Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6757

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
AWB 07-6261 en 07-5875
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Weigering ontheffing ligplaats in Binnenspuikanaal; last onder dwangsom tot verplaatsing woonark; geen concreet zicht op legalisatie; hoogte dwangsom; reeds verbeurde dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07 - 6261 en 07 - 5875

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Velsen-Noord,

eiser,

gemachtigde: mr. S.N.W. van Dam-Ouwens, advocaat te Aerdenhout,

tegen:

de Minister van Verkeer en Waterstaat,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2007 heeft verweerder eisers verzoek van 11 januari 2006 om ontheffing van ligplaatsverbod ten behoeve van het vaartuig "Isis" teneinde deze te leggen langs de zuidelijke oever van het Binnenspuikanaal te IJmuiden en wel ten westen van eisers vaartuig "Ziet op u Zelve", afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2007 heeft verweerder eiser onder meer gelast om, binnen twee weken na verzending van het besluit, zijn vaartuig "Isis" te verplaatsen naar de in de op 31 maart 2005 verleende ontheffing aangegeven locatie, te weten het Binnenspuikanaal, langszij het vaartuig "Ziet op u Zelve", en heeft daaraan een dwangsom verbonden van € 500,- per dag met een maximum van € 10.000,-.

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brieven van 10 mei 2007 en 25 mei 2007 (aanvullend) bezwaar gemaakt.

In het aanvullend bezwaarschrift van 25 mei 2007 heeft hij tevens bezwaar gemaakt tegen het in het besluit van 24 april 2007 vermelde besluit van 10 mei 2006, waarbij aan een derde ontheffing is verleend voor het innemen van de door eiser gewenste c.q. ingenomen plek.

Bij besluit van 20 juli 2007, verzonden op dezelfde datum, heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren, voor zover de hierboven omschreven last betreffend, tegen de besluiten van 24 april 2007 en van 2 mei 2007 ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 20 juli 2007 heeft eiser bij brief van 29 augustus 2007 beroep ingesteld.

Bij brief van 14 september 2007 heeft verweerder eiser bericht dat de dwangsom van rechtswege is verbeurd en wel vanaf 3 september 2007 (het besluit was opgeschort tot 6 weken na de beslissing op bezwaar), zodat thans over de periode 3 september 2007 tot en met 14 september 2007 (12 dagen á € 500,- =) € 6.000,- is verbeurd.

Bij brief van 17 september 2007 heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 28 september 2007 heeft verweerder een verweerschrift met bijlagen toegezonden.

De zaak is behandeld ter zitting van 8 oktober 2007, alwaar eiser, vergezeld van zijn partner, [X], en bijgestaan door zijn voornoemde gemachtigde mr. Van Dam. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. H.J.M. van Gellekom en B.J.C. Timmerman, beiden werkzaam op het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Eiser is eigenaar van twee schepen een tjalk, genaamd "Ziet op u Zelve", en een woonark, de "Isis". Eiser gebruikt de tjalk om op te wonen en om daarmee uit te varen. De schepen liggen beide in het Binnenspuikanaal.

2.3 Eiser heeft een ontheffing van het ligplaatsverbod voor de "Ziet op u Zelve" op de locatie ten westen van de pijlers van de voormalige Baileybrug direct aan de oever, en - bij besluit van 31 maart 2005 - een ontheffing voor de "Isis" op dezelfde locatie, langszij de "Ziet op u Zelve".

2.4 Eiser heeft in juli 2005 mondeling verzocht om de woonark "Isis" ten westen van de "Ziet op u Zelve" te mogen leggen, direct aan de oever. Ondanks een mondelinge afwijzing heeft eiser in augustus 2005 de "Isis" op de door hem gewenste plek gelegd.

2.5 Bij besluit van 10 mei 2006 is aan een derde voor diens schip "De Bruinvis", tevens gelegen in het Binnenspuikanaal, ontheffing verleend voor de plek die eiser heeft ingenomen. Omdat de plek feitelijk door eiser is ingenomen, is "De Bruinvis" in oktober 2006 tijdelijk - en tot op heden - in het Rietmanhaventje afgemeerd.

