Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB7551

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
09-11-2007
Zaaknummer
15/740576-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Feit 1 primair: medeplegen van een poging zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade; feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden; feit 3: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting. Verweer ontbreken nauwe en bewuste samenwerking verworpen. Verdachte heeft samen met zijn mededaders de (ex) vriendin van [medeverdachte 1] naar een afgelegen parkeerplaats gelokt, om haar daar ter verantwoording te roepen voor haar gedrag, hieruit bestaande dat zij met twee van hen seks zou hebben gehad. Van te voren hebben zij telefonisch contact gehad, waarbij is afgesproken dat ze ervoor moesten zorgen dat de telefoon van het slachtoffer uit zou staan als ze bezig zouden zijn. [medeverdachte 1] heeft vervolgens samen met [medeverdachte 2] het slachtoffer op de afgesproken plaats in elkaar geslagen, getrapt en vernederd. Verdachte stond hierbij te grijnzen. Toen het slachtoffer weg wilde komen, heeft [medeverdachte 1] haar beetgepakt en de telefoon, waarmee ze haar moeder probeerde te bellen, kapot gemaakt. [medeverdachte 2] heeft tegen het slachtoffer gezegd dat zij niet naar de politie mocht gaan omdat hij haar anders zou afmaken. Vervolgens is het slachtoffer met geweld de auto in gewerkt en zijn verdachte en [medeverdachte 2] achter [medeverdachte 1] en het slachtoffer aangereden. Aldaar is het slachtoffer nogmaals duidelijk gemaakt door verdachte dat zij niets mocht zeggen over wat er was gebeurd. Zie voor medeverdachten LJN: BB7552 en LJN: BB7553.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740576-07

Uitspraakdatum: 2 oktober 2007

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 september 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

PRIMAIR:

hij op of omstreeks 11 juni 2007 te Beverwijk en/of te IJmuiden ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon (te weten [slachtoffer]), opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- in/tegen het gezicht en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

- (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met (de geschoeide) voet in/tegen de zij en/of het been, in elk geval het lichaam, heeft geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

SUBSIDIAIR:

hij op of omstreeks 11 juni 2007 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade mishandelend, althans opzettelijk mishandelend, een persoon, [slachtoffer], opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk meermalen, althans eenmaal (met kracht)

- in/tegen het gezicht en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of

- (vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) met (de geschoeide) voet in/tegen de zij en/of het been, in elk geval het lichaam heeft geschopt,

tengevolge waarvan die [slachtoffer] enig lichamelijk letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 11 juni 2007 te Beverwijk en/of te IJmuiden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet

- die [slachtoffer] heeft gedwongen in een auto te zitten door haar met geweld die auto in te werken en/of te slaan en/of te duwen en/of (vervolgens nadat die [slachtoffer] die auto wist te ontvluchten en/of (om hulp) probeerde te bellen),

- die [slachtoffer] vastgepakt en/of aan haar haren getrokken en/of in het gezicht gespuugd en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] naar die auto (terug)geduwd en/of getrokken en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer] met kracht die auto( in)geduwd en/of (in)geslagen, in elk geval met geweld die [slachtoffer] heeft gedwongen in die auto te gaan zitten en/of

- (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze niet mocht bellen en/of de telefoon van die [slachtoffer] door midden gebroken, in elk geval vernield en/of vervolgens

- die [slachtoffer] tegen haar zin in die auto heeft meegenomen en/of met die [slachtoffer] in die auto is gaan rijden;

3.

hij op of omstreeks 11 juni 2007 te Beverwijk en/of te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling en/of met brandstichting, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- een brandende aansteker bij de haren en/of bij het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd: "Als je verteld wat er deze avond gebeurd is loopt het verkeerd met je af" en/of "ik heb een hele grote familie en mijn neefjes weten je wel te vinden en/of "Als je aan je vader of aan de politie verteld wat er gebeurt is dan maken we je dood en steken we de woning van je ouders in brand en schieten we je vader dood, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

1.

