Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB8215

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
AWB 07-5217
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de derde partij vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van zijn bedrijfsruimte. Vrijstellingsprocedure artikel 19.2 WRO gevolgd op grond van de verkeerde toepassingsvoorwaarden van de provinciale vrijstellingslijst. Ruimtelijke onderbouwing onvoldoende. Verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 5217

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2007

in de zaak van:

[verzoekers],

wonende te Zandvoort,

verzoekers,

gemachtigde: W.P. Boers, juridisch adviseur te Overveen,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort,

verweerder,

derde partij

Quality Clean Auto Care,

gevestigd te Zandvoort.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2007, verzonden op 2 juli 2007, heeft verweerder de derde partij vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een bedrijfsruimte op het perceel Amperestraat 12 te Zandvoort, kadastraal bekend als Zandvoort, sectie B, nr. 8050.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brief van 6 augustus 2007 bezwaar gemaakt.

Bij brief van dezelfde datum is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaak is behandeld ter zitting van 9 oktober 2007, alwaar verzoekers in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd, en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door M. Blok en J. Pach, beiden werkzaam bij de gemeente Zandvoort. Namens de derde partij is verschenen [X].

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Het bouwplan ziet op het uitbreiden van de bedrijfsruimte van de derde partij op het perceel Amperestraat 12 te Zandvoort.

2.3 De grond waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen in het bestemmingsplan "Keesomstraat" en is daarin bestemd voor "ambachtelijke bedrijven".

Ingevolge artikel 11, derde lid, van de planvoorschriften mogen de op het plan aangegeven bebouwingspercentages niet worden overschreden. De plankaart geeft voor het desbetreffende perceel een bebouwingspercentage van 60% aan.

2.4 Volgens verweerder resulteert het bouwplan in een bebouwingspercentage van meer dan 60% en wordt de maximaal toegestane hoogte van 3,5 meter overschreden. Verweerder heeft op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan en tevens bouwvergunning verleend.

2.5 Verzoekers kunnen zich met dit besluit niet verenigen. Zij stellen zich op het standpunt dat verweerder geen vrijstelling had mogen verlenen zonder een verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten. Voorts menen zij dat het bouwplan stedenbouwkundige bezwaren kent, dat een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt en dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de verminderde daglichttoetreding.

2.6 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan de in het bestemmingsplan toegestane hoogte van 3,5 meter niet overschrijdt. De vrijstelling heeft derhalve uitsluitend betrekking op de overschrijding van het toegestane bebouwingspercentage van 60%.

2.8 Verweerder meent vrijstelling te kunnen verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, WRO, omdat zou zijn voldaan aan de toepassingsvoorwaarden genoemd in artikel 3, onder c, van de provinciale vrijstellingslijst. Met verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder op onjuiste gronden tot de conclusie gekomen dat vrijstelling kon plaatsvinden op grond van artikel 19, tweede lid, WRO. Het bouwplan betreft een uitbreiding van meer dan 50 m² en heeft tevens tot gevolg dat meer dan 50 % van het aansluitende terrein wordt bebouwd. Het bouwplan voldoet daarmee niet aan de toepassingsvoorwaarden genoemd in artikel 3, onder c. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aangegeven dat de verwijzing naar dit artikel niet juist is, maar dat vrijstelling ex. artikel 19, tweede lid, WRO wellicht kan plaatsvinden op grond van de toepassingsvoorwaarden genoemd in artikel 2 van de provinciale vrijstellingslijst. Het is de voorzieningenrechter echter vooralsnog onvoldoende duidelijk geworden dat aan deze voorwaarden wel wordt voldaan, nu op voorhand niet is uitgesloten dat het bouwplan valt onder speerpunt 17 van het provinciaal ruimtelijk beleid.

2.9 De voorzieningenrechter overweegt dat een project, waarvoor vrijstelling wordt verleend ingevolge artikel 19, eerste of tweede lid, WRO, dient te zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Ingevolge het eerste lid wordt onder goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het advies van 17 maart 2006 dient als ruimtelijke onderbouwing bij het besluit om vrijstelling te verlenen. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder hierin echter niet ingaat op de relatie met het geldende bestemmingsplan en ook niet motiveert waarom het bouwplan past binnen de toekomstige bestemming van het gebied. Verweerder gaat met name in op de relatie met een aanwezige dienstwoning, waarvan ter zitting pas duidelijk is geworden dat het hier de dienstwoning van verzoekers betreft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er dan ook geen sprake van een ruimtelijke onderbouwing die voldoet aan de voorwaarden van artikel 19, eerste lid, WRO.

2.10 In de reactienota heeft verweerder, ter aanvulling op de ruimtelijke onderbouwing, opgemerkt dat de provincie Noord-Holland, in een advies betreffende het grondwaterbeschermingsgebied, heeft aangegeven dat het geen probleem is wanneer de in geding zijnde bedrijfsruimte met twee meter wordt uitgebreid. Ter zitting is echter gebleken dat het hier een uitbreiding van vijf meter betreft. De voorzieningenrechter acht het dan ook wenselijk dat verweerder in het kader van de nieuwe besluitvorming nader onderzoekt of een uitbreiding van vijf meter wel op bezwaren van de provincie stuit of anderszins aanleiding geeft het bestreden besluit te herzien.

2.11 Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gevolgen van de bebouwing voor de daglichttoetreding op het perceel en de daarop gelegen bedrijfswoning van verzoekers. De stelling dat het perceel van verzoekers alleen in de ochtend minder zonlicht krijgt doordat het veertig minuten eerder in de eigen schaduw komt te liggen, is door verweerder op geen enkele wijze onderbouwd.

2.12 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen een aantal aspecten nader moeten worden bezien en is het, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, nog maar zeer de vraag of het bestreden besluit in de bezwaarprocedure onverkort gehandhaafd kan worden. Gelet op de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.13 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt met betrekking tot de kosten van door een derde verleende rechtsbijstand één punt toegekend voor het indienen van een verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij een wegingsfactor één in aanmerking is genomen. De waarde van één punt bedraagt € 322,-.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

3.2 schorst het besluit van 26 juni 2007 tot 6 weken na de beslissing op bezwaar;

3.3 veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, te betalen door gemeente Zandvoort aan verzoekers;

3.4 gelast de gemeente Zandvoort het door verzoekers gestorte griffierecht van € 143,- aan hen te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter, en op 22 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.