdzorg

- de memorie ten behoeve van de mondelinge behandeling en de pleitnota van

het Zorgkantoor

- het horen van [X] in raadkamer

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij beschikking van de kinderrechter van 23 januari 2007 is [X], thans 16 jaar oud, onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling voortduurt tot 23 januari 2008.

2.2. Bij beschikking van 23 januari 2007 heeft de kinderrechter ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW machtiging verleend om [X] uit huis te plaatsen in een justitiële jeugdinrichting (hierna: de machtiging) met ingang van 23 januari 2007 tot 23 april 2007. Sinds 23 januari 2007 verblijft [X] in de (gesloten) justitiële jeugdinrichting Rentray Lelystad.

2.3. Bij beschikking van 19 april 2007 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing met drie maanden verlengd. Bij beschikking van 3 juli 2007 heeft de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing, in afwachting van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek, met één maand verlengd.

2.4. Op 6 juli 2007 is het rapport van een psychodiagnostisch onderzoek van [X] door Traverse Flevoland opgemaakt (hierna: het rapport). In het rapport wordt geconcludeerd dat [X] – aansluitend op de crisisplaatsing - baat kan hebben bij een plaatsing in een besloten orthopedagogische behandelgroep en dat plaatsing in een setting voor licht verstandelijk gehandicapten geïndiceerd is, waarbij te denken valt aan een instelling als Amstelduin.

2.5. Amstelduin is een behandelinstelling in Noord-Holland die orthopedagogische zorg kan bieden aan licht verstandelijke gehandicapten jongeren.

2.6. Bureau Jeugdzorg heeft [X] naar aanleiding van het rapport zowel aangemeld voor de besloten behandelgroep van orthopedagogisch behandelcentrum Amstelduin als voor de besloten behandelgroep van de justitiële jeugdinrichting Rentray te Rekken. Zoals het zich laat aanzien zal [X] pas in de zomer van 2008 in Amstelduin terecht kunnen. Voor plaatsing in de besloten behandelgroep Rentray Rekken bestaat een wachtlijst tot december 2007.

2.7. Op 3 augustus 2007 is door het Centrum indicatiestelling zorg (hierna: CIZ) een indicatiebesluit genomen. Het besluit vermeldt dat [X] overeenkomstig de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: AWBZ) recht heeft op zorg in verband met een psychiatrische aandoening met een verstandelijke beperking en dat het Zorgkantoor ervoor moet zorgen dat [X] de zorg krijgt waarop zij volgens het CIZ recht heeft.

2.8. Op 6 augustus 2007 heeft Bureau Jeugdzorg een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 6 lid 1 Wet op de jeugdzorg (hierna: Wjz). Hierin is vermeld dat Bureau Jeugdzorg besloten heeft [X] een eerste aanspraak te verlenen op besloten behandeling in een orthopedagogische setting gericht op licht verstandelijk gehandicapten in de beperkt beveiligde justitiële jeugdinrichting Rentray Rekken. Voorts is vermeld dat [X] een tweede aanspraak heeft op opvang in de normaal beveiligde justitiële jeugdinrichting Rentray Lelystad, ter overbrugging en in afwachting van plaatsing op de besloten behandelplek. Daarnaast is begeleiding voor [X] en haar ouders vanuit De Waag in Haarlem geïndiceerd.

2.9. In verband met de wachtlijsten bij Amstelduin en Rentray Rekken heeft de gezinsvoogd, mevrouw [Y], andere mogelijkheden voor behandeling van [X] onderzocht. Er is contact geweest met Groot Emaus, maar ook daar blijkt een wachtlijst te zijn. Rentray Lelystad heeft inmiddels een behandelplan voor [X] opgesteld ter overbrugging van de tijd totdat zij op een voor haar geïndiceerde behandelplek kan worden geplaatst. In verband hiermee is [X] inmiddels van de wachtlijst van Rentray Rekken gehaald.

2.10. Bij beschikking van 9 augustus 2007 heeft de kinderrechter de duur van de machtiging uithuisplaatsing, conform het indicatiebesluit als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Wjz, verlengd tot 23 januari 2008.

2.11. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 20 november 2007 is mr. Klaas benoemd tot bijzonder curator van [X].

3. Het geschil

3.1. [X] vordert samengevat – primair gedaagden te veroordelen om haar binnen twee weken na te wijzen vonnis te plaatsen op een voor haar geïndiceerde plek (de rechtbank begrijpt: behandelplek), op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom voor iedere dag dat niet voldaan is aan het vonnis, subsidiair gedaagden te veroordelen binnen vier weken een plan te presenteren waarin staat hoe en op welke termijn gedaagden de situatie willen oplossen.

