Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6765

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
358614 AO VERZ 07-884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. Het ontbreken van iedere onderbouwing van het door werkgever gestelde disfunctioneren van werknemer en van het door werkgever geuite vermoeden van fraude door de werknemer, geeft aanleiding tot een vergoeding met correctiefactor C = 1,75. Bij vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding wordt rekening gehouden met de door werknemer te lijden maximale inkomensschade tot de leeftijd van 65 jaar. Geen rekening wordt gehouden met het feit dat werkgever eigen risicodrager is ten aanzien van de WW-uitkeringen dan wel met de mogelijkheid of de wens van werknemer om met vervroegd pensioen te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
XpertHR.nl 2013-388375
XpertHR.nl 2011-365903
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rep.nr.: 358614/ AO VERZ 07-884

datum uitspraak: 30 oktober 2007

BESCHIKKING ONTBINDING ARBEIDSOVEREENKOMST

inzake

DE MEERLANDEN N.V.

te Aalsmeer

verzoekster

hierna: De Meerlanden

gemachtigde: mr. D.J. Bender

tegen

[verweerder]

te [woonplaats]

verweerder

hierna: [verweerder]

gemachtigde: mr. R. Verkerke

De procedure

Op 14 september 2007 is ter griffie een verzoekschrift ontvangen van De Meerlanden. [verweerder] heeft op 17 oktober 2007 een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift bevat ook een zelfstandig ontbindingsverzoek.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2007. Op deze zitting hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. De gemachtigden hebben pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

Beide partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

a. [verweerder], 58 jaar oud, is sinds 1975 bij (de rechtsvoorgangster van) De Meerlanden in dienst, tot 2 oktober 2006 in de functie van toezichthouder milieustraat en sindsdien (onder protest) in de functie van medewerker reinigingsdienst, tegen een salaris van € 2.200,76 bruto per maand exclusief exclusief 8 % vakantiegeld en overige emolumenten waaronder € 60,42 aan permanente inconveniëntentoeslag.

b. Bij brief van 3 oktober 2006 heeft De Meerlanden [verweerder] laten weten dat de milieustraat waar [verweerder] tot dan werkzaam was en waar de inwoners van Heemstede hun vuil konden aanbieden, nu ook opengesteld is voor de inwoners van de Haarlemmermeer en dat De Meerlanden een kwaliteits¬verbetering met een nieuwe structuur en werkwijze wil door¬voeren. Om een nieuwe start te maken met nieuwe mensen achtte De Meerlanden het niet wenselijk om [verweerder] in te roosteren op de zaterdag in de milieustraat en ter vervanging heeft De Meerlanden [verweerder] een functie binnen de reinigingsdienst aangeboden voor het legen van prullenbakken, onder dezelfde arbeidsvoorwaarden, aldus die brief, waarin [verweerder] tot en met vrijdag 6 oktober 2006 de gelegenheid werd geboden na te denken over dat aanbod.

c. [verweerder] is onder protest de nieuw opgedragen werkzaamheden gaan verrichten.

d. In reactie op de brief van 10 oktober 2006 van de gemachtigde van [verweerder] over de functiewijziging heeft De Meerlanden bij brief van 21 november 2006 gesteld dat [verweerder] niet goed functioneerde, dat de klantvriendelijkheid van [verweerder] te wensen overliet en dat de ruime verdubbeling van het verzorgingsgebied een nog nauwkeuriger administratie- en registratie¬voering en nog intensiever klantencontact vergde, dat daardoor sprake is van een nieuwe functie waarvoor de keuze is gevallen op twee andere medewerkers.

e. [verweerder] is van 27 november 2006 tot 26 maart 2007 arbeidsongeschikt geweest.

f. Bij brief van 1 december 2006 heeft De Meerlanden [verweerder] nog meer verwijten gemaakt, stellende dat [verweerder] op ernstige wijze in strijd heeft gehandeld met de voorschriften en de geloofwaardigheid van De Meerlanden in diskrediet heeft gebracht.

g. Op voorstel en aandringen van [verweerder] is een mediationtraject gestart, dat zonder het gewenste resultaat is gebleven. In het kader van dat traject was [verweerder] vanaf 26 maart 2007 vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van het loon.

Het verzoek

De Meerlanden verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair wegens een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden.

Ter toelichting stelt De Meerlanden – samengevat – het volgende. [verweerder] disfunctioneerde als toezichthouder milieustraat. [verweerder] volgde onder meer de interne instructies over registratie en schoonmaak niet op en ook was [verweerder] te nonchalant en nors en onvriendelijk naar de klanten toe. Ondanks daar herhaalde malen op te zijn aangesproken heeft [verweerder] zijn handelwijze niet veranderd. Daarop heeft De Meerlanden hem een passende andere functie aangeboden. Nadien is De Meerlanden gebleken dat [verweerder] weer op ernstige wijze in strijd heeft gehandeld met de uitdrukkelijke voorschriften van De Meerlanden. Daardoor heeft De Meerlanden geen enkel vertrouwen meer in het functioneren van [verweerder].

