Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB7483

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-11-2007
Datum publicatie
09-11-2007
Zaaknummer
15/630471-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BL5731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak dubbele moord/doodslag. Verdachte is tenlastegelegd dat zij haar kinderen door middel van messteken om het leven zou hebben gebracht. De rechtbank spreekt verdachte vrij van de dubbele moord en van de innerlijk subsidiare doodslag.

De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van het volgende:

1. De twee door verdachte afgelegde bekentenissen zijn naar het oordeel van de rechtbank respectievelijk onrechtmatig verkregen (22 juni 2006) en onvoldoende betrouwbaar verkregen (29 juni 2006);

2. Het technisch onderzoek levert onvoldoende bewijs op dat verdachte haar kinderen heeft gedood en;

3. De stelling van verdachte dat [de onbekende] de kinderen heeft gedood kan niet worden uitgesloten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 29
Wetboek van Strafvordering 352
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2008/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/630471-06

Uitspraakdatum: 9 november 2007

Tegenspraak

strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 en 26 oktober 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I.V. HvB Nieuwersluis.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 14 juni 2006 te Purmerend opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen met een (steak)mes, althans een scherp voorwerp in de borst, althans in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is/zijn overleden.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot vrijspraak van de dubbele moord en bewezenverklaring van het innerlijk subsidiair tenlastegelegde feit - de doodslag meermalen gepleegd - en heeft gevorderd dat een gevangenisstraf van 8 jaren wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen en niet teruggegeven goederen aan verdachte worden teruggegeven.

3.2 Standpunt van verdachte

Namens verdachte is door haar raadslieden gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar tenlastegelegde feit. De raadslieden hebben aangevoerd dat het opsporingsonderzoek onvolledig is geweest, omdat sprake is geweest van een tunnelvisie bij het rechercheren, en dat de verbalisanten die de verhoren hebben afgenomen verdachte onder druk hebben gezet, waardoor artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering is geschonden. Ter onderbouwing van hun standpunten hebben de raadslieden verwezen naar het rapport van de Commissie Posthumus. Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat voorafgaand aan de vragen die in de auto aan verdachte zijn gesteld op weg naar het rouwcentrum, ten onrechte de cautie niet is gegeven.

De verdachte heeft ter terechtzitting haar eerdere verklaring, dat een man die zij kent onder de naam [de onbekende] haar kinderen heeft gedood, herhaald.

3.3 Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar kinderen - al dan niet met voorbedachten rade - om het leven heeft gebracht.

De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van het volgende:

1. De twee door verdachte afgelegde bekentenissen zijn naar het oordeel van de rechtbank respectievelijk onrechtmatig verkregen (22 juni 2006) en onvoldoende betrouwbaar verkregen (29 juni 2006);

2. Het technisch onderzoek levert onvoldoende bewijs op dat verdachte haar kinderen heeft gedood en;

3. De stelling van verdachte dat [de onbekende] de kinderen heeft gedood kan niet worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

3.3.1 de rechtmatigheid en de betrouwbaarheid van de bekentenissen op 22 en 29 juni 2006

Verdachte is achtmaal verhoord. In haar verhoren op 14, 15, 18, en het eerste verhoor van 22 juni 2006, heeft verdachte weliswaar wisselend verklaard, maar de strekking is steeds het zelfde geweest: niet zij, maar een ander heeft de kinderen gedood.

Verklaringen 22 juni 2006

Op 22 juni 2006 is aan verdachte verteld dat zij die dag in het rouwcentrum afscheid mocht nemen van haar kinderen. Voorafgaande aan dit afscheid is zij op 22 juni 2006 opnieuw langdurig verhoord, zonder dat er een advocaat aanwezig was. In dit verhoor is verdachte steeds opnieuw voorgehouden dat delen van haar eerder afgelegde verklaringen niet kloppen en dat het mogelijk is dat zij verdringt wat zich de betreffende avond in haar woning heeft afgespeeld.

