Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB8733

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
06/8971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet aan haar te wijten is dat A BV aan de verplichting heeft voldaan tot het tijdig melden van de betalingsonmacht. De stelling van eiseres dat zij meende te kunnen vertrouwen op haar medewerker onslaat haar niet van de verplcihting daarop toe te zien en ontheft haar evenmin van haar verantwoordelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 188
FutD 2008-0153
V-N 2008/31.23

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 06/8971

Uitspraak in het geding tussen:

X, wonende te Y, eiseres,

en

de ontvanger van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Eiseres is door verweerder aansprakelijk gesteld voor de aan de A BV (hierna: A) opgelegde en de door deze vennootschap onbetaald gebleven naheffingsaanslag loonbelasting en premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 (hierna: de naheffingsaanslag), de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente en de gelijktijdig opgelegde boete.

1.2. Eiseres heeft tegen deze aansprakelijkstelling bezwaar gemaakt. Verweerder heeft de aansprakelijkstelling bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

1.3. Eiseres is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Bij het onderzoek ter zitting van 12 juli 2007 te Haarlem zijn verschenen en gehoord eiseres, tot bijstand vergezeld van haar gemachtigde mr. B, de heer C en haar dochter, alsmede verweerder, tot bijstand vergezeld van D.

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. Feiten

2.1. Eiseres is sedert 28 maart 1991 directeur en enig aandeelhoudster van A.

2.2. Aan A is de naheffingsaanslag opgelegd tot een bedrag van € 21.934 verhoogd met een bedrag van € 1.328 aan heffingsrente. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag is een boete opgelegd van € 5.482.

2.3. De naheffingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van een bij A ingesteld boekenonderzoek waarbij een deel van de door A geclaimde afdrachtvermindering lage lonen is geweigerd omdat - in de visie van de Inspecteur - de deeltijdfactor niet correct is toegepast en nachttoeslagen en centralistenvergoedingen ten onrechte niet zijn meegenomen in het te hanteren toetsloon.

De naheffingsaanslag valt uiteen in de volgende onderdelen:

- correctie deeltijdfactor en centralistenvergoedingen € 8.300

- correctie nachttoeslagen € 13.634

totaal € 21.934

Bij het voor de afdrachtvermindering te hanteren toetsloon is door A wel de arbeidsbeloning voor het rijden van nachtritten begrepen, maar is geen rekening gehouden met de daarbij gegeven nachttoeslagen.

2.4. De naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 28 november 2003. Op 27 april 2005 is A gefailleerd. De naheffingsaanslag is geheel onbetaald gebleven.

Op 12 mei 2005 is ten aanzien van de naheffingsaanslag een mededeling betalingsonmacht gedaan. In een toelichting bij de mededeling wordt opgemerkt dat al sedert 1 september 2003 binnen A geen activiteiten meer plaatsvinden, en dat voorafgaande aan het faillissement besprekingen zijn gevoerd met de diverse crediteuren teneinde te komen tot een schikking voor de (gedeeltelijke) betaling van de nog openstaande schulden. Bij brief van 26 mei 2005 heeft verweerder de mededeling betalingsonmacht als niet rechtsgeldig aangemerkt aangezien de mededeling, in zijn visie, niet tijdig is gedaan.

Met dagtekening 3 februari 2006 is eiseres door verweerder aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslag, de heffingsrente en invorderingsrente, vervolgings¬kosten en de boete.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht eiseres aansprakelijk heeft gesteld voor de door A onbetaald gebleven naheffingsaanslag, de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente en de gelijktijdig opgelegde boete.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

3.2. Indien eiseres aansprakelijk kan worden gesteld voor de naheffingsaanslag, is vervolgens tussen partijen in geschil of de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is opgelegd.

De naheffingsaanslag is tot een bedrag van € 8.300 niet in geschil. Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag voor het resterende bedrag van € 13.634 (samenhangend met het al dan niet opnemen van de nachttoeslagen) terecht is opgelegd.

Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en verweerder bevestigend.

3.3. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hun toelichting ter zitting.

3.4. Verweerder heeft ter zitting, het voorlopig oordeel van de rechtbank gehoord hebbende, zijn standpunt dat eiseres mede aansprakelijk is voor de aan A opgelegde vervolgingskosten en boete, laten varen. De aansprakelijkstelling beperkt zich alsdan tot de opgelegde naheffingsaanslag en de in rekening gebrachte heffingsrente, en daarmee tot een totaal bedrag van € 23.262.

3.5. Eiseres concludeert primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak en de aansprakelijkstelling en (zo begrijpt de rechtbank) subsidiair tot vermindering van de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 8.300.

Verweerder concludeert, overeenkomstig het ter zitting ingenomen standpunt, tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot vermindering van de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 23.262.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In artikel 36 van de Invorderingswet (hierna: Inv.) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

1. Hoofdelijk aansprakelijk is voor de loonbelasting (…) verschuldigd door een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dat volledig rechtsbevoegd is, voor zover het aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen: ieder van de bestuurders overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden.

2. Het lichaam als bedoeld in het eerste lid is verplicht om onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling van loonbelasting (…) in staat is, daarvan mededeling te doen aan de ontvanger en, indien de ontvanger dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd om namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inhoud van de mededeling, de aard en de inhoud van de te verstrekken inlichtingen en de over te leggen stukken, alsmede de termijnen waarbinnen het doen van de mededeling, het verstrekken van de inlichtingen en het overleggen van de stukken dienen te geschieden.

