Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB8483

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
06/113
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van uitdeling van winst aan de aandeelhouder. Afwaardering van de lening kan, maar niet tot nihil zoals eiseres voorstaat. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 25
FutD 2007-2258
V-N 2008/20.13

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/113

Uitspraakdatum: 4 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 75.872.

Verweerder heeft bij uitspraak van 4 november 2005 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen deze uitspraak bij brief van 13 december 2005, ontvangen bij de rechtbank op die dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2007 te Haarlem. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde drs. B. Namens verweerder zijn verschenen mr. C en D.

Het beroep is ter zitting behandeld gelijktijdig met het beroep dat bij de rechtbank is geadministreerd onder het registratienummer 05/4870, betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1999, alsmede een verzuimboete, ten name van A.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres is 100% aandeelhoudster van S B.V., een vennootschap die als franchisenemer een zevental H vestigingen exploiteert. Eiseres en S B.V. vormen samen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2.2. Blijkens de statuten is het doel van eiseres onder meer “het beleggen in vermogenswaarden, in het bijzonder in onroerende zaken, effecten en schuldvorderingen”.

2.3. A (hierna ook: A) is directeur en enig aandeelhouder van eiseres. E is de levenspartner van de heer A.

2.4. Eiseres is tezamen met zeven andere franchisenemers van H (hierna tezamen: de investeerders) als financier betrokken geraakt bij een project in Frankrijk.

2.5. De investeerders hebben in totaal een bedrag van ƒ 1.900.000 (€ 862.182) gestort ten behoeve van N Holding B.V. Dit bedrag is aangewend voor de aankoop van een kasteel met 12 ha grond in Frankrijk.

2.6. N Holding B.V. is een vennootschap waarvan de aandelen werden gehouden door een op 22 april 1999 opgericht administratiekantoor “F”. Dit administratiekantoor is opgericht door één van de investeerders, die op dat moment enig bestuurslid van de stichting was. Op dezelfde dag, 22 april 1999, heeft het administratiekantoor de aandelen N Holding B.V. voor een bedrag van ƒ 10.000 gekocht van een derde.

2.7. Eiseres heeft op 29 mei 1999 een bedrag van ƒ 250.000 (€ 113.445) overgemaakt op een bankrekeningnummer ten name van AA B.V., ten behoeve van N Holding B.V.. Deze geldverstrekking is in de jaarrekening van 1999 van eiseres opgenomen.

Ter zake van deze geldverstrekking is op 23 september 2002 een schriftelijke overeenkomst van geldlening opgemaakt tussen eiseres en N Holding B.V.. Genoemde overeenkomst bepaalt – voor zover hier van belang het volgende:

(..)

Artikel 2: Rente

De schuldenaar is niet verplicht over de geleende hoofdsom, of het restant daarvan, aan de schuldeiser een rentevergoeding te betalen.

Artikel 3: Aflossing

De schuldenaar is niet verplicht op de geleende hoofdsom, of het restant daarvan, aan de schuldeiser aflossingen te betalen.

Artikel 4: Achterstelling

De lening is achtergesteld ten opzichte van alle bestaande en toekomstige schulden die de schuldenaar heeft aan een bankinstelling/financiële instelling.

(...)

2.8. Aanvankelijk was het de bedoeling van de investeerders om het kasteel te slopen en er woningen te bouwen dan wel het kasteel te verbouwen tot koopappartementen.

2.9. In een brief van 8 november 2001 van een accountant aan een van de investeerders (M) betreffende “Participatie in N Holding B.V.” staat onder meer het volgende:

“U heeft ons verzocht advies uit te brengen inzake u participatie in N Holding B.V. In 1999 heeft u samen met een aantal participanten een bedrag (in uw geval ƒ 150.000) betaald als investering in een onroerend goed project in Frankrijk. Naar het zich nu laat aanzien moet er aanzienlijk meer worden geïnvesteerd om hieruit in de verre toekomst een mogelijk rendement te halen.

(...)