Tegen het einde van dit verhoor, vlak voordat verdachte naar het rouwcentrum zal vertrekken, komt een hoofdinspecteur binnen. De rechtbank is bij het bekijken van de DVD's gebleken dat de betreffende hoofdinspecteur aan verdachte op intimiderende toon en met opgeheven armen zijn 'scenario' en haar rol daarin heeft voorgehouden.

Zo heeft hij verdachte - onder meer - het navolgende voorgehouden:

"Nee, we zeggen niet dat we denken dat je het gedaan hebt...Ik weet, ik weet dat je het gedaan hebt. Onder invloed van cocaïne, weliswaar, dat is de enige verlichtende factor die er is voor jou. Het is aan jou de keus, maak je er gebruik van, of niet? Maak je gebruik van die verlichtende factor dat je gesnoven hebt, en dat het gebruikt (de rechtbank leest: gebeurd) is onder invloed of niet? Er is geen man bij jou in de flat geweest. Dan zouden we daar sporen van hebben aangetroffen, [verdachte]. Want we hebben namelijk zo’n lijst van sporen op jou aangetroffen. En die rechter die kijkt daarnaar, en die concludeert klinisch op papier dat jij het hebt gedaan. En nou moet jij met een leugen leven, maar zo ga jij dus, zo meteen afscheid nemen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], dat is jouw keus, he. Dus de reden dat wij het aan jou vragen dat is voor jezelf, niet voor ons, want wij hebben een ronde zaak. Je linkerarm die je niet kon optillen, he, jij weet wel waar het van kwam, want er is 67 keer, 60 keer en 27 keer gestoken, daarom kon jij je arm niet meer optillen, dat was daardoor."

En:

"Stop er mee, ik voel me eigen gewoon een beetje gepiepeld door je. Je kunt kneppelhard liegen, maar goed je bent ook jaren verslaafd geweest. Als ik zie de sporen op je broek, op je trui, op het mes, aan het bed, in huis, aan je arm die je niet kunt optillen, aan de bloedspatten op je arm... die van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn. Neem jezelf nou toch niet in de maling meid."

Naar het oordeel van de rechtbank presenteert de hoofdinspecteur verdachte hier een aantal gegevens als vaststaande feiten die nog niet door onderzoek waren bevestigd, dan wel apert in strijd zijn met de uiteindelijke onderzoeksresultaten.

Direct na dit onderdeel van het verhoor heeft verdachte op 22 juni 2006, terwijl zij buiten met haar vaste verhoorders wachtte op transport naar het rouwcentrum, uit eigener beweging verklaard dat het allemaal niet zo is gegaan zoals zij eerder had verklaard. Op het moment dat de verbalisanten verdachte in de auto naar aanleiding hiervan vragen zijn gaan stellen, hadden zij haar, gelijk het standpunt van de verdediging, de cautie moeten geven. Dit is niet gebeurd.

Voorts heeft de rechtbank geconstateerd dat het gesprek zoals dat is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen onvolledig moet zijn gerelateerd nu in het verhoor na terugkomst uit het rouwcentrum teruggegrepen wordt op antwoorden die door verdachte zouden zijn gegeven en die niet terugkomen in het relaas van de verbalisanten. Daar waar het gaat om een geheel nieuwe wending in het verhaal van de verdachte en het de enige verklaring van verdachte betreft die niet audiovisueel is vastgelegd, is de rechtbank van oordeel dat dit bijzonder onzorgvuldig en onwenselijk is.

Na terugkomst uit het rouwcentrum is verdachte opnieuw langdurig, wederom zonder advocaat, verhoord. Zij verklaart dan dat zij het wel gedaan moet hebben, dat de hoofdinspecteur wel gelijk moet hebben dat haar arm pijn deed van het steken, dat zij weet dat zij het haar kinderen heeft aangedaan, maar het niet meer vóór zich kan halen, dat het wel zo moet zijn dat zij met het mes naar [slachtoffer 1] is gegaan omdat het mes onder het bloed zat en van haar die sporen zijn aangetroffen.