PRIMAIR:

dat zijn mededaders op 11 juni 2007 te Beverwijk ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met elkaar aan een persoon, te weten [slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen met kracht

- in het gezicht hebben gestompt of geslagen en

- terwijl die [slachtoffer] op de grond lag met de geschoeide voet tegen het lichaam, hebben geschopt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 11 juni 2007 te Beverwijk en te IJmuiden tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft een mededader ter uitvoering van dit door verdachte en zijn mededaders gezamenlijk voorgenomen misdrijf met dat opzet

- die [slachtoffer] gedwongen in een auto te zitten door haar met geweld die auto in te werken en vervolgens nadat die [slachtoffer] die auto had weten te ontvluchten en toen zij om hulp probeerde te bellen,

- die [slachtoffer] vastgepakt en aan haar haren getrokken en in het gezicht gespuugd en

- met geweld die [slachtoffer] heeft gedwongen in die auto te gaan zitten en

- daarbij tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze niet mocht bellen en de telefoon van die [slachtoffer] vernield en vervolgens

- die [slachtoffer] tegen haar zin in die auto heeft meegenomen en met die [slachtoffer] in die auto is gaan rijden;

3.

hij op 11 juni 2007 te Beverwijk en te IJmuiden, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling en met brandstichting, immers hebben verdachte en zijn mededaders opzettelijk dreigend

- een brandende aansteker bij de haren en bij het gezicht van die [slachtoffer] gehouden en (daarbij) tegen die [slachtoffer] gezegd: "Als je vertelt wat er deze avond gebeurd is, loopt het verkeerd met je af" en "Ik heb een hele grote familie en mijn neefjes weten je wel te vinden” en "Als je aan je vader of aan de politie vertelt wat er gebeurd is dan maken we je dood en steken we de woning van je ouders in brand en schieten we je vader dood”.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten heeft de rechtbank de bewezenverklaring in belangrijke mate gebaseerd op de aangifte en de verklaringen van aangeefster [slachtoffer]. De rechtbank gaat uit van de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaringen, nu die verklaringen consistent zijn, aangeefster direct na thuiskomst op 11 juni 2007 een eensluidend verhaal aan haar moeder heeft verteld en bovendien de inhoud van haar verklaringen op onderdelen bevestiging vindt in de door verdachte en zijn mededaders afgelegde verklaringen. Ook de omstandigheid dat verdachte en zijn mededaders in strijd met de waarheid aanvankelijk hebben verklaard dat zij op de avond van 11 juni 2007 in IJmuiden en Beverwijk geen contact met het slachtoffer hebben gehad en dat zij hun betrokkenheid bij de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten pas hebben toegegeven, nadat zij waren geconfronteerd met afgeluisterde belastende telefoongesprekken, sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat de consistente verklaringen van het slachtoffer betrouwbaar en geloofwaardig zijn.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw van verdachte – voorzover thans van belang – betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat er geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Uit de door verdachte ter terechtzitting en in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaringen, in samenhang met met name de telefoontaps die tot het bewijs zijn gebezigd, blijkt dat [medeverdachte 1] het latere slachtoffer [slachtoffer] ter verantwoording wilde roepen omdat zij, behalve met [medeverdachte 1], ook met verdachte seks zou hebben gehad. [medeverdachte 1] heeft verdachte en [medeverdachte 2] in Haarlem ontmoet en met hen afgesproken elkaar iets later die avond te treffen op een afgelegen parkeerterrein in Beverwijk, waar [medeverdachte 1] dan samen met [slachtoffer], die hij daartoe eerst in IJmuiden ging ophalen, naartoe zou komen. Onderweg vanuit Haarlem naar de afgesproken plaats in Beverwijk heeft mededader [medeverdachte 2], bij wie verdachte op dat moment in de auto zat, nog gebeld met [medeverdachte 1], tijdens welk telefoongesprek is besproken dat [medeverdachte 1] ervoor moest zorgen dat [slachtoffer] haar telefoon niet aangedrukt zou hebben staan als ze met haar bezig waren. Op het parkeerterrein is aangeefster vervolgens door zijn mededaders geslagen en geschopt. Na afloop van de mishandeling is het slachtoffer in aanwezigheid van verdachte en [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] weer in IJmuiden afgezet en heeft mededader [medeverdachte 2] wederom telefonisch contact opgenomen met [medeverdachte 1], dit keer om hem er op te wijzen dat hij het telefoonnummer van [slachtoffer] uit zijn telefoon moest halen.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat tussen verdachte en zijn mededaders sprake was van nauwe, bewuste en volledige samenwerking, gericht op het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer]. Daarbij heeft de rechtbank overigens in aanmerking genomen dat verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het feit dat juist deze afgelegen plaats is uitgekozen om samen [slachtoffer] te confronteren met haar, in de ogen van [medeverdachte 1] niet te tolereren, gedrag.