2.6 Met betrekking tot de niet-ontvankelijkverklaring van eisers bezwaar tegen het besluit van 10 mei 2006, waarbij aan een derde ontheffing is verleend voor de omstreden plek, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat eiser niet binnen de wettelijke termijn bezwaar heeft gemaakt. Dit standpunt wordt niet gevolgd. Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij met het besluit van 10 mei 2006 eerst bekend is geworden door de vermelding ervan in het besluit van 24 april 2007. Nu hij daartegen bij schrijven van 25 mei 2007 bezwaar heeft gemaakt is er geen sprake van termijnoverschrijding en is er geen aanleiding om die reden het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

2.8 Het besluit van 20 juli 2007 kan in zoverre niet in stand blijven en komt wegens een motiveringsgebrek in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep is in zoverre gegrond.

2.9 Verweerder dient voor dit onderdeel een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Daarbij zal hij rekening moeten houden met de ter zitting door eiser aangevoerde en besproken bezwaren voor zover deze betrekking hebben op eisers belangen en door verweerder in de afweging van de betrokken belangen hadden moeten worden betrokken.

Voorop gesteld kan worden dat de ontheffing van 10 mei 2006 een uitzondering is op het beleid van verweerder en dat verweerder daaraan bijzondere omstandigheden en met name veiligheidsoverwegingen ten grondslag heeft gelegd. Verweerder heeft daarbij - naar de gemachtigde ter zitting heeft verwoord kiezend tussen twee kwaden - niet gekozen voor de oplossing om, tredend in een conflict van de eigenaar van "De Bruinvis" met de eigenaar van het naastgelegen ponton "Leonidas", te voorzien in een veilige omloop voor de bewoners van "De Bruinvis", maar voor de oplossing van verplaatsing van "De Bruinvis" naar de plek ten westen van de ligplaats van eiser.

Van belang is evenwel dat eiser, naar verweerder niet heeft betwist, door die laatste oplossing c.q. de ontheffing voor "De Bruinvis", in feitelijke zin is benadeeld. Met de voor eisers schepen verleende ontheffing(en) hangt immers samen dat hij feitelijk de laatste in rij is van de aan de oever ligplaats innemende schepen, hetgeen hem de nodige manoeuvreerruimte biedt. Deze mogelijkheid valt weg indien een ander ten westen van zijn ligplaats(en) een plek inneemt.

Omtrent de vraag naar eventuele compensatie van dit nadeel zal verweerder zich kunnen en moeten uitlaten in de nieuw te nemen beslissing op het bezwaar.

Daarbij merkt de voorzieningenrechter - met name ter voorlichting van eiser - op dat verweerder terecht heeft aangegeven dat, voor zover er al sprake is van een benadeling die tot compensatie zou verplichten, dit op zich niet kan leiden tot het verlenen van ontheffing voor de omstreden plek aan eiser. Het verlenen van ontheffing dient immers bij elke aanvraag op de eigen merites, met inachtneming van de daarvoor geldende criteria en gelet op het ter zake gevormde beleid te worden beoordeeld.

2.10 Met betrekking tot de weigering aan eiser, op diens verzoek van 11 januari 2006, ontheffing te verlenen, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.11 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het verlenen van ontheffing in strijd zou zijn met het beleid, neergelegd in het Ligplaatsbeleid Noordzeekanaalgebied.

Onder punt 6.3 daarvan is op pagina 23 ten aanzien van het Binnenspuikanaal ten westen van de pijlers van de voormalige Baileybrug gewezen op de overzichtkaart (bladnummer 2) en - onder meer - vermeld dat het Binnenspuikanaal zowel een scheepvaartfunctie heeft als een waterafvoerfunctie door de aanwezigheid van het gemaal en de spuisluis en dat vanuit deze waterhuishoudkundige functie gezien het afmeren op deze locatie geen bezwaar vormt. Tevens is - op pagina 26 - vermeld dat het van belang is dat het (op de inventarisatie van februari 2000 gebaseerde) huidige aantal ligplaatsnemende schepen niet verder toeneemt en dat de reeds vrije ligplaatsen niet opnieuw worden bezet. Dit zou de uitvoering van de mogelijke uitbreiding van het sluizencomplex kunnen bemoeilijken/vertragen. Een verzoek om een ligplaatsontheffing ten behoeve van een nieuw ligplaatsnemend schip wordt derhalve afgewezen.