Objectieve druk

Door de verdediging is aangevoerd dat deze wijze van verhoren in strijd is met het pressieverbod van artikel 29 Wetboek van Strafvordering. De rechtbank is in het licht van de jurisprudentie terzake (onder meer: Hof Amsterdam d.d. 2 mei 2000, LJN AD8524, en Hof Arnhem d.d. 12 december 2000, LJN AA8995), van oordeel dat, hoewel de wijze van verhoor zeer indringend is geweest en op sommige momenten onbehoorlijk en intimiderend, niet kan worden gezegd dat daarmee objectief een ontoelaatbare druk op verdachte is uitgeoefend, teneinde een bekennende verklaring te verkrijgen. In een zware strafzaak als de onderhavige is een zekere verbale en non-verbale druk toelaatbaar. Anders dan door verdachte is gesuggereerd, is niet gebleken dat er enige fysieke druk op verdachte is uitgeoefend.

Subjectieve druk

Op 22 juni 2006 had verdachte slechts een week daarvoor haar twee jonge kinderen verloren, zij is vrijwel direct aangehouden en zat sindsdien in volledige beperkingen, zij wist niet of zij de crematie van haar kinderen zou mogen bijwonen en zij had eerst op 22 juni 2006 gehoord dat zij op die dag afscheid mocht nemen van haar kinderen. Zij is direct voorafgaande aan dit laatste afscheid van haar kinderen op intimiderende wijze benaderd en haar zijn niet bevestigde dan wel onjuiste gegevens als vaststaande feiten voorgehouden. Na terugkomst uit het rouwcentrum is verdachte wederom langdurig en zonder advocaat op een sturende wijze verhoord. Dit alles maakt, bezien in het licht van de jeugdige leeftijd en de persoonlijkheid van verdachte, zoals die uit het onderzoek door de gedragsdeskundigen, waaronder het Pieter Baan Centrum, is gebleken, dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte op 22 juni 2006 onder een dermate druk heeft gestaan, dat niet gezegd kan worden dat zij haar bekennende verklaringen in vrijheid heeft afgelegd.

Op grond van het bovenstaande neemt de rechtbank de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op 22 juni 2006, niet mee als bewijs.

Verklaring 29 juni 2006:

Na haar bekentenis van 22 juni 2006 zijn de beperkingen opgeheven. Tussen 22 en 29 juni 2006 is verdachte niet gehoord. Zij is niet bezocht door haar raadsman. Voor zover de rechtbank in het dossier kan zien heeft er geen onderzoek plaats gevonden in die periode. De kinderen zijn in de tussenliggende periode gecremeerd. Verdachte is daarbij aanwezig geweest. Op 29 juni 2006 heeft hetzelfde verhoorkoppel dat haar op 22 juni 2006 heeft verhoord, haar wederom verhoord, nu in aanwezigheid van haar raadsman.

Verdachte heeft steeds - met uitzondering van de hierboven gerelateerde bekentenis op 22 juni 2006 - verklaard, dat zij zich van de betreffende nacht, vanaf het moment dat een derde persoon haar woning binnenkwam niets, of in elk geval heel weinig, kan herinneren.

In het verhoor van 29 juni 2006 heeft verdachte opnieuw een verklaring afgelegd over de wijze waarop zij de kinderen zou hebben gedood.

De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de veelvuldige en sturende verhoren voor verdachte, vanwege haar zwakke identiteit, zo indringend zijn geweest, dat zij het scenario, dat verbalisanten haar op de 22ste juni 2006 hebben aangereikt, is gaan inkleuren en aldus heeft geleid tot de bekennende verklaring van de 29ste juni 2006. De rechtbank acht voorts de weinige details die verdachte in haar verklaring van 29 juni 2006 beschrijft niet dermate specifiek, dat uit die details daderkennis mag worden afgeleid.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van verdachte van 29 juni 2006 onvoldoende betrouwbaar om als bewijsmiddel te hanteren.