In N Holding B.V. wordt in totaal door de volgende personen een bedrag van ƒ 1.900.000 gestort. (...)

Het bedrag ad. ƒ 1.900.000 wordt als volgt besteed:

1. Aankoop kasteel met 12 ha. grond ƒ 1.000.000

2. Aanloopkosten en diversen ƒ 600.000

3. Ingediende termijnen inzake verbouwing ƒ 300.000.

De grond waarvan de waarde wordt gesteld op ƒ 500.000 wordt afgesplitst en overgedragen aan een vennootschap “BB”. De tegenprestatie hiervoor is een zg. “dienstenovereenkomst”.

Na verloop van tijd blijkt dat ondanks de aanloopkosten en de ingediende termijnen er niets is gedaan aan het kasteel. De partij die dit zou verzorgen (eigenaar van de vennootschap “BB”) blijkt een onbetrouwbare partner te zijn met een zeer slechts financiële positie en stevent af op een faillissement.

Om de schade hiervan te beperken wordt besloten de grond vanuit de vennootschap “AA” over te dragen aan twee nieuw opgerichte vennootschappen. Het bloot eigendom wordt overgedragen aan “CC”” (aandeelhouders hiervan zijn de echtgenoten van V en K). Het vruchtgebruik wordt overgedragen aan “DD” (aandeelhouders hiervan zijn V en K).

Om het project gaande te houden is door partijen H, V en K nog een bedrag betaald van ƒ 1.000.000.

Ondanks deze inspanningen wordt er gesteld dat het project op dit moment geen waarde heeft. Om tot exploitatie over te gaan dient er ingrijpend te worden verbouwd. De participanten cq. partners wordt verzocht hun positie te bezien. Hierbij zijn een aantal varianten aan de orde geweest waar wij hier vooralsnog niet in detail op ingaan.

(...)

Van een aantal participanten cq. partners wordt voor maandag a.s. een standpunt verwacht aangaande continuering van het project (aanblijven als partner of participant, het wel of niet extra investeren e.d.). In de geschetste situatie adviseren wij u het volgende:

1. de grond dient op korte termijn in eigendom te komen van de oorspronkelijke participanten;

2. de stichting [rechtbank:: bedoeld wordt Stichting administratiekantoor “F”] dient alsnog de certificaten uit te geven;

3. alsnog opmaken van leningsovereenkomsten;

4. er dient een volledige financiële verantwoording te worden afgelegd;

5. actuele taxatie van het project met de grond door twee nader aan te wijzen taxateurs teneinde inzicht te krijgen in de actuele waarde van dit project.

Op basis van deze gegevens kan een verantwoorde keuze worden gemaakt aangaande het wel of niet continueren van dit project.”

2.10. In een brief van 1 mei 2002 van een van de investeerders (V) gericht aan één van de andere investeerders (M) betreffende verantwoording van het project, staat onder meer:

“(...) Eind april 1999 is door N Holding B.V. het kasteel met ondergrond in Frankrijk gekocht en is tevens door N Holding B.V. een raamovereenkomst gesloten met AA France SARL, deze raamovereenkomst bestond uit een drietal overeenkomsten, te weten:

- Aannemingsovereenkomst ter verbouwing van het kasteel;

- Dienstenovereenkomst ter realisatie van het project;

- Overeenkomst met recht van overpad tot het kasteel en een eeuwigdurend gebruiksrecht van 10 meter van de grond rondom het kasteel.

De resterende grond, 12 hectare minus de ondergrond van het kasteel, is gekocht door AA France SARL met geld van N Holding B.V., hiertegenover stond de dienstenovereenkomst ter realisatie van het project.

Voor deze constructie is gekozen, omdat indien de grond gekocht werd door N Holding B.V. er bij verkoop aan de huizenbezitters voortdurend een voorkeursecht van de franse wijnboeren zou zijn op koop van de grond en zodoende het project in gevaar kon komen.

Op basis van de raamovereenkomst was N Holding B.V. geld verschuldigd aan AA France SARL en zodoende is er door N Holding B.V. over de periode april 1999 t/m juli 1999 ƒ 775.000 betaald aan AA France SARL

(...).

