Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6893

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
139135 / HA RK 07-94
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing wrakingsverzoek. Verzoekers wilden hun persoonlijke omstandigheden en (politieke) motieven van hun daden naar voren te brengen tijdens het laatste woord, waarbij zij een op schrift gestelde verklaring van enkele bladzijden wilden voordragen. Volledige voorlezing van die verklaringen is hen geweigerd. De motivatie voor het plegen van bepaalde feiten is in sommige gevallen van politieke aard. Niet kan worden volgehouden dat verdachten met het naar voren brengen van deze motieven onnodig in herhaling vielen of dat die motieven geen verband konden houden met de aan de orde zijnde feiten. Vast is komen te staan dat de politierechter verzoekers niet de gelegenheid wilde geven die politieke motieven voor de hun verweten daden in het laatste woord volledig naar voren te brengen. Daarmee is een situatie ontstaan die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de politierechter jegens de verzoekers de schijn heeft gewekt vooringenomen te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Wrakingskamer, raadkamer

zaaknummer: 139135 / HA RK 07-94

datum beslissing: 25 oktober 2007

Op verzoek van:

[verzoekster 1]

geboren op […] te […],

wonende te […],

verzoekster,

[verzoeker 1]

geboren op […] te […],

wonende te […],

verzoeker,

[verzoeker 2]

geboren op […] te […],

wonende te […],

verzoeker,

[verzoekster 2]

verzoekster,

[verzoekster 3]

geboren […] te […],

zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

verzoekster,

[verzoeker 3]

geboren op […] te […],

wonende te […],

verzoeker,

raadsman mr. H.G. Kersting, advocaat te Amsterdam.

1. Procesverloop

1.1 Op de openbare zitting van 25 september 2007 hebben verzoekers de wraking verzocht van [naam], hierna te noemen: de politierechter, in de bij deze rechtbank, sector Strafrecht, aanhangige strafzaken met parketnummers 15/530418-06, 15/670892-06, 15/830147-07, 15/830148-07, 15/830149-07, 15/830150-07, 15/830151-07 en 15/830152-07, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2 De rechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd en laten weten niet te berusten in de wraking.

1.3 Verzoekers, de politierechter en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 11 oktober 2007. Verzoeksters [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zijn verschenen, bijgestaan door hun raadsman. De officier van justitie in de persoon van mr. M.E. Van der Plas is eveneens verschenen. De rechter heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt.

2. Beoordeling

2.1 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert.

2.2 De wrakingskamer betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

a. Op 25 september 2007 heeft de politierechter behandeld zaken waarin aan verzoekers en een andere verdachte strafbare feiten zijn tenlastegelegd in verband met blokkadeacties bij het detentiecentrum te Schiphol en een openbare (raads)vergadering in de gemeente Zaanstad.

b. Het onderzoek ter terechtzitting nam een aanvang om half tien in de ochtend en was rond half twee nog niet gesloten. Ter zitting zijn de bewijsmiddelen behandeld en zijn onder meer video-opnames bekeken. Alle verzoekers behoudens [verzoekster 3] en [verzoeker 3] waren aanwezig. Verzoekers hebben zich bij de behandeling van de feiten en persoonlijke omstandigheden merendeels beroepen op hun zwijgrecht.

c. De politierechter heeft blijkens het procesverbaal de verzoekers het recht gelaten het laatste woord te voeren.

d. [Verzoekster 2] heeft gebruik gemaakt van haar recht het laatst het woord te voeren.

e. Toen de politierechter aan verzoekster [verzoekster 1] de gelegenheid gaf het laatst het woord te voeren, heeft verzoekster gezegd dat zij haar laatste woord op schrift had gesteld en dat zij haar procesverklaring graag wilde voorlezen. De verklaring bestond uit 3 pagina’s tekst. De politierechter heeft toen aangegeven, dat zij de verdachte met het oog op de tijd en uitgebreide inhoudelijke behandeling van de zaken tot dat moment, niet onbeperkt de tijd zou geven voor haar laatste woord. Zij heeft verzoekster voorgesteld een samenvatting te geven en haar medegedeeld dat zij verzoekster, indien zij meer tijd zou nemen, zou onderbreken. Nadat de verzoekster ongeveer vijf minuten aan het woord was geweest, heeft de politierechter haar verzocht en later gesommeerd haar laatste woord te beëindigen. Toen de verdachte daaraan geen gevolg gaf, is de verdachte op bevel van de politierechter uit de zittingszaal verwijderd.

f. Aan verdachte [verzoeker 2] heeft de politierechter meegedeeld dat ook hij maximaal vijf minuten kreeg om zijn laatste woord uit te spreken. Ook hij wilde een verklaring voorlezen die hij op schrift had gesteld. Na vijf minuten heeft de politierechter ook hem verzocht zijn laatste woord te beëindigen. Daarop heeft de raadsman van verzoekers de politierechter gewraakt.