Ter zitting is dit beleid aldus toegelicht dat, waar de omvang van het aantal ligplaatsen niet mag toenemen, gelet moet worden op de bijbehorende kaart waarop voor de betreffende oever door middel van arcering het gedeelte "ligplaats nemen mogelijk met ontheffing" is aangegeven. Buiten deze arcering is blijkens de toelichting van verweerder geen ligplaatsontheffing conform het beleid mogelijk.

Deze uitleg komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor.

Eiser heeft er ter zitting blijk van gegeven het beleid ook in die zin te kennen, waar hij zelf heeft verklaard dat hij conform het beleid laatste in rij is. Hij heeft betoogd dat hij juist uit strategische redenen ter bewaking van die positie de "Isis" heeft verplaatst naar de door hem gewenste locatie.

Blijkens de kaart ligt deze locatie buiten de gegeven arcering.

De door eiser gevraagde ontheffing zou derhalve slechts verleend kunnen worden indien er omstandigheden zijn om van dit beleid af te wijken. Eiser heeft geen zodanige omstandigheden aangevoerd en daarvan is de voorzieningenrechter ook overigens niet gebleken. Dat aan een derde, in afwijking van het beleid, wel ontheffing voor de bedoelde locatie is verleend, kan niet gelden als een bijzondere omstandigheid betreffende eiser of zijn positie. Evenmin kan als zodanige omstandigheid gelden dat hij zijn positie als laatste in rij wenst te behouden.

2.12 In zoverre is het beroep ongegrond.

2.13 Met betrekking tot de last onder dwangsom overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

2.14 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuurdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.15 Vast staat dat eiser niet beschikt over een ontheffing voor de door hem als ligplaats ingenomen plek. Nu sprake is van overtreding van een wettelijk voorschrift is verweerder bevoegd tot handhavend optreden. Gelet op de weigering van verweerder hem voor deze plek ontheffing te verlenen alsmede de hierboven overwogen ongegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, doet zich geen concreet zicht op legalisatie voor. Eisers betoog dat de door hem bezette plek geen verboden ligplaats meer is omdat aan een derde daarvoor ontheffing is verleend gaat niet op. Eiser miskent met zijn betoog de systematiek van het ligplaatsenbeleid. De voorzieningenrechter volgt hierin het standpunt van verweerder dat niet kan worden gezegd dat een nieuwe ligplaats is gecreëerd, maar dat, in afwijking van het beleid wegens bijzondere omstandigheden van het geval, ontheffing aan een derde is verleend. Ook overigens zijn er geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan verweerder van handhaven had moeten afzien. Met name is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals door eiser betoogd, nu geen sprake is van (ongelijke behandeling van) gelijke gevallen. De situatie ten aanzien van "De Bruinvis" is immers niet een met eisers situatie gelijk te stellen geval.

2.16 Ook het tegen dit onderdeel gerichte beroep is ongegrond.

2.17 Wat betreft de te verbeuren dwangsom is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder het bedrag van € 500,- per dag in bezwaar ten onrechte niet op een lager bedrag heeft gesteld, aangezien de last op het onderdeel van het verwijderen van de houtopslag op de oever gegrond is verklaard. Het besluit kan op dit onderdeel niet in stand blijven. Verweerder zal op dit onderdeel een nieuwe beslissing dienen te nemen.

2.18 In zoverre is het beroep gegrond.

2.19 Naar aanleiding van het debat ter zitting over de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat inmiddels dwangsommen van rechtswege zijn verbeurd vanaf 3 september 2007 - welke verbeurdverklaring door verweerder weer met ingang van 18 september 2007 is opgeschort tot het tijdstip waarop in deze zaak uitspraak is gedaan