Doordat mij tijdens een bezoek aan Frankrijk eind juli 1999 werd geconstateerd dat er niets aan het kasteel was gedaan eiste ik van I inzage in zijn boeken, een onderzoek wat in augustus 1999 door mijn kantoor is uitgevoerd en waaruit bleek dat een faillissement van de Ch groep onafwendbaar was.

De gestorte gelden waren gebruikt om de aanloopkosten van het project te financieren en een deel was gebruikt voor de slechte liquiditeitspositie van de Ch groep.

Ch C B.V. was de persoonlijke holding van de heer F (100% aandeelhouder), de dochters waren A I B.V., A U B.V. en AA BV..

AA France SARL was de dochter van AA BV.

Door het faillissement van de Ch groep zou de grond in Frankrijk in handen komen van de curator, immers de grond zat in AA France SARL, dit moest voorkomen worden, omdat dan het project als verloren diende te worden beschouwd.

(...)

Na overleg met de notaris in Frankrijk werd de grond overgeheveld van AA Franse SARL naar twee franse vennootschappen (...). De aandeelhouder van deze vennootschappen zijn de heer K, mevrouw K, ondergetekende en mevrouw V

(...)

Door de heer K en mij werd van de heer De J (alweer) J Pensioen B.V. overgenomen en met een statutenwijziging werd de naam veranderd in AA Nederland B.V., hierin werd het totale project Frankrijk ondergebracht, de heer I werd benoemd tot directeur (...), een kantoor werd aangehuurd in XX.

Door AA Nederland B.V. werden voor het faillissement van Ch C B.V. de aandelen in AA France SARL gekocht, omdat hier de bouwvergunning van het kasteel in zat en zit.

(...)

Toen begin 2001 bleek dat de POS [rechtbank: bestemmingsplanwijziging] niet afgegeven werd en dat er in tegenstelling tot eerdere berichten grote tegenstand tegen het project in Frankrijk was, hebben de heer K en ik besloten om de activiteiten van AA Nederland B.V. te ontbinden, het kantoor in XX werd gesloten, de medewerkers en de directeur werden ontslagen.

Omdat nu duidelijk was dat de huizen in ieder geval de komende jaren niet gebouwd zouden worden was herbezinning op het project noodzakelijk.”

2.11. Op verzoek van N Holding B.V. is in 2003 is een ondernemingsplan opgesteld, waarin als doelstelling is geformuleerd de realisatie van een châteauhotel-wellnesscentrum.

2.12. N Holding B.V. is in april 2004 failliet gegaan.

2.13. In een verslag derdenonderzoek bij N Holding B.V. met dagtekening 16 november 2004, waarbij verweerder en de curator van N Holding B.V. aanwezig waren, staat onder meer:

“Inzake het faillissement van N Holding BV is er eigenlijk maar één schuldeiser. De rechter heeft namelijk beslist dat N Holding BV € 54.000 aan [X] moet betalen (...). Deze betaling heeft N Holding B.V. niet verricht en daarom heeft [X] het faillissement van N Holding BV aangevraagd. Voor de rest zijn alleen de acht personen die geld hebben geïnvesteerd in N Holding schuldeisers. De [curator] zegt dat het eigenlijk aandeelhouders zijn want er zouden certificaten uitgegeven worden. Dit is echter niet gebeurd.

Op 15 november jl. heeft hij een bespreking gehad met de acht investeerders (...). Tijdens dit gesprek heeft [de curator] aan de acht investeerders gevraagd of er soms sprake was van een achter gestelde lening(en). Op dat moment bleven alle aanwezigen stil, er werd niet bevestigend geantwoord. [De curator] is er derhalve van uitgegaan dat er geen sprake was van een achtergestelde lening. In de administratie van N Holding BV zitten ook helemaal geen leningovereenkomsten. (...).