De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het ten laste gelegde feit 2 komt de rechtbank eveneens tot bewezenverklaring. De rechtbank baseert zich daarbij in de eerste plaats op de aangifte en de door aangeefster afgelegde verklaringen. Voorts brengen naar het oordeel van de rechtbank de overige omstandigheden, waaronder met name het feit dat aangeefster door [medeverdachte 1] naar een afgelegen parkeerterrein is gebracht waar zij vervolgens in aanwezigheid van verdachte door [medeverdachte 1], die zeer agressief was, en [medeverdachte 2] is mishandeld en waarna, toen zij bij de auto van [medeverdachte 1] wilde weglopen, zij is tegengehouden en haar telefoon door hem is vernield, met zich dat aannemelijk is dat aangeefster tegen haar zin (wederom) bij [medeverdachte 1] in de auto is gaan zitten om naar huis te worden gebracht en zij niet in vrije wil de keuze heeft kunnen maken om dit te doen.

Het door de raadsvrouw van verdachte gevoerde verweer dat verdachte niet als medepleger van deze wederrechtelijke vrijheidsberoving kan worden aangemerkt, nu hij geen opzet heeft gehad op en evenmin heeft bijgedragen aan die vrijheidsberoving, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte aanwezig is geweest bij de aan de vrijheidsberoving voorafgaande, door verdachte en zijn mededaders voorgenomen poging tot zware mishandeling van [slachtoffer]. Verdachte is er eveneens bij gebleven toen aangeefster, tegen haar zin maar zonder alternatief voorhanden, bij [medeverdachte 1] in diens auto is gaan zitten om naar haar huis in IJmuiden te worden gebracht. Nu verdachte vervolgens met medeverdachte [medeverdachte 2], conform afspraak, achter [medeverdachte 1] en aangeefster aan is gereden naar IJmuiden en daar uit de auto is gestapt om aangeefster, nog steeds zittend in de auto van [medeverdachte 1], toe te voegen dat ze niets mocht zeggen omdat het anders nog verkeerd met haar zou aflopen, heeft verdachte zich op geen enkel moment gedistantieerd van hetgeen aangeefster werd aangedaan. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een nauwe, bewuste en volledige samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders, gericht op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van het slachtoffer.

3.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onder 1 primair, 2 en 3 op grond van de navolgende bewijsmiddelen. De hieronder opgenomen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt en voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. De bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

De inhoud van de hierna genoemde medische verklaring en de foto’s worden slechts tot bewijs gebruikt in samenhang met de overige bewijsmiddelen voor het ten laste gelegde feit 1.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 11 juni 2007 (dossierpagina’s 80-81), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 11 juni 2007 zei [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) dat hij mij zou komen halen bij Strawberries bij de voetbalclub Telstar in IJmuiden. Ik ben ingestapt en toen reed [medeverdachte 1] met mij naar Beverwijk naar het ziekenhuis. Daar achter bij de bungalows zijn parkeerplaatsen. Toen we stil stonden op de parkeerplaats, zag ik dat [verdachte] en [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2]) daar ook waren. Ik dacht toen: “Nou is het klaar”. [medeverdachte 1] sloeg mij toen in mijn gezicht met zijn vuist. De klappen deden veel pijn. Ik heb veel klappen met de vuisten van [medeverdachte 1] gehad. Ik ben ook geschopt door [medeverdachte 1]. Ik ben zo hard geslagen dat ik op de grond viel. Op de momenten dat ik op de grond lag, ben ik door [medeverdachte 1] met zijn voet geschopt tegen mijn rechterdijbeen, mijn rechterzij en mijn rechter elleboog. Ik ben minimaal tweemaal door [medeverdachte 2] geslagen in mijn gezicht en minstens eenmaal door [medeverdachte 2] geschopt.