3.3.2 het technisch bewijs

Sporenonderzoek DNA

Er is technisch onderzoek verricht naar autosomaal DNA op alle sporen die in aanmerking kwamen voor DNA-onderzoek en - op verzoek van verdachte - bij een aantal sporen naar Y-chromosomaal DNA. Daaruit komt naar voren dat er in de verschillende bemonsteringen veel celmateriaal van verdachte en haar kinderen is aangetroffen. In een aantal bemonsteringen zijn onbekende DNA-kenmerken aangetroffen. Deze onbekende kenmerken zijn grotendeels te herleiden tot diegenen waarvan referentiemonsters zijn afgenomen, te weten de partner van verdachte, de vader van verdachte en de man die bij verdachte op bezoek was voorafgaand aan het tenlastegelegde. Bij een klein aantal DNA-sporen is onbekend gebleven wie de donor hiervan is. Niet valt uit te sluiten dat verdergaand Y-chromosomaal onderzoek, bijvoorbeeld op het heft van het mes en op bloed aangetroffen in de spoelbak, al dan niet in combinatie met een groter aantal referentiemonsters, tot meer duidelijkheid geleid zou hebben.

De deskundigen hebben ter terechtzitting over deze niet te herleiden DNA-sporen verschillende hypotheses naar voren gebracht. Ook over het ontbreken van duidelijke sporen van een derde hebben de deskundigen verschillende hypotheses. Geen van de deskundigen kan uitsluiten dat een ander dan verdachte de dader is.

Sporenonderzoek bloed

De deskundigen hebben verschillend verklaard over de bloedsporen op de kleding die verdachte droeg ten tijde van het tenlastegelegde. Ing. van der Scheer van het NFI verklaart dat op de joggingbroek van verdachte bloedspatten zitten die er op wijzen dat zij zich ten tijde van het ontstaan van deze bloedspatten dichtbij de bloedbron heeft bevonden en dat zij derhalve in de buurt moet zijn geweest op het moment dat [slachtoffer 1] werd gestoken.

Ing. Eikelenboom is van mening dat deze conclusie niet zonder meer getrokken kan worden in verband met het absorberende karakter van de kleding.

Wat hier ook van zij; zelfs wanneer de rechtbank de meest vergaande conclusie van ing. van der Scheer overneemt, staat niet vast dat verdachte een actieve rol gespeeld heeft bij het doden van een of beide kinderen.

Waar - enerzijds - de aanwezige sporen ook op andere wijze kunnen worden verklaard dan door daderschap van verdachte, ontbreken - anderzijds - bij verdachte sporen die op daderschap zouden kunnen duiden. Zo is onder de nagels van verdachte geen bloed van de slachtoffers aangetroffen, terwijl dat wel voor de hand zou liggen. Er zijn aanwijzingen dat zij haar handen heeft afgespoeld, maar er zijn geen aanwijzingen zijn dat verdachte haar handen grondig heeft geschrobd.

Letselbeoordeling verdachte

Met de resultaten uit het rapport 'letselbeoordeling bij mevrouw [verdachte]' van de forensisch arts van het NFI blijft open of het letsel is veroorzaakt door overmatige belasting van de strekspier van de linkerarm dan wel door uitwendige, stompe geweldsinwerking. Aangegeven wordt wel dat er op het moment van consultatie geen verschijnselen van stomp mechanisch geweld zijn, maar dat een herbeoordeling na 24 en 48 uur geïndiceerd is. Deze herbeoordeling heeft niet plaatsgevonden, zodat niet kan worden vastgesteld of verdachte ten tijde van het misdrijf haar linkerarm overmatig heeft belast dan wel dat zij last had van haar arm ten gevolge van de door haar gemelde val tegen de sidetable.

Toxicologisch onderzoek.

Uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat verdachte op 13 juni 2006 cocaïne heeft gebruikt in een hoge werkzame concentratie.

Uit het rapport van het Pieter Baan Centrum blijkt dat bij verdachte cocaïnegebruik niet een verklaring kan zijn voor de omvang en het moment van de geweldsexplosie naar de kinderen.

3.3.3 de stelling van de verdachte dat [de onbekende] de kinderen heeft gedood kan niet worden uitgesloten.