De waarde van het kasteel en de grond is onzeker. De grond en het kasteel zijn eerst afzonderlijk getaxeerd en daarbij kwam men op een waarde van € 100.000 voor het kasteel en € 44.000 voor de grond. Later zijn de grond en het kasteel samen getaxeerd en zou de waarde € 350.000 zijn (...). De taxatie is echter uitgevoerd door een van de investeerder (...) die zelf het kasteel en de grond wil overnemen. Op basis van de € 350.000 waarde is een principe akkoord bereikt over de verdeling tussen de schuldeisers. Alle acht investeerders krijgen € 25.000 uitgekeerd. Alleen de heer A is het hier niet mee eens omdat hij twijfelt over de juistheid van de taxatie. Met [de curator] is afgesproken dat hij laat hertaxeren en als de taxatie niet boven de € 450.000 uitkomt hij alsnog met de € 25.000 akkoord gaat (vordering was € 113.445). Indien de taxatie boven de € 450.000 uitkomt zullen er nieuwe bedragen worden vastgesteld. Volgens het verzekeringscontract d.d. 1 mei 2003 is alleen het kasteel € 700.000 waard. Er is dus duidelijk onzekerheid over de waarde van het kasteel en de grond.”

2.14. In 2005 is een bedrag van € 25.000 door N Holding B.V. aan eiseres voldaan. Dit bedrag is in 2005 in de winst van eiseres opgenomen.

2.15. Eiseres heeft de hiervoor in 2.7 genoemde geldverstrekking in haar aangifte vennootschapsbelasting 2001 afgewaardeerd en een bedrag van ƒ 250.000 (€ 113.445) ten laste van de winst gebracht.

2.16. Met dagtekening 11 oktober 2003 is aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van negatief ? 179.375. Naar aanleiding van een deelonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting 2001 en 2002 met betrekking tot een aantal elementen, heeft verweerder een rapport met dagtekening 23 februari 2005 opgesteld. De navorderingsaanslag is gebaseerd op het rapport.

2.17. Verweerder heeft het belastbaar bedrag 2001 gecorrigeerd met de onder 2.15. genoemde afwaardering.

Daarnaast heeft verweerder de door eiseres aan A berekende rente in de rekening-courantverhouding verhoogd met een bedrag van ƒ 96.573 (€ 43.823) en in het belastbaar bedrag 2001 van eiseres opgenomen. Verweerder heeft daarbij de rente berekend aan de hand van de gestaffelde rente in plaats van de door eiseres gehanteerde gemiddelde eind/beginsaldo rente.

3. Geschil

In geschil is of en in hoeverre het bedrag van de lening van eiseres aan N Holding B.V. van ƒ 250.000 in 2001 kan worden afgewaardeerd ten laste van het belastbaar bedrag. Voorts is in geschil of de berekening van de rente rekening-courant terecht is gecorrigeerd.

4. Beoordeling van het geschil

Geldlening

4.1. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de betaling van het bedrag van ƒ 250.000 door eiseres ten behoeve van N Holding B.V. moet worden gekwalificeerd als een uitdeling van winst aan de aandeelhouder A, dat de investering is gedaan voor rekening en risico van A in privé en dat eiseres geen vordering heeft verkregen op N Holding B.V., zodat afwaardering van de vordering niet mogelijk is.

4.2. Bij de beoordeling van dit standpunt van verweerder stelt de rechtbank voorop dat alleen dan sprake is van een uitdeling van winst aan een aandeelhouder indien een bewuste vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder als zodanig, leidend tot een verarming van de vennootschap, waarbij de onttrekking van vermogen plaatsvindt uit winst of winstreserves, dan wel uit binnen afzienbare tijd te behalen winst.