Ik moest van [medeverdachte 1] in zijn auto stappen. Ik wilde weg, maar ik mocht niet weg. Ik wilde weg lopen maar ik werd vastgehouden door [medeverdachte 1] en hij duwde mij in de auto. Ik werd door [medeverdachte 1] aan een arm in de auto gegooid. Ik zat toen in de auto en ik wilde weg lopen en toen werd ik letterlijk de auto weer in geslagen. Op een gegeven moment zag ik kans om uit de auto te rennen. Ik probeerde door te schreeuwen aandacht van mensen te trekken maar er hoort daar niemand iets. Ik rende op mijn slippers weg en probeerde tegelijk mijn moeder te bellen. [medeverdachte 1] pakte mij aan mijn haren en spuwde in mijn gezicht. Hij pakte mijn telefoon af en brak deze door midden. [medeverdachte 1] verbood mij iemand te bellen.

Als ik de politie erbij zou halen, zou hij mij dood maken en het huis van mijn ouders in de brand stelen en mijn vader dood schieten. Ik werd door [medeverdachte 1] aan mijn arm vastgepakt en in zijn auto gestopt. [medeverdachte 2] en [verdachte] moesten er achteraan rijden van [medeverdachte 1]. Bij Telstar werd ik de auto uit gezet. Toen ik buiten de auto stond werd door [medeverdachte 1] nog een brandende aansteker voor mijn gezicht gehouden. Ik mocht toen weg van de mannen.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer] d.d. 13 juni 2007 (dossierpagina’s 84-91), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Ik kan u met betrekking tot de telefoon vertellen dat [medeverdachte 1] mijn telefoon aan [verdachte] gaf en dat [verdachte] de gegevens uit mijn telefoon heeft gewist met betrekking tot [medeverdachte 1] en [verdachte].

Ik werd toen ik op de grond lag geschopt en geslagen door [medeverdachte 1]. Ondertussen schreeuwde [medeverdachte 2] maar de hele tijd dat ik een hoer was en een kankerslet.

[verdachte] stond er maar een beetje bij te lachen, te grijnzen.

[medeverdachte 2] zei dat hij een grote familie had; als hij vast zou komen te zitten zouden zijn neefjes mij wel weten te vinden. [medeverdachte 1] zei dat ik met hem mee terug moest rijden. Ik werd door [medeverdachte 1] in de auto gestopt.

Onderweg zei [medeverdachte 1] dat ik moest stoppen met huilen en hij sloeg mij nog een paar keer in mijn gezicht. Toen kwamen we weer aan bij Strawberries in IJmuiden. [medeverdachte 2] en [verdachte] kwamen naar de auto van [medeverdachte 1] toen we in IJmuiden aankwamen. [verdachte] zei dat ik niets mocht zeggen tegen het meisje dat ik met hem had gezien bij de Mc Donalds anders zou het nog verkeerd met mij aflopen. [medeverdachte 1] pakte zijn aansteker, deed deze aan en hield de vlam vlakbij mijn gezicht, bij mijn haar.

Ik wilde wel weg maar ik kon niet wegkomen.

- een schriftelijk stuk betreffende medische informatie omtrent aangeefster [slachtoffer] van de artsen(praktijk) Vollebergh, Vollebergh-Schmeets en Faber d.d. 12 juni 2006 (dossierpagina 99), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Rechteroog: bloeduitstorting boven ooglid en onder het oog. Schaafwond rechter elleboog. Bloeduitstorting rechtsachter bovenbeen.

- de telefoontap d.d. 11 juni 2007 om 19.40 uur van [medeverdachte 2] (de telefoon is overgegeven aan [verdachte]) naar [medeverdachte 1] (dossierpagina 111):

[medeverdachte 1]: He luister weet je wat we doen?

[verdachte]: ja.

[medeverdachte 1]: Ga je nog met haar of niet

[verdachte]: jaja ik heb haar vanochtend nog geneukt maar ehh ik ga niet echt vast ofzo met haar maar ehh.

[medeverdachte 1]: tjohh

[verdachte]: ik neuk haar gewoon af en toe

[medeverdachte 1]: Ohh weet je wat we gaan doen, spreek met haar af, dan kom ik ook.

[verdachte]: ha ha ha ja dat is goed.

- de telefoontap d.d. 11 juni 2007 om 20.10 uur van [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] (dossierpagina’s 114 -115):

[medeverdachte 2]: Ja, zorg dat ze haar telefoon niet aan heeft staan he, zeg maar als we als we bezig zijn dat ze hem niet zeg maar heeft aangedrukt ofzo.