Ook bestaat het sterke vermoeden dat [verweerder] frauduleus heeft gehandeld als toezichthouder op de milieustraat door daar voor zichzelf handel te drijven.

[verweerder] heeft De Meerlanden daarmee een dringende reden voor ontbinding gegeven. In ieder geval is er sprake van veranderingen in de omstandigheden, zonder dat er aanleiding is [verweerder] een vergoeding toe te kennen.

Het verweer en het tegenverzoek

[verweerder] heeft het verzoek van De Meerlanden en de gronden daartoe betwist. [verweerder] heeft op andere gronden eveneens verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, onder toekenning aan hem van een vergoeding van € 200.000,00.

Ter toelichting voert [verweerder] – samengevat – het volgende aan. [verweerder] is door de verwijten van De Meerlanden volslagen overvallen. Tot januari 2006 heeft [verweerder] steeds goed gefunc¬tioneerd, zoals ook blijkt uit het meest recente functioneringsverslag van 17 januari 2006. In dat verslag is onder meer opgenomen dat De Meerlanden tevreden is over de houding van [verweerder] naar de klant. [verweerder] is vóór 2 oktober 2006, de dag waarop hij van zijn functie werd ontheven en zijn werkplek werd ontruimd, nooit aangesproken op de (niet onderbouwde) verwijten die hem nu gemaakt worden door De Meerlanden. Die verwijten zijn ook zonder grond, maar zelfs als er wel enige grond voor zou zijn geweest dan had De Meerlanden [verweerder] de gelegenheid moeten geven zich te beteren. Toen [verweerder] duidelijk werd waar De Meerlanden op aanstuurde heeft hij nog gepoogd door middel van mediation een oplossing te bewerkstelligen, maar De Meerlanden heeft dat aanvankelijk afgehouden. Nadat de mediation was mislukt heeft De Meerlanden meteen dit verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.

De Meerlanden heeft zich met haar handelwijze als een slecht werkgever gedragen. Een vruchtbare voortzetting van de samenwerking ziet [verweerder] nu niet meer zitten. Er is alle aanleiding om [verweerder] een vergoeding toe te kennen.

De beoordeling van het verzoek

1. De kantonrechter heeft zich ervan vergewist dat het verzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:685 lid 1 BW.

2. Beide partijen wensen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst beëindigd te zien. Daarmee zijn er voldoende gewichtige redenen om de arbeidsovereenkomst op korte termijn te ontbinden, zodat het verzoek in zoverre toewijsbaar is.

3. Beoordeeld moet worden of aan [verweerder] in redelijkheid een vergoeding toekomt. De kantonrechter is van oordeel dat dat het geval is op grond van de volgende vast¬stellingen en overwegingen.

4. De Meerlanden heeft niet met feiten of stukken onderbouwd dat [verweerder] in zijn functie van toezichthouder milieustraat gedisfunctioneerd heeft, laat staan dat is aangetoond dat zij [verweerder] de gelegenheid heeft gegeven zijn functioneren te verbeteren. Niets is daarover terug te vinden in de functioneringsgespreksverslagen, ook niet in het meest recente. In dat laatste is volstaan met een opmerking dat [verweerder] vriendelijker zou mogen zijn, waarbij wel is vermeld dat het niet vriendelijk zijn voortkwam uit de frustratie van [verweerder] dat hij te vaak alles alleen moet doen. Op alle aandachtspunten scoorde [verweerder] bij die functioneringsbeoordeling “Ja” op de vraag of De Meerlanden tevreden was. De twee door De Meerlanden in het geding gebrachte verklaringen van recente datum van direct leidinggevenden zijn te algemeen en weinigzeggend om enig gewicht van belang in de weegschaal te vormen.

5. Dat [verweerder] aangeeft volkomen overvallen te zijn door die aanmerkingen op zijn functioneren is alleszins begrijpelijk. Zelfs in de brief waarin De Meerlanden meedeelt dat [verweerder] een andere functie krijgt is niets vermeld over de verwijten die De Meerlanden later in de brieven van 21 november 2006 en 1 december 2006 over [verweerder] heeft geuit, dus op een moment dat [verweerder] al andere werkzaamheden moest verrichten. [verweerder] heeft overigens die verwijten inhoudelijk gemotiveerd betwist.

6. Dat de eigen functie van [verweerder] werd gewijzigd heeft De Meerlanden evenmin inhoudelijk gesteld of onderbouwd, en ook niet waarom [verweerder] in de volgens De Meerlanden nieuwe structuur en werkwijze niet zou passen.