Op verweerder rust de last om deze stelling aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. Niet valt in te zien dat eiseres met de geldverstrekking aan N Holding B.V. de bedoeling had A in zijn kwaliteit van aandeelhouder te bevoordelen. Zulks zou anders kunnen zijn indien A, tevens als aandeelhouder van N Holding B.V. dient te worden beschouwd. Een dergelijke gelieerdheid tussen genoemde vennootschappen is evenwel niet aannemelijk gemaakt. Dat de investeerders, zoals verweerder stelt, belanghebbend waren in N Holding B.V. via Stichting Administratiekantoor F, waarvan slechts de certificaten “formeel nog moesten worden uitgegeven”, brengt naar het oordeel van de rechtbank geen gelieerdheid in voornoemde zin mee. Dat één van de investeerders (niet zijnde eiseres of A) bestuurder was van het administratiekantoor maakt dit oordeel niet anders. De stellingen van verweerder dat eiseres onzakelijk heeft gehandeld door de akte van geldlening pas op 23 september 2002 op te maken en te ondertekenen zonder dat zekerheden zijn gesteld voor de geldverstrekking door eiseres ten behoeve van N Holding B.V. en dat voorafgaand aan de betaling van ƒ 250.000 geen investeringsplannen noch een budget zijn opgesteld, brengen evenmin – ook niet in combinatie met het voorgaande - gelieerdheid in voornoemde zin met zich.

4.4. De stelling van verweerder dat de geldverstrekking van eiseres aan N Holding B.V. in feite een geldverstrekking vormde van A en dat eiseres uit dien hoofde een vordering op A verkreeg in plaats van een vordering op N Holding B.V., volgt de rechtbank niet. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de gelden heeft verstrekt door storting ten laste van haar eigen bankrekening en in haar jaarrekening 1999 heeft als zodanig heeft opgenomen. De rechtbank acht niet aannemelijk gemaakt dat het in feite de bedoeling van partijen was dat A in privé een lening verstrekte en dat eiseres uit dien hoofde in rekening-courant een vordering op A verkreeg. De enkele stelling van verweerder dat de correspondentie met betrekking tot het project was gericht aan A en zijn partner tezamen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat eiseres niet beschikte over overtollig vermogen of werkkapitaal om de investering te doen, dat het kasteel niet zou zijn aangekocht om aldaar een H opleidingscentrum te vestigen en dat in de administratie van N Holding B.V. de geldleningovereenkomst niet is aangetroffen, acht de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat het bedrag van ƒ 250.000 in feite in privé door A aan N Holding B.V. is verstrekt in plaats van door eiseres.

4.5. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat de geldlening niet zakelijk is, omdat geen zakelijke voorwaarden zijn gesteld door eiseres en dat fiscale afwaardering van de vordering om die reden niet is toegestaan.

4.6. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 14 juni 2002, nr. 36.453, BNB 2002/290, ontberen door een vennootschap gedane uitgaven slechts dan een zakelijk karakter - en kunnen zij derhalve niet ten laste van de winst worden gebracht - indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s).

4.7. Zoals hierboven is geoordeeld, is geen sprake van een winstuitdeling aan de aandeelhouder. Voor het overige acht de rechtbank evenmin aannemelijk gemaakt dat het bedrag van ƒ 250.000 door eiseres aan N Holding B.V. verstrekt is met het oog op de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder A. Voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat het de rechtbank vrijstaat de ondernemingsbeslissingen van eiseres, los van die aandeelhoudersrelatie, te toetsen op zakelijkheid, faalt het betoog van verweerder eveneens, nu dit uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het subsidiair standpunt van verweerder faalt gelet op het voorgaande.

4.8. Gelet op het voorgaande komt de vraag aan de orde of afwaardering van de lening in het onderhavige jaar mogelijk is en zo ja, tot welk bedrag. Vaststaat dat de lening een nominale waarde heeft van ƒ 250.000 en dat het bedrag van de vordering niet in een eerder jaar is afgewaardeerd.

4.9. De rechtbank stelt voorop dat afwaardering dient plaats te vinden in het jaar waarin de waardeverminderende omstandigheid zich heeft voorgedaan. Deze regel voert terug op het beginsel dat lasten in aanmerking moeten worden genomen in het jaar waarop zij betrekking hebben. Alleen met de op balansdatum bestaande feiten en omstandigheden mag bij de waardering rekening worden gehouden. Als eerst bij het opmaken van de balans duidelijk wordt dat op balansdatum al sprake was van een waardeverminderende omstandigheid, mag met deze nadien bekend geworden omstandigheid rekening worden gehouden. Met feiten en omstandigheden die zich ná balansdatum hebben voorgedaan, wordt echter geen rekening gehouden (vgl. HR 22 september 1993, nr. 28.878, BNB 1994/33).