[medeverdachte 1]: is goed.

- de telefoontap d.d. 11 juni 2007 om 20.59 uur van [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 1] (dossierpagina 115):

[medeverdachte 2]: haal haar nummer uit je telefoon.

[medeverdachte 1]: ja ja ik weet.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 24 juni 2007 (dossierpagina’s 126-127), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

In de nacht van 11 juni 2007 kwam mijn dochter [slachtoffer] thuis. Ze zei dat ze niet kon zeggen wat er gebeurd was. Ze zei dat als ze vertelde wat er was gebeurd dat ze mijn man zouden doodsteken en dat ze mijn huis in de brand zouden steken. Ik heb van [slachtoffer] gehoord dat ze door drie mannen in elkaar was geslagen op een parkeerterrein. Ze vertelde dat de drie mannen haar hadden bedreigd. [slachtoffer] vertelde dat ze met [medeverdachte 1] had afgesproken in IJmuiden. Ze was bij hem in de auto gaan zitten en toen reed hij met haar naar Beverwijk. Hij reed naar het parkeerterrein en parkeerde daar. Kort daarna kwam er een andere auto het parkeerterrein oprijden en parkeerde vlakbij de auto van [medeverdachte 1]. Op een gegeven moment had ze zo’n klap gekregen dat ze op de grond viel en toen werd ze ook nog geschopt. Ze vertelde dat ze wilde vluchten en mij wilde bellen, dat ze toen door [medeverdachte 1] werd vastgepakt, werd geslagen en dat haar telefoon werd gebroken. [slachtoffer] vertelde dat ze in de auto moest gaan zitten, dat ze zelf weg wilde maar dat dat niet mocht. Ze vertelde dat ze naar IJmuiden werd gereden en dat die andere twee mannen daar ook naar toekwamen. Ze zei dat de drie mannen haar hadden verboden om er over te praten met mij, mijn man of de politie.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 26 juni 2007 (dossierpagina 163 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 11 juni 2007 rond 18.00 uur/18.30 uur werd ik gebeld door [medeverdachte 2]. Hij vertelde mij dat die heks uit IJmuiden iets met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) had. Ik begreep meteen dat het om [slachtoffer] ging. Zij is een scharreltje van mij. In Haarlem heb ik met [medeverdachte 2] en [verdachte] gesproken en [verdachte] vertelde mij dat hij seks had gehad met haar. Er vond toe een telefoongesprek plaats tussen [verdachte] en [slachtoffer]. Op een gegeven moment zette [verdachte] zijn telefoon op de luidspreker en ik hoorde dat zij toegaf dat zij die ochtend seks had gehad met [verdachte]. Omdat ik haar hiermee wilde confronteren heb ik vervolgens om kwart over acht een afspraak gemaakt met haar bij de Strawberries in IJmuiden. Met [verdachte] en [medeverdachte 2] maakte ik de afspraak dat ik met [slachtoffer] naar Beverwijk zou komen, bij een parkeerplaats tegenover het Rode Kruis Ziekenhuis. Tussen acht en half negen kwamen wij daar aan. [medeverdachte 2] en [verdachte] kwamen iets van vijf minuten later. Op een gegeven moment werd ik zo kwaad dat ik haar een pets met mijn platte hand gaf. Zij viel hierdoor op de grond. Terwijl zij op de grond lag gaf ik haar een schop tegen haar been en met de buitenkant van mijn hand nog een klap. Ik raakte haar kennelijk met een knokkel want haar oog werd meteen dik.