7. Dat [verweerder] door deze handelwijze van De Meerlanden stressklachten heeft gekregen valt te begrijpen, temeer daar De Meerlanden ook nog het (niet met ter zake doende feiten, stukken of verklaringen onderbouwde) vermoeden heeft geuit dat [verweerder] gefraudeerd zou hebben. De directeur van De Meerlanden heeft ter zitting toegegeven dat er geen bijzondere aanleiding was om bij aannemers navraag te doen of [verweerder] zich misschien schuldig had gemaakt aan fraude, maar dat hij dat enkel had gedaan omdat hij een rechtszaak aan zag komen; [verweerder] wenste immers niet te berusten in de door hem gelaakte functiewijziging.

8. De hiervoor geschetste handelwijze is ver verwijderd van een handelwijze die een goed werkgever betaamt en een vergoeding met correctiefactor 1,75 is daarom in beginsel op zijn plaats, waarbij ook is gelet op de leeftijd van [verweerder] en zijn geringe kansen op de arbeidsmarkt.

9. Anderzijds heeft als plafond te gelden het inkomen dat [verweerder] bij De Meerlanden zou hebben verworven als deze kwalijke gang van zaken zich niet had voortgedaan maar de samenwerking op de oude voet was voortgezet tot het moment waarop [verweerder] de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben bereikt.

10. Indien [verweerder] zijn arbeidzame leven eerst op 65-jarige leeftijd bij De Meerlanden had beëindigd, dan zou hij tot dan toe ongeveer € 205.000 aan loon, inconveniëntentoeslag en vakantietoeslag hebben ontvangen. Nu zal [verweerder] bij beëindiging van het dienstverband gedurende 38 maanden een WW-uitkering ontvangen.

11. De Meerlanden heeft nog gewezen op het feit dat zij eigen risicodrager is wat WW-uitkeringen betreft. Ook had [verweerder] bij in dienst blijven gebruik hebben kunnen (en volgens De Meerlanden ook willen) maken van vervroegd pensioen (FPU FUR), zodra [verweerder] de leeftijd van 61 jaar en 3 maanden zou hebben bereikt, waardoor [verweerder] minder inkomen zou hebben gegenereerd. Tot slot heeft De Meerlanden nog betoogd dat de huidige privé-situatie van [verweerder] – zijn echtgenote verwerft ook een inkomen - die maakt dat [verweerder] geen aanspraak zou kunnen maken op een IAOW-uitkering, tegen die tijd veranderd kan zijn waardoor hij daar wel aanspraak op zou kunnen maken.

De kantonrechter volgt De Meerlanden niet in haar betoog. Dat De Meerlanden ervoor heeft gekozen om eigen risicodrager te zijn wat WW-uitkeringen betreft zal zij weloverwogen hebben gedaan, mogelijk met het idee dat dat voordeliger voor De Meerlanden zou zijn, en het gaat niet aan die keuze van De Meerlanden [verweerder] tegen te werpen.

Ook de onzekerheid over de toekomstige situatie ten aanzien van onder meer het al of niet in aanmerking komen voor een IAOW-uitkering en de wens die [verweerder] mogelijkerwijs zou kunnen hebben gehad om over een aantal jaren met vervroegd pensioen te gaan, moet niet op het positieve conto van De Meerlanden worden geschreven. Het is aan De Meerlanden te wijten dat [verweerder] die keuze niet meer kan maken.

Anderzijds blijft bij de berekening van de vergoeding de premiebijdrage van de werkgever voor het pensioen van [verweerder] overeenkomstig de landelijke aanbevelingen buiten beschouwing.

12. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat een vergoeding van € 140.000,-- bruto billijk is.

13. De Meerlanden heeft geen vergoeding aangeboden terwijl [verweerder] om toekenning van een hogere vergoeding heeft verzocht, zodat de kantonrechter beide partijen in de gelegen¬heid zal stellen het verzoek in te trekken.

14. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in deze beschikking is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

15. Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt partijen ervan in kennis voornemens te zijn de arbeidsovereenkomst tegen 1 december 2007 te ontbinden onder toekenning van een vergoeding als hierna is vermeld;

bepaalt dat beide partijen de gelegenheid hebben het verzoek in te trekken door middel van een uiterlijk op 12 november 2007 te 15.00 uur ter griffie ontvangen schriftelijke mededeling met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan de wederpartij;

voor het geval geen of slechts één van partijen het verzoek intrekt wordt alvast als volgt beslist:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tegen 1 december 2007;

kent aan [verweerder] ten laste van De Meerlanden een vergoeding toe van € 140.000,00 bruto, ineens te voldoen, als aanvulling op ingevolge sociale verzekeringswetten te ontvangen uitkeringen dan wel elders te verwerven lager inkomen uit arbeid;

veroordeelt voor zover nodig De Meerlanden tot betaling van die vergoeding;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

voor het geval beide partijen het verzoek intrekken:

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Smits en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.