Er kan aanleiding zijn een vordering voor een lager bedrag dan de nominale waarde in de balans op te nemen indien en voor zover omstandigheden erop wijzen dat er een reëel risico bestaat dat de vordering niet zal worden afgelost. De bewijslast dienaangaande rust op eiseres.

4.10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres aan deze op haar rustende bewijslast voldaan. Gelet op de inhoud van de onder 2.9 gedeeltelijk weergegeven brief van 8 november 2001 was op dat moment reeds bekend dat, ondanks de door N Holding B.V. betaalde termijnen, aan het kasteel niets was gedaan. Voorts wordt in de brief gesteld dat ondanks de inspanningen het project op dat moment geen waarde had en de investeerders werd verzocht hun positie te bezien. Ook in de brief van 1 mei 2002 staat vermeld dat reeds begin 2001 duidelijk was dat het project niet zou worden gerealiseerd en dat het bestemmingsplan niet zou worden gewijzigd, terwijl niets aan het kasteel was gebeurd en een deel van het geïnvesteerde bedrag was uitgegeven. De door N Holding B.V. aan AA France SARL betaalde gelden werden besteed aan de aanloopkosten van het project en voor een deel werden deze gelden aangewend om het hoofd te bieden aan de slechte liquiditeitspositie van de groep vennootschappen waartoe AA France SARL behoorde. Genoemde feiten en omstandigheden leiden tot de slotsom dat ultimo 2001 het reële risico bestond dat eiseres in elk geval een deel van de lening niet terug zou krijgen, dat de lening voor dat gedeelte per balansdatum 31 december 2001 als oninbaar moet worden gekwalificeerd en dat een afwaardering in het onderhavige jaar mogelijk is. Dat over 2001 geen stukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat de vordering definitief oninbaar was en dat de leningsovereenkomst pas op 23 september 2002 is opgemaakt, doen geen afbreuk aan voormelde feiten. Dat in 2003 een Masterplan is opgemaakt waaruit nog steeds de intentie volgt het kasteel te ontwikkelen en dat pas in 2005 – na besprekingen met de curator – een voorstel is gedaan tot een eindverdeling, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat afwaardering van de lening in het verkeerde jaar heeft plaatsgevonden.

4.11. De feiten en omstandigheden die zich ultimo 2001 voordeden rechtvaardigen evenwel niet afwaardering van de vordering tot nihil, zoals eiseres voorstaat. Voor de waardering van de vordering acht de rechtbank de werkelijke waarde van het zich in het vermogen van N Holding bevindende kasteel (met ondergrond) ultimo 2001 van doorslaggevend belang. N Holding B.V. had op dat moment, afgezien van de schulden aan de investeerders, een schuld van € 54.000 aan een derde. De in het Masterplan genoemde waarde van het kasteel van € 1,4 miljoen acht de rechtbank in dit verband, gelet op de aard van deze prospectus en bij gebreke van een onderliggende taxatie, niet maatgevend. Voor het maken van een benadering van de waarde van het kasteel zoekt de rechtbank aansluiting bij de waarden die worden genoemd in de verzekeringspolis (opstalverzekeringspolis 1 mei 2003) en in het taxatierapport van 9 november 2004 (€ 700.000 respectievelijk € 350.000).. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat het kasteel tezamen met 12 ha grond in 1999 is gekocht voor een bedrag van ƒ 1 miljoen. De rechtbank neemt in dit verband verder in ogenschouw dat A zich in 2004 op het standpunt heeft gesteld dat de waardering van het kasteel op € 350.000 te laag is en voorts dat in het kader van de eindverdeling een bedrag van € 25.000 door N Holding B.V. is voldaan. Gelet op de genoemde waarden, het tijdsverloop tussen balansdatum en de data waarnaar genoemde waarden zijn vastgesteld, en op de overige door eiseres en verweerder naar voren gebrachte omstandigheden betreffende het mislukken van het project, komt de rechtbank in goede justitie tot een waarde van het kasteel (met ondergrond) ultimo 2001 van € 450.000. Gelet op het aandeel van eiseres in het geïnvesteerde bedrag (13,16%) stelt de rechtbank de toegestane afwaardering van de lening ultimo 2001 op 13,16% (€ 862.182 - € 450.000) is € 54.243. Het beroep slaagt in zoverre.