2.3 De raadsman heeft aangevoerd dat de politierechter door twee cliënten, te weten [verzoekster 1] en [verzoeker 2], het recht te ontnemen volledig hun laatste woord uit te spreken, blijk heeft gegeven van partijdigheid dan wel vooringenomenheid dan wel de gerechtvaardigde vrees daarvoor, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt dan wel schade zou kunnen leiden. De raadsman voert daarbij aan dat vaste jurisprudentie is dat een verdachte het recht wordt gelaten het laatst te spreken, zijnde een ‘waarborg dat geen onderdeel van het onderzoek, hetwelk ten bezware van de verdachte zou kunnen strekken, door deze onweersproken behoeft te blijven’. In deze zaak konden cliënten bij het uitspreken van het laatste woord voor het eerst hun persoonlijke motieven naar voren brengen. Dat de politierechter daartoe niet de gelegenheid geeft zulks in principe onbeperkt te doen en zelfs zover gaat cliënte [verzoekster 1] middels de marechaussee uit de rechtszaal te laten verwijderen, schaadt haar onpartijdigheid. Vrijheid van meningsuiting is een groot goed. Het ging in dit geval om de politieke motieven die aan het handelen ten grondslag liggen.

2.4 In haar schriftelijke reactie heeft de politierechter toegelicht waarom er naar haar oordeel geen grond is voor wraking. Zij wijst er op dat de feiten en (persoonlijke) omstandigheden in de zaken uitgebreid ter zitting aan de orde zijn gesteld, maar dat verdachten zich bij die bespreking op hun zwijgrecht hadden beroepen. Zij heeft de verdachten het recht gelaten het laatst te spreken. De bedoeling van het laatste woord is dat verdachte het laatst in de gelegenheid wordt gesteld zich uit te laten over inhoudelijke, op zijn of haar strafzaak betrekking hebbende argumenten dan wel om ter verdediging of voor het aanvoeren van persoonlijke omstandigheden alles in te kunnen brengen wat daarvoor functioneel kan zijn. Als tijdens het laatste woord het aangevoerde niet in verband staat met de berechting dan mag de rechter de verdachte het laatste woord ontnemen. Zij verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 23 maart 1982, NJ 1982, 627. Naar het oordeel van de politierechter wilden verdachten hun laatste woord niet zozeer gebruiken om inhoudelijke op de strafzaak betrekking hebbende argumenten naar voren te brengen, maar hebben zij veeleer die gelegenheid aangegrepen om de rechtszaal als politiek podium voor hun gedachtegoed te gebruiken.

2.5 Gelet op artikel 311 lid 4 Sv. is het laatste woord bedoeld om ter verdediging alles in te kunnen brengen wat daarvoor functioneel kan zijn, waaronder dus ook begrepen het aanvoeren van persoonlijke omstandigheden en motieven die voor de bepaling van de strafmaat van belang kunnen zijn. Als tijdens het laatste woord geen nieuwe aspecten meer naar voren komen, de verdachte in herhaling vervalt of het aangevoerde niet in verband staat met de op de terechtzitting aan de orde zijnde zaak of de verdachte beledigende c.q. kwetsende opmerkingen maakt, mag de rechter de verdachte het laatste woord ontnemen. Een verdachte heeft niet het recht onbeperkt te spreken.

In de onderhavige zaak hebben verzoekers [verzoekster 1] en [verzoeker 2] er voor gekozen om de persoonlijke omstandigheden en (politieke) motieven van hun daden naar voren te brengen tijdens het laatste woord, waarbij zij een op schrift gestelde verklaring van enkele bladzijden wilden voordragen. De rechter heeft in de reactie op het wrakingsverzoek aangegeven dat zij grenzen heeft gesteld aan het laatste woord van de verzoekers [verzoekster 1] en [verzoeker 2] mede omdat zij inschatte dat zij hun laatste woord aangrepen om de rechtszaal als politiek podium voor hun gedachtegoed te gebruiken.

De motivatie voor het plegen van bepaalde feiten is in sommige gevallen van politieke aard. Niet kan worden volgehouden dat verdachten met het naar voren brengen van deze motieven onnodig in herhaling vielen of dat die motieven geen verband konden houden met de aan de orde zijnde feiten. Vast is komen te staan dat de politierechter [verzoekster 1] en [verzoeker 2] niet de gelegenheid wilde geven die politieke motieven voor de hun verweten daden in het laatste woord volledig naar voren te brengen. Daarmee is een situatie ontstaan die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de politierechter jegens de verzoekers de schijn heeft gewekt vooringenomen te zijn. Dat de politierechter ter zitting nog heeft aangeboden de schriftelijke verklaringen na de zitting te zullen doorlezen, kan deze schijn van vooringenomenheid niet meer ongedaan maken. Ook is niet van belang dat aan de inhoudelijke behandeling van de zaak reeds veel tijd was besteed en die middag andere zaken behandeld moesten gaan worden.

Op zichzelf lijkt voor die conclusie ten aanzien van verdachte [verzoekster 2] minder grond, nu die verdachte haar laatste woord ononderbroken heeft kunnen uitspreken, maar de wrakingskamer ziet in verband met de samenhang van de zaken en de daaruit voortvloeiende gezamenlijke behandeling van de zaken geen mogelijkheid ten aanzien van de andere verdachten, waaronder [verzoekster 2], dan [verzoekster 1] en [verzoeker 2] tot een andere beoordeling te komen.

2.6. De rechtbank zal het verzoek toewijzen.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 wijst het verzoek om wraking toe;

3.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoekers, de raadsman, de rechter en de officier van justitie een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

3.3 bepaalt dat de hoofdzaak verder zal worden behandeld door een andere rechter en beveelt dat de behandeling ter zitting opnieuw wordt aangevangen op een nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Guinau, voorzitter, en mrs. R.H.M. Bruin en A.C. Terwiel-Kuneman, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2007 in tegenwoordigheid van C.A. de Koning als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.