Ik ging aan de passagierskant mijn auto in en trok haar de auto uit. Ik weet niet waar ik haar vastpakte. Het kan best dat het aan haar haren was, maar het kan ook aan haar kleding geweest zijn. Ik heb haar terug gebracht naar de Strawberries en [medeverdachte 2] en [verdachte] reden achter mij aan. In de auto gaf ik haar nog een tik op haar been. Ik heb haar telefoon stukgeslagen of gebroken op de parkeerplaats in Beverwijk. Ik heb op haar gespuugd. Ik heb haar wel bedreigd.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 24 juli 2007 (dossierpagina 205 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op 11 juni 2007 besloot [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) naar [medeverdachte 2] en mij toe te komen. Toen hij om een uur of acht bij ons was, vertelde hij dat hij om 20.15 uur een afspraak had gemaakt met [slachtoffer]. [medeverdachte 1] kwam met het idee om samen naar de afspraak met [slachtoffer] te gaan. Hij vertelde aan [medeverdachte 2] waar hij met [slachtoffer] naar toe zou komen. Ik ben bij [medeverdachte 2] ingestapt en met hem naar de plek in Beverwijk gereden. Toen wij na een rondje gereden te hebben weer terugkwamen op de plek stond [medeverdachte 1] daar met [slachtoffer]. [medeverdachte 2] parkeerde de auto naast de auto van [medeverdachte 1] en wij stapten uit. [medeverdachte 1] stapte uit en kwam naast ons staan. Na een herhaald verzoek stapte [slachtoffer] uit. Ik zag dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] twee klappen gaf. Een met de binnenkant en een met de buitenkant van zijn hand. Hij raakte haar zodanig dat ze viel. Volgens mij gaf hij haar daarna een trap tegen haar been en nog een klap. Vervolgens gaf [medeverdachte 1] haar nog een klap tegen haar hoofd met de buitenkant van zijn hand waarop haar oog meteen dik werd.

Nadat [slachtoffer] klappen had gehad van [medeverdachte 1], heeft hij haar uit de auto getrokken. [slachtoffer] stapte later bij [medeverdachte 1] in de auto en [medeverdachte 1] zei ons dat we achter hem aan moesten rijden. [medeverdachte 2] en ik zijn achter hem aangereden naar de hockeyvelden bij het terrein van Telstar.

Ik denk dat [slachtoffer] heel bang is geweest. [medeverdachte 1] was heel erg agressief.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2007. Deze verklaring houdt – zakelijk weergegeven – onder meer in:

Ik blijf bij mijn verklaringen zoals ik die op 24 juli 2007 bij de politie en op 3 september 2007 bij de rechter-commissaris heb afgelegd. In aanvulling daarop verklaar ik het volgende. [medeverdachte 1] stelde voor dat wij samen zouden afspreken, met [slachtoffer]. Wij gingen haar samen ter verantwoording roepen. [medeverdachte 1] heeft de plek, de parkeerplaats, bepaald. Het is een rustige plaats.

Het klopt dat ik bij [medeverdachte 2] in de auto zat en heb gehoord dat hij het telefoongesprek van 11 juni 2007 om 20.10 uur voerde met [medeverdachte 1].

Terug op de parkeerplaats bij Strawberries ben ik uitgestapt. Ik ben naar de auto van [medeverdachte 1] gelopen.

Ik heb zelf mijn telefoonnummer uit de telefoon van [slachtoffer] gewist.

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 26 juni 2007 (dossierpagina 180 e.v.), inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het navolgende:

Op maandag 11 juni 2007 omstreeks zes uur ’s middags reed ik langs het pleintje aan de Jan Gijzenkade en zag daar [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) staan. Ik besloot even naar hem toe te gaan. Ik zag [slachtoffer] zitten. Ik was verbaasd en vroeg aan [verdachte] wat hij met haar moest. [verdachte] zei dat hij met haar ging. Ik begreep daaruit dat zij met [verdachte] ging en ook nog een keer met [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]). Ik heb toen [medeverdachte 1] gebeld. Dit is het gesprek dat dan gaat over die heks uit IJmuiden. Kort daarop kwam [medeverdachte 1] bij ons op het pleintje. [medeverdachte 1] vertelde dat hij [slachtoffer] ergens zou oppikken en daarna met haar naar de parkeerplaats bij het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk komen. [medeverdachte 1] zei dat ik met [verdachte] daar alvast naartoe moest rijden. We kwamen ongeveer tegelijkertijd op die parkeerplaats aanrijden. [slachtoffer] zat bij [medeverdachte 1] in de auto. We zijn allemaal uitgestapt. Ik zag dat [medeverdachte 1] haar sloeg in het gezicht. [slachtoffer] viel op de grond. [slachtoffer] is opgestaan en liep bij ons weg. [medeverdachte 1] is achter haar aangelopen.

Ik heb gezien dat [medeverdachte 1] naar [slachtoffer] heeft gespuugd, dat is twee keer gebeurd. Hij schold haar ook uit, noemde haar hoer.