Op 14 juni 2006 omstreeks 2.50 uur heeft verdachte "112" gebeld met de mededeling dat een jongen in haar woning haar kinderen heeft lekgestoken. Verdachte is door de politie aangetroffen in de woning en meegenomen naar het bureau. Op dat moment werd zij niet aangemerkt als verdachte. Een uur na haar melding is verdachte aangehouden op bevel van de hulpofficier van justitie. Niet duidelijk is op welke gronden zij als verdachte is aangemerkt. Verdachte is bij haar aanhouding onmiddellijk in alle beperkingen gesteld.

Alle verklaringen van verdachte hebben, alhoewel op onderdelen wisselend, steeds dezelfde strekking gehad, namelijk dat niet zij, maar een ander de kinderen heeft gedood. In haar 3e verklaring, op 15 juni 2006, noemt verdachte een naam: '[de onbekende]'. Zij verklaart dat [de onbekende] het heeft gedaan vanwege een conflict in de drugssfeer tussen [een kennis], een kennis uit de drugswereld, en [ex-partner], de biologische vader van de kinderen, destijds een drugsdealer. Verdachte heeft over deze [de onbekende] verklaard, dat hij een vriend is van [een kennis], dat hij iets met hennepkwekerijen te maken had, en dat zij weet dat hij altijd vanuit de richting van het Leeghwaterpark in Purmerend kwam aanlopen. Zij heeft voorts een beschrijving gegeven van [de onbekende].

Het onderzoek door de politie naar [de onbekende] leverde een [persoon] op. Deze [persoon] verklaarde dat hij verdachte al lang niet meer gezien had. [Persoon] voldeed niet aan het signalement dat verdachte had opgegeven. Vanaf dat moment is in deze richting door de politie niet verder gerechercheerd noch op specifieke uiterlijke kenmerken, zoals door verdachte genoemde bijzondere sieraden die de dader zou dragen, noch in het Leeghwaterpark waar hij zich zou ophouden.

Verdachte is - op uitdrukkelijk verzoek van de huidige raadsvrouwe - pas op 13 februari 2007 in staat is gesteld een compositietekening van [de onbekende] te laten maken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting terecht geconcludeerd dat deze compositietekening niet - geheel - overeen komt met de eerdere beschrijving die verdachte van [de onbekende] heeft gegeven. De rechtbank hecht evenwel weinig waarde aan deze vaststelling gelet op het feit dat de compositietekening pas acht maanden na het tenlastgelegde is opgemaakt. De compositietekening is niet uitgezet. Evenmin zijn [een kennis] en [ex-partner], die de betreffende [de onbekende] volgens de verklaringen van verdachte zouden moeten kennen, geconfronteerd met de compositietekening.

Ook het technisch onderzoek zoals dat thans is verricht sluit niet uit dat een ander dan verdachte mogelijk de dader is geweest. In de bemonsteringen is veel celmateriaal van verdachte en haar kinderen aangetroffen en relatief weinig onbekende DNA-kenmerken. Desgevraagd hebben de verschillende deskundigen hieromtrent verklaard dat het niet onmogelijk is, gelet op de grote hoeveelheid bloed van met name de dochter van verdachte, dat het DNA voortkomend uit huidepitheel van een - onbekende - derde is ondergesneeuwd door het sterkere DNA van bloed. Met andere woorden, het feit dat er nauwelijks DNA van een onbekende is gevonden betekent niet zonder meer dat deze er niet kan zijn geweest.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte, namelijk dat een ander dan verdachte verantwoordelijk is voor de dood van de kinderen, enerzijds onvoldoende is uitgerechercheerd, en, anderzijds, niet kan worden uitgesloten door de bewijsmiddelen.

Concluderend

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat op grond van de wettig en rechtmatig verkregen bewijsmiddelen onvoldoende vast is komen te staan dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

Het ten laste gelegde feit is mitsdien niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken.

4. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het haar ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- 1.00 STK Broek Kl: blauw, jogging;

- 1.00 STJ T-shirt Kl: grijs.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.Th. Goossens, voorzitter,

mr. W. Aardenburg en mr. A.M. Hol, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. M. Valk en S.J. Giling,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 november 2007.