3.2. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van een spoedeisend belang van eiseres is in voldoende mate gebleken.

4.2. De vordering is ingesteld door de minderjarige [X]. Nu mr. Klaas als bijzonder curator en daarmee wettelijke vertegenwoordiger van eiseres toestemming heeft verleend om de onderhavige procedure te voeren en haar in rechte vertegenwoordigt, zal [X] worden ontvangen in haar vordering.

4.3. [X] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat gedaagden het in hun macht hebben haar op een voor haar geïndiceerde plek te plaatsen en dat zij gezamenlijk de verantwoordelijkheid hebben voor haar behandeling. Het niet op korte termijn plaatsen op een zodanige plek levert een onrechtmatige daad op. Gedaagden schenden hiermee het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De raadsman van [X] heeft in dit verband gesteld dat het niet uitmaakt wie van de gedaagden het probleem oplost, als het maar opgelost wordt.

4.4. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat een spoedige plaatsing van [X] op een voor haar geïndiceerde behandelplek van groot belang en gewenst is. De voorzieningenrechter heeft dan ook begrip voor de hartenkreet van de raadsman van [X], zoals weergegeven in de laatste volzin van overweging ?4.3. Dit laat echter onverlet dat het toewijzen van het gevorderde pas aan de orde kan komen wanneer vast komt te staan dat een of meer gedaagden jegens [X] onrechtmatig hebben gehandeld. De onwenselijkheid van de bestaande situatie is daartoe onvoldoende.

De vorderingen jegens Bureau Jeugdzorg

4.5. Bureau Jeugdzorg heeft primair het verweer gevoerd dat [X] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen. Dit verweer slaagt. Op basis van de door de kinderrechter verleende machtiging kon [X] worden ondergebracht in een justitiële jeugdinrichting als Rentray Lelystad. Nadat [X] aldaar geplaatst was, heeft Bureau Jeugdzorg conform artikel 6 lid 1 Wjz het in ?2.8 genoemde indicatiebesluit genomen, opdat [X] aanspraak kan maken op de voor haar benodigde jeugdzorg. Het is niet aan het Bureau Jeugdzorg in welke inrichting [X] voor de voor haar geïndiceerde behandeling geplaatst zal worden. Het Bureau Jeugdzorg heeft ingevolge de Wjz tot taak jeugdigen aanspraak te verlenen op jeugdzorg, maar zij heeft geen zeggenschap en verantwoordelijkheid over de plaatsing van deze jeugdigen in inrichtingen/AWBZ-voorzieningen, zodat zij wettelijk niet kan voldoen aan hetgeen is gevorderd. [X] zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen jegens Bureau Jeugdzorg.

De vorderingen jegens de Staat en de Provincie

4.6. De bijzonder curator heeft zich, niettegenstaande hetgeen in het petitum van de dagvaarding staat vermeld, ter toelichting op zijn vorderingen uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat zijn primaire vordering er niet toe strekt om [X] bij het plaatsen op een geïndiceerde behandelplek voorrang te verlenen ten opzichte van andere personen op de wachtlijst, doch gedaagden te veroordelen om de ernstige situatie met betrekking tot de wachtlijsten niet te laten voortbestaan. Aldus opgevat komt de vordering van [X], zoals de advocaat van de Staat en de Provincie terecht betoogt, neer op het verkrijgen van een verklaring voor recht waarvoor een kort geding zich niet leent.

4.7. Voor zover de vordering van [X] evenwel strekt tot het direct plaatsen van [X] op een voor haar geïndiceerde behandelplek overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.8. [X] heeft overeenkomstig het onder ?2.7 weergegeven besluit en het bepaalde in artikel 6 lid 3 AWBZ een aanspraak op zorg jegens haar zorgverzekeraar (de uitvoering van deze verplichting geschiedt door het Zorgkantoor) en niet jegens de Staat of de Provincie. Deze handelen derhalve in beginsel niet onrechtmatig jegens [X] voor zover zij haar aanspraak op grond van voornoemd besluit niet geldend kan maken.

4.9. Voor zover [X] stelt dat het aan het (financiële) beleid van de Staat te wijten is dat er onvoldoende voor haar geïndiceerde behandelplaatsen beschikbaar zijn, waardoor zij op een wachtlijst is komen te staan, overweegt de voorzieningenrechter dat, wat ook van de juistheid van die stelling zij, daarmee niet gegeven is dat de Staat jegens haar onrechtmatig handelt. [X] heeft haar stelling in dit verband tegenover de gemotiveerde betwisting door de Staat - onder andere gelegen in de stelling dat er voldoende budget beschikbaar is maar dat de Staat niet bij machte is extra opvangcapaciteit bij privaatrechtelijke rechtspersonen af te dwingen – onvoldoende gesubstantieerd.