[slachtoffer] is met [medeverdachte 1] naar de parkeerplaats bij de hockeyvereniging bij de Telstar velden gereden. Ik ben met [verdachte] in mijn auto erachteraan gereden.

[slachtoffer] zal wel bang zijn geweest. Als je klappen krijgt word je wel doodsbang zeker met drie man tegenover je.

4. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

- ten aanzien van feit 1 primair: medeplegen van een poging zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;

- ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

- ten aanzien van feit 3: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 is ten laste gelegd;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden, waarvan een deel groot vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee (2) jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte geen contact zal hebben met het slachtoffer [slachtoffer] en zich zal houden aan een door hem nader aangeduid straatverbod en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] met betrekking tot de feiten 1 primair, 2 en 3 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders de (ex) vriendin van [medeverdachte 1] naar een afgelegen parkeerplaats gelokt, om haar daar ter verantwoording te roepen voor haar gedrag, hieruit bestaande dat zij met twee van hen seks zou hebben gehad. Van te voren hebben zij telefonisch contact gehad, waarbij is afgesproken dat ze ervoor moesten zorgen dat de telefoon van het slachtoffer uit zou staan als ze bezig zouden zijn. [medeverdachte 1] heeft vervolgens samen met [medeverdachte 2] het slachtoffer op de afgesproken plaats in elkaar geslagen, getrapt en vernederd. Verdachte stond hierbij te grijnzen. Toen het slachtoffer weg wilde komen, heeft [medeverdachte 1] haar beetgepakt en de telefoon, waarmee ze haar moeder probeerde te bellen, kapot gemaakt. [medeverdachte 2] heeft tegen het slachtoffer gezegd dat zij niet naar de politie mocht gaan omdat hij haar anders zou afmaken. Vervolgens is het slachtoffer met geweld de auto in gewerkt en zijn verdachte en [medeverdachte 2] achter [medeverdachte 1] en het slachtoffer aangereden. Aldaar is het slachtoffer nogmaals duidelijk gemaakt door verdachte dat zij niets mocht zeggen over wat er was gebeurd.

Dergelijke strafbare feiten maken een ernstige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer en op de rechtsorde en veroorzaken gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, meer in het bijzonder bij het slachtoffer. Het slachtoffer kan vaak langdurig lijden onder de psychische gevolgen van een dergelijk traumatische gebeurtenis. Blijkens de zich in het dossier bevindende slachtofferverklaring is in het onderhavige geval nog altijd sprake van angstgevoelens bij het slachtoffer.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan.

Daarnaast acht de rechtbank oplegging van een contactverbod, waarbij het verdachte wordt verboden zowel middellijk als onmiddellijk met het slachtoffer [slachtoffer] in contact te treden alsmede een straatverbod noodzakelijk. Dergelijke verboden zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen straf worden verbonden.

6.3 Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 330,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit: de vernielde telefoon en de reis- en telefoonkosten.

De rechtbank is van oordeel dat de schade ten aanzien van de vernielde telefoon tot een bedrag van € 49,99 eenvoudig is vast te stellen en rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3.1 bewezen verklaarde feit 2. Voor de overige materiële schade ontbreekt voldoende onderbouwing.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de benadeelde partij [slachtoffer] - als voorschot - een vordering tot schadevergoeding van € 1.500,- ingediend tegen verdachte die zij als gevolg van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade rechtstreeks voortvloeit uit de onder 3.1 bewezen verklaarde feiten. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade in het kader van deze strafzaak tot het gevorderde bedrag billijk voor. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

6.4 Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten is toegebracht. Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 1.549,99.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 47, 57, 282, 285, 302, 303 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals vermeld onder 3.1.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vijf (5) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij gedurende de proeftijd naleeft het verbod om op welke wijze dan ook, zowel middellijk als onmiddellijk in contact te treden met het slachtoffer [slachtoffer] en het verbod om zich te op te houden binnen een straal van 500 meter van het woonadres van het slachtoffer, te weten, [woonplaats].

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.549,99 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] (derdengeldenrekening van Wolf advocaten) onder vermelding van [slachtoffer], tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeel¬de partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.549,99, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voorzover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte inzoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis, welke opheffing bij afzonderlijk bevel is geminuteerd. Als gevolg hiervan herleeft thans de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Van Mierlo voorzitter,

mrs. Toeter en Bijvoet, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. Blijleven,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 oktober 2007.