Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB8225

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
AWB 06-10930
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BG3379, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 49 WRO; voorzienbaarheid; van een redelijk denkend en handelend koper mag worden verwacht dat hij zich eigener beweging en breed informeert, zowel bij de gemeente als bij de provincie, omtrent plannen voor een (nog) onbebouwd gebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06 - 10930

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 oktober 2007

in de zaak van:

[eisers],

wonende te Zaandam,

eisers,

tegen:

de raad van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2004 heeft verweerder het verzoek van eisers om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 49 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) afgewezen

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 19 augustus 2004 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 september 2006, verzonden op 29 september 2006, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 3 november 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 augustus 2007, alwaar eisers in persoon zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. F. Marinus, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak onder nummer 06-6054.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 49 WRO, zoals dit luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of ten gevolge van een vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 WRO, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2 Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregelen en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar dient te worden uitgegaan van een maximale invulling van de mogelijkheden die beide planologische regimes bieden.

2.3 De planvergelijking dient in het onderhavige geval plaats te vinden tussen het in 1931 vastgestelde bestemmingsplan "Uitbreidingsplan gemeente Zaandam (in Hoofdzaak)" en het in 2000 vastgestelde bestemmingsplan "Houtwerf-West".

2.4 Tussen partijen is niet in geschil en ook de rechtbank neemt als uitgangspunt dat de planvergelijking leidt tot een voor eisers verslechterde planologische situatie in de zin van vermindering van woongenot ten gevolge van beperking van hun uitzicht en inbreuk op hun privacy.

2.5 Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of de schade voorzienbaar was.

Ingevolge vaste jurisprudentie is het ter beantwoording van deze vraag aan te leggen criterium of er voor een redelijk denkende en handelende koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in voor hem ongunstige zin zou veranderen.

2.6 Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat sprake is van voorzienbaarheid, omdat eisers, gelet op de

Streekplannen Amsterdam-Noordzeekanaalgebied van 1979 en 1987 en de Structuurschets voor Zaanstad van 1981, ten tijde van de aankoop van hun woning in 1989 rekening moesten houden met de kans dat de planologische situatie in voor hen ongunstige zin zou veranderen. Met name op grond van de Structuurschets was volgens verweerder voldoende duidelijk dat in het betreffende gebied, inclusief het hoekje Houtwerf-West, plannen voor woningbouw bestonden.

2.7 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat voor het gebied waarvoor thans het bestemmingsplan "Houtwerf-West" vigeert, al in een eerder stadium voorzien was in bebouwing.

Blijkens het provinciale Streekplan Amsterdam-Noordzeekanaalgebied van 1979 zou in elk geval een einde komen aan de agrarische bestemming van het litigieuze gebied ten gunste van werkgebied, en deels expansiegebied van het centrumgebied. Tevens is erin vermeld dat voor de woningbehoefte extra bouwmogelijkheden dienen te worden gevonden, bij voorkeur in of aansluitend bij het stedelijk gebied.

In de Structuurschets Zaanstad van mei 1981 staat voor de gebieden waarop de woonwijken Houtwerf en Houtwerf-West zijn gepland, de aanduiding "eventuele bouwmogelijkheid".

In het Streekplan Amsterdam-Noordzeekanaalgebied van januari 1987 worden de gronden van Houtveld West aangeduid met "Woonfunctie, toekomstig nog te realiseren".

Eisers hebben dit laatste weliswaar bestreden, maar mede gelet op de ter zitting bestudeerde kaart, hebben zij hun stelling dat het anders zou zijn niet aannemelijk gemaakt.

2.8 Het vorenstaande moet voor elke redelijk denkende en handelende koper aanleiding zijn geweest om rekening te houden met de kans dat (woon)bebouwing in de plaats zou komen van de in 1989, op het moment dat eisers hun woning kochten, nog open ruimte.

2.9 Eisers hebben aangevoerd dat zij vóór de aankoop van hun woning niet in Zaanstad of omgeving woonden en daarom niet op de hoogte konden zijn van eventuele uitbreidingsplannen. Ten tijde van de aankoop hadden zij slechts gehoord over de komst van een bedrijventerrein. Een woonwijk hebben zij daarom niet kunnen voorzien. De gemeente had hen daarover moeten inlichten. Eisers hebben omtrent de plannen, waarnaar de gemeente naar aanleiding van hun schadeverzoek verwijst, aangevoerd dat deze geen gelijkluidende berichten naar buiten brachten, zodat ook daarom woningbouw niet voorzienbaar was.

Deze grieven slagen niet, omdat van een redelijk denkend en handelend koper mag worden verwacht dat hij zich eigener beweging en breed informeert zowel bij de gemeente als de provincie omtrent de plannen voor een (nog) onbebouwd gebied. Dit klemt des te meer omdat eisers, naar zij hebben verklaard, juist met het oog op het (vrije) uitzicht tot de aankoop van hun woning zijn overgegaan. In elk geval is onvoldoende is dat zij daarbij zijn afgegaan op (niet met bron aangeduide) informatie omtrent de komst van een bedrijventerrein. Hiermee staat overigens wel vast dat eisers met bebouwing rekening hebben kunnen en moeten houden.

Nu eisers geen (relevante) informatie hebben ingewonnen bij gemeente en/of provincie en zij zich daarvan wel op de hoogte hadden kunnen en moeten stellen, treffen hun overige grieven - wat daarvan verder ook zij - geen doel.

2.10 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs. J.F. Miedema en I.M. Ludwig, rechters, en op 22 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.