4.10. De Provincie heeft onweersproken gesteld dat de aan [X] overeenkomstig het hierboven weergegeven indicatiebesluit toekomende aanspraak (op geïndiceerde zorg), geen aanspraak op jeugdzorg als bedoeld in de Wjz betreft, zodat er geen grondslag is om de Provincie aan te spreken op haar zorgplicht. [X] heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de Provincie onrechtmatig jegens haar handelt voor zover zij haar aanspraak op grond van voornoemd besluit niet geldend kan maken.

4.11. [X] is overeenkomstig haar uit de onder ?2.8 weergegeven indicatiebesluit voortvloeiende tweede aanspraak binnen drie maanden geplaatst in Rentray Lelystad voor overbruggingszorg in afwachting van plaatsing in de behandelinrichting. De grondslag hiervoor is artikel 9 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (hierna: Bjj). In zoverre heeft de Staat aan zijn wettelijke verplichtingen voldaan. De Bjj bevat geen termijn waarbinnen een ondertoezicht gestelde en uit huis geplaatste jeugdige in een behandelinrichting dient te zijn geplaatst. In het Convenant Crisisplaatsingen ots- en voogdijpupillen in justitiële jeugdinrichtingen is wel opgenomen dat ernaar wordt gestreefd om binnen 13 weken een behandelplaats te vinden, maar dit betreft geen rechtens afdwingbare termijn. Artikel 11a Bjj waarin aanspraak op plaatsing is neergelegd is nog niet in werking getreden. Aldus is de Staat niet gebonden aan een wettelijke termijn om ervoor te zorgen dat [X] in een behandelinrichting wordt geplaatst.

4.12. Volgens [X] handelt de Staat in strijd met de artikelen 3 lid 2, 4, 6 lid 2, 18, 20 en 37 sub b van het IVRK en artikel 5 lid 1 sub d van het EVRM door haar niet te plaatsen op een voor haar geschikte behandelplek. Dit betoog treft geen doel. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevatten de artikelen 3 en 37 van het IVRK gelet op de formulering, geen normen die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar zijn. Binnen het beperkte toetsingskader van dit kort geding is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat dit evenzeer geldt voor de artikelen 4, 6 lid 2, 18 en 20 van het IVRK, zodat daarop geen beroep kan worden gedaan.

4.13. Een vergelijking met de door [X] aangehaalde uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 29 februari 1988 in de zaak Bouamar tegen België (nr. 22/1986/120/169) gaat niet op. Anders dan in het in genoemde uitspraak berechte geval betreft het in het onderhavige geval een gesloten plaatsing van een minderjarige in een inrichting in een groep die uitsluitend bestaat uit civielrechtelijk geplaatste jeugdigen. Weliswaar zijn ook zij door het gesloten karakter van de inrichting onderworpen aan een streng regime, doch kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gezegd dat er sprake is van een voorziening die ongeschikt is voor opvoedkundige doeleinden. De Staat heeft in dit verband onvoldoende weersproken gesteld dat er begeleiding en zorg is voor [X] en dat zij een behandelprogramma volgt. Niet gezegd kan worden dat de Staat met deze plaatsing en het (voorlopig) voortduren daarvan in strijd handelt met artikel 5 lid 1 sub d EVRM.

4.14. De Staat heeft terecht het verweer gevoerd dat de door [X] aangehaalde uitspraak van het EHRM in de zaak D.G. tegen Ierland van 16 mei 2002 (nr. 39474/98) in dit geval niet van toepassing is. In die zaak heeft het EHRM bepaald dat wanneer een jeugdige in een jeugdgevangenis wordt geplaatst, terwijl er geen opvoedkundige faciliteiten in het land beschikbaar zijn, een dergelijke plaatsing niet kan worden gezien als tijdelijk. In dergelijke omstandigheden is sprake van een schending van artikel 5 lid 1 sub d EVRM. Deze situatie is echter niet vergelijkbaar met Nederland waar wel behandelinrichtingen, zij het in onvoldoende mate, voorhanden zijn. Het gaat hier om een tijdelijke plaatsing totdat overplaatsing naar een behandelinstelling mogelijk is. In zoverre is derhalve evenmin sprake van handelingen in strijd met artikel 5 lid 1 sub d EVRM.

4.15. Niet gebleken is dat er omstandigheden zijn die ertoe nopen [X] met voorbijgaan aan de wachtlijsten met voorrang op een voor haar geïndiceerde behandeplek te plaatsen. De voorzieningenrechter acht de enkele stelling van mr. Klaas dat het algemeen bekend is dat een jongere er slechter op wordt als hij lang op zijn geïndiceerde behandeling moet wachten daartoe onvoldoende. Hierbij tekent de voorzieningenrechter aan, dat de advocaat van de Staat onweersproken heeft gesteld dat inmiddels een behandelplan voor [X] is en wordt opgesteld voor de tijd tot het moment dat zij op een voor haar geïndiceerde behandelplek zal worden geplaatst. Dat de uit dit behandelplan voortvloeiende behandeling wellicht niet gelijkwaardig is te achten aan de voor [X] geïndiceerde behandeling, leidt niet tot een ander oordeel.

4.16. Ook overigens is niet gebleken dat de Staat of de Provincie ten aanzien van [X] willekeurig of onrechtmatig handelen verweten kan worden door haar niet met voorrang op een voor haar geïndiceerde behandelplek te plaatsen.

4.17. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de Staat en de Provincie onrechtmatig jegens [X] handelen.

De vorderingen jegens het Zorgkantoor

4.18. Het Zorgkantoor erkent dat op haar materieel de plicht rust om er zorg voor te dragen dat verzekerden in de zin van de AWBZ hun aanspraak op zorg geldend kunnen maken. Het Zorgkantoor heeft hierbij opgemerkt dat zij uit de haar ter beschikking staande gegevens niet kan afleiden welke zorg [X] op dit moment ontvangt. Mocht blijken dat er thans twee indicaties van kracht zijn die beide aanspraak geven op zorg, dan volgt uit de rangorde van de Wjz en de AWBZ dat de aanspraak ingevolge de Wjz voorgaat. Het Zorgkantoor stelt voorts dat zij gebonden is aan de wettelijke beperkingen die de minister van VWS stelt aan de capaciteit van de instellingen die de voor [X] geïndiceerde zorg bieden. Zij mag deze zorg niet zelf bieden en zij heeft geen middelen de minister van VWS te dwingen de capaciteit te verruimen. Wanneer een zorgkantoor de volledige, rechtmatig beschikbare capaciteit heeft gecontracteerd, kan haar rechtens niet het verwijt treffen dat zij tekort schiet in de nakoming van de op haar rustende verplichtingen. Voorts wijst het Zorgkantoor er op dat zij heeft onderzocht of [X] in Amstelduin geplaatst kon worden. Toen het niet mogelijk bleek om de wachttijd van een jaar te bekorten, heeft het Zorgkantoor door tussenkomst van mevrouw [Y] (gezinsvoogd) een overbruggingsplek gevonden bij Vivence te Apeldoorn alwaar [X] onmiddellijk terecht kon. [X] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

4.19. [X] heeft onvoldoende weersproken dat het Zorgkantoor is gebonden aan de beschikbare capaciteit en op de omvang hiervan geen invloed heeft. Hierbij tekent de voorzieningenrechter aan dat gesteld noch gebleken is dat de overbruggingsplek bij Vivence te Apeldoorn geen acceptabel alternatief zou zijn gedurende de periode dat Amstelduin geen plaats heeft. Hoewel de voorzieningenrechter er begrip voor heeft dat [X] dicht bij huis behandeld wil worden, en haar kan volgen in haar stelling dat Amstelduin het beste past in de behandeling die voor haar zorg is geïndiceerd, kan het Zorgkantoor onder deze omstandigheden niet worden toegerekend dat [X] niet onmiddellijk in Amstelduin kan worden geplaatst en nog daargelaten, zoals het Zorgkantoor onweersproken heeft gesteld, het Zorgkantoor niet de zeggenschap heeft over de capaciteit van Amstelduin. Voorts heeft het Zorgkantoor een alternatief geboden waarvan [X] om haar moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt. Onder deze omstandigheden kan [X] niet worden gevolgd in haar stelling dat het Zorgkantoor onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld.

Conclusie

4.20. Hoewel alle betrokkenen het erover eens zijn dat een spoedige plaatsing van [X] op een voor haar geïndiceerde en geschikte behandelplek van groot belang is, kan niet worden gezegd dat de Staat, de Provincie en het Zorgkantoor onrechtmatig jegens haar handelen. Hieruit volgt dat de vorderingen moeten worden afgewezen.

Proceskosten

4.21. Nu het Bureau en het Zorgkantoor geen aanspraak maken op een kostenveroordeling en gelet op de bijzondere positie van een minderjarige in deze procedure bestaat er aanleiding de proceskosten te compenseren.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens Bureau Jeugdzorg,

5.2. wijst de vorderingen jegens de Staat af,

5.3. wijst de vorderingen jegens de Provincie af,

5.4. wijst de vorderingen jegens het Zorgkantoor af,

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van Andel en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2007.?