4.12. Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat de belastingdienst bij de overige investeerders de verstrekte gelden heeft gekwalificeerd als zakelijke uitgaven en dat de afwaardering telkens is geaccepteerd. Voor zover eiseres met een beroep op het gelijkheidsbeginsel bedoelt te betogen dat de lening kan worden afgewaardeerd tot op een bedrag van nihil, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep faalt, nu eiseres heeft verzuimd dit standpunt nader te onderbouwen. Gesteld noch gebleken is dat, en zo ja met betrekking tot welke jaren, bij de andere investeerders afwaardering tot op nihil is geaccepteerd.

Rente

4.13. Wat betreft de renteberekening in de rekening-courantverhouding tussen A en eiseres, stelt verweerder zich op het standpunt dat het reëel is om de verschuldigde rente te berekenen aan de hand van de gestaffelde rente in plaats berekening van de rente over het gemiddelde van het begin- en eindsaldo, zoals eiseres voorstaat.

4.13.1. Blijkens de door eiseres overgelegde overzichten van de rekening-courantverhouding tussen eiseres en A betreffende de jaren 1998, 2000 en 2001 is de rente telkens volgens de door eiseres voorgestane methode berekend, zijn de aldus berekende bedragen bijgeschreven op de rekening-courantvordering van eiseres op de aandeelhouder en is deze wijze van berekening telkens door verweerder gevolgd bij de berekening van het belastbaar bedrag. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat partijen in hun onderlinge rechtsverhouding de verschuldigde rente op deze wijze hebben bedoeld vast te stellen. De rechtbank vermag niet in te zien dat de aldus bestaande rechtsverhouding tussen partijen zou moeten worden genegeerd. Gesteld noch gebleken is dat partijen in hun onderlinge rechtsverhouding de rente in feite anders hebben willen berekenen dan is gebeurd.

4.13.2. Voor zover verweerder ter zake van deze correctie zich op het standpunt stelt dat eiseres zich - door in het onderhavige jaar minder rente in rekening te brengen dan zij in verhouding met een derde zou hebben gedaan - ten behoeve van de aandeelhouder een voordeel heeft laten ontgaan en dat in zoverre sprake is van een uitdeling van winst, acht de rechtbank het standpunt van verweerder niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat in zoverre sprake is van een bewuste bevoordeling van A in zijn hoedanigheid van aandeelhouder (zie rechtsoverweging 4.2). De enkele stelling van verweerder dat in het onderhavige jaar in verhouding tot eerdere jaren omvangrijke bedragen via de rekening courant zijn geboekt, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat de enkele constatering dat de door verweerder voorgestane berekeningsmethodiek beter is, niet ertoe kan leiden dat de gehanteerde methodiek niet kan worden gevolgd. Het beroep slaagt ook in zoverre. Het belastbaar bedrag zal worden verminderd met het bedrag van de correctie van € 43.823. De overige grieven op dit punt behoeven geen behandeling.

4.14. Gelet op het in 4.11 en 4.13 overwogene zal de navorderingsaanslag worden vastgesteld op nihil en het verlies op € 22.194 (€ 75.872 - € 54.243 - € 43.823).

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- herroept de belastingaanslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- stelt de navorderingsaanslag vast op nihil;

- stelt het verlies over het jaar 2001 vast op een bedrag van € 22.194;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. E. Jochem en mr. A.E. Keulemans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J.E.M. Anderluh - Vanherck, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.