Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB7708

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-10-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
06/9249
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OB. De uitsluiting van voorbelasting op grond van de in artikel 1, lid 1, onderdeel b, van het BUA, is naar haar aard een onvoldoende bepaalde aftrekbeperking om als conform de Zesde richtlijn te kunnen gelden. Verweerder heeft derhalve met betrekking tot de personenbusjes ten onrechte geen aftrek van voorbelasting toegestaan. Voorts kan de aftrek van voorbelasting niet worden uitgesloten op de voet van artikel 1, lid 1, onderdeel c, van het BUA, nu de jeugdspelers niet kunnen worden aangemerkt als personeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/18.3.5
FutD 2007-2220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/9249

Uitspraakdatum: 29 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X N.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 27 oktober 2005 over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 een naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer 00.00.000.F.00.0000) opgelegd ten bedrage van € 50.000.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2006 de naheffingsaanslag verminderd tot een naheffingsaanslag ten bedrage van € 11.659. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.3. Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2007 te Haarlem. Namens eiseres zijn daar verschenen drs. A en mr. B. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiseres exploiteert een betaald voetbal organisatie en beschikt onder meer over een professionele jeugdopleiding.

2.2. Jeugdleden worden door eiseres uitgenodigd om bij haar te komen voetballen. Indien zij niet aan de verwachtingen voldoen gaan de jeugdleden normaal gesproken weer terug naar de (amateur)club waar ze zijn gescout. Het doel van de jeugdopleiding is om uiteindelijk profvoetballer in dienst van eiseres te worden.

2.3. Ter verlaging van de drempel voor ouders om hun kind aan de jeugdopleiding van eiseres te laten deelnemen verzorgt eiseres begeleiding bij de reguliere schoolopleiding van het kind en biedt zij tevens dagelijks vervoer van huis naar school, van school naar de training en van de training naar huis aan. Dit vervoer vindt dagelijks plaats in personenbusjes die worden bestuurd door vrijwilligers. In het onderhavige tijdvak betrof het acht personenbusjes (sommige busjes een deel van het tijdvak) waarbij geen kilometeradministratie is bijgehouden.

2.4. Eiseres heeft de omzetbelasting met betrekking tot de busjes volledig in aftrek gebracht. Verweerder heeft hierop een correctie van € 4.801 aan enkelvoudige belasting toegepast welke correctie is gebaseerd op het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 (hierna: het BUA).

3. Geschil

3.1. In geschil is de in de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag begrepen correctie van € 4.801 met betrekking tot de acht personenbusjes. Het resterende bedrag van de naheffingsaanslag alsmede de bedragen zelf zijn niet in geschil.

3.2. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken en naar het aangehechte proces-verbaal van de zitting.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De (voor)belasting welke door andere ondernemers ter zake van door hen verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht aan de ondernemer, kan ingevolge artikel 15, lid 1, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) door hem in beginsel in aftrek worden gebracht.

4.2. In artikel 16, lid 1, van de Wet is, voor zover hier van belang, bepaald dat bij koninklijk besluit de in artikel 15, lid 1, bedoelde aftrek in bepaalde gevallen geheel of gedeeltelijk kan worden uitgesloten. Hiermee wordt voorkomen dat op goederen en diensten, welke worden gebruikt voor het voeren van een zekere staat of het bevredigen van behoeften van anderen dan ondernemers, de belasting geheel of gedeeltelijk niet drukt. Door middel van het BUA is uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 16, lid 1, van de Wet.

4.3. In artikel 1, lid 1, van het BUA wordt de aftrek van voorbelasting uitgesloten in de gevallen en voor zover de goederen en diensten worden gebezigd voor:

a. het voeren van een zekere staat;

b. het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen;

c. het aan het personeel van de ondernemer verlenen van huisvesting, uitkeren van loon in natura, geven van gelegenheid tot sport, ontspanning of privé-vervoer, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel, geven van gelegenheid tot privé-vervoer, dan wel voor andere persoonlijke doeleinden van dat personeel.

Ingevolge artikel 1, lid 2, van het BUA worden onder relatiegeschenken of andere giften verstaan alle prestaties welke de ondernemer in verband met zakelijke verhoudingen of uit vrijgevigheid ten behoeve van anderen verricht zonder vergoeding of tegen een vergoeding welke lager is dan de aanschaffings- of voortbrengingskosten dan wel, in geval van diensten, de kostprijs van die prestaties de omzetbelasting niet daaronder begrepen.

4.4. De hiervoor genoemde uitsluitingen golden vóór de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn per 1 januari 1979, het tijdstip waarop de Nederlandse regelgeving, conform het gestelde in de Negende richtlijn, aan de Zesde richtlijn werd aangepast. Zij zijn daarna gehandhaafd in de Nederlandse regelgeving op grond van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn.

4.5. Ingevolge artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn wordt met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijkgesteld het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde is ontstaan.

4.6. In artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn is bepaald dat uiterlijk binnen vier jaren na inwerkingtreding van de Zesde richtlijn, de Europese Raad, op voorstel van de Europese Commissie, bepaalt voor welke uitgaven geen recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. In de tweede volzin is opgenomen dat uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, in elk geval van het recht op aftrek zijn uitgesloten. In de derde volzin is bepaald dat, totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden, de lidstaten elke uitsluiting kunnen handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn voorzag. Dit betekent dat die nationale wetgeving moet worden getoetst aan de Tweede richtlijn, die gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn is ingetrokken.

4.7. Artikel 11, lid 1, van de Tweede richtlijn kent een algemeen recht op aftrek van voorbelasting, voor zover goederen en diensten voor het bedrijf van de belastingplichtige worden gebruikt.

4.8. In artikel 11, lid 4, van de Tweede richtlijn is bepaald dat van de aftrekregeling bepaalde goederen en bepaalde diensten kunnen worden uitgesloten, in het bijzonder die waarvan verwacht kan worden dan zij uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privé-behoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel.

4.9. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 2005 in de zaak Charles en Charles-Tijmens (nr. C-434/03, punt 34) blijkt dat de lidstaten uitsluitingen op het recht op aftrek van voorbelasting mogen handhaven, voorzover deze uitsluiting wettig was onder de Tweede richtlijn. Daarmee heeft een lidstaat volgens het Hof van Justitie EG echter nog geen absolute discretionaire bevoegdheid om goederen en diensten uit te sluiten van het recht op aftrek voorzover deze voor privé-behoeften worden gebruikt. Immers, daarvoor dient het goed of de dienst voldoende bepaald te zijn.

4.10. De rechtbank oordeelt als volgt over de acht personenbusjes, waarvan de aftrek van voorbelasting is uitgesloten op de voet van artikel 1, lid 1, onderdeel b, van het BUA. De door verweerder voorgestane uitsluiting van voorbelasting op grond van de in artikel 1, lid 1, onderdeel b, van het BUA - als ‘relatiegeschenk’ aangeduid -, is naar haar aard een onvoldoende bepaalde aftrekbeperking om als conform de Zesde richtlijn te kunnen gelden. Verweerder heeft derhalve met betrekking tot de personenbusjes ten onrechte geen aftrek van voorbelasting toegestaan. Voorts kan de aftrek van voorbelasting in het onderhavige geval niet worden uitgesloten op de voet van artikel 1, lid 1, onderdeel c, van het BUA, nu de jeugdspelers niet kunnen worden aangemerkt als personeel in de zin van hiervóór genoemd artikelonderdeel.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.858 en bepaalt dat de heffingsrente dienovereenkomstig wordt verminderd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Roke , voorzitter, mr. E. Polak en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.H.W. Verdegaal, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.