3. Indien het lichaam op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de mededeling.

4. Indien het lichaam niet of niet op juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is een bestuurder op de voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk, met dien verstande dat wordt vermoed dat de niet betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaren wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van het vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem is te wijten dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de mededeling betalingsonmacht door A te laat is gedaan.

4.3. Op eiseres, als enig bestuurder van A, rust de verplichting tot tijdige melding van betalingsonmacht, dan wel de plicht er zorg voor te dragen dat deze melding tijdig wordt gedaan door een medewerker van A of door een adviseur van A.

4.4. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet aan haar is te wijten dat A niet aan de verplichting heeft voldaan tot het tijdig melden van de betalingsonmacht. De enkele verwijzing naar de taken en verantwoordelijkheden van haar medewerkers en haar adviseur, is daartoe onvoldoende.

De rechtbank heeft zeker begrip voor de stelling van eiseres dat zij meende er op te kunnen vertrouwen dat bedoelde melding door een medewerker (zoals de bedrijfsleider) of adviseur (zoals de extern accountant/fiscalist) zou worden gedaan, indien en zodra daar aanleiding toe was. Echter, dit ontslaat haar niet van haar verplichting daarop toe te zien en ontheft haar evenmin van haar verantwoordelijkheid in het geval bedoelde melding te laat wordt gedaan.

4.5. Nu de betalingsonmacht niet tijdig en daarmee niet rechtsgeldig is gedaan en eiseres niet kan worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, heeft verweerder eiseres terecht aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslag en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.

4.6. De stelling van eiseres dat geen sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur (hetgeen door verweerder ter zitting niet is weersproken) kan onbesproken blijven nu de aansprakelijkstelling niet is gebaseerd op vermeend onbehoorlijk bestuur maar voortvloeit uit het niet tijdig melden van de betalingsonmacht.

De rechtbank merkt in dit verband op dat de aansprakelijkstelling op grond van artikel 36 Inv. niet alleen is bedoeld als sanctie op onbehoorlijk bestuur maar tevens is bedoeld om de ontvanger der rijksbelastingen in staat te stellen tijdig (bijzondere) invorderingsmaatregelen te treffen. Door de betalingsonmacht niet tijdig te melden, is verweerder deze mogelijkheid onthouden.

4.7. Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag, overweegt de rechtbank als volgt.

Van de naheffingsaanslag is de correctie tot een bedrag van € 8.300 (samenhangend met de deeltijdfactor en centralistenvergoedingen) tussen partijen niet in geschil.

Ten aanzien van de resterende correctie ad € 13.634 (die ziet op de nachttoeslag) heeft eiseres niet of onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bedoelde toeslag is aan te merken als incidenteel overwerk dat niet hoeft te worden meegenomen bij de berekening van het toetsloon. Veeleer is aannemelijk, zeker nu eiseres ter zitting de stelling van verweerder heeft bevestigd dat sprake is van het ruim van tevoren als ploegendiensten inroosteren van deze nachtdiensten, dat sprake is van reguliere werkzaamheden waarvan de onregelmatigheidstoeslag ten onrechte buiten beschouwing is gebleven bij het vaststellen van het toetsloon.

Dit oordeel vindt bevestiging in de omstandigheid dat, anders dan de toeslag, door A de arbeidsbeloning voor de nachtdienst wel is meegenomen bij de vaststelling van het toetsloon. Niet valt in te zien dat waar de arbeidsbeloning is aangemerkt als regulier loon, de daarmee samenhangende toeslag zou moeten worden aangemerkt als overwerk.

Nu de berekening op zich niet wordt betwist, volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat de naheffingsaanslag - waarvoor eiseres aansprakelijk is gesteld – naar het juiste bedrag is opgelegd.

4.8. Ten aanzien van het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar het uitblijven van een overeenkomstige fiscale correctie bij E te Z, overweegt de rechtbank als volgt.

Zo eiseres al moet worden gevolgd in haar stelling dat bij E (alwaar sprake zou zijn geweest van dezelfde omstandigheden) door de Inspecteur geen correctie afdrachtvermindering is toegepast, kan haar dat niet baten nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een begunstigend beleid en voorts niet is voldaan aan het vereiste voor toepassing van meerderheidsbeginsel aangezien eiseres slechts één met haar vergelijkbaar geval heeft kunnen noemen.

4.9. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres terecht en voor het juiste bedrag aansprakelijk heeft gesteld.

Het beroep is in zoverre gegrond dat, overeenkomstig het ter zitting door verweerder nader ingenomen standpunt, de aansprakelijkstelling moet worden verminderd tot een bedrag van € 23.262.

5. Proceskosten

De proceskosten van eiseres zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op € 644 (twee punten maal € 322 maal wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert het bedrag van de aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 23.262;

- gelast dat de Staat aan eiseres vergoedt het door deze gestorte griffierecht van € 38;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres voor een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. A.M. van Amsterdam, voorzitter, R.H.M. Bruin en G.W.J. Harten, rechters. De beslissing is op 28 augustus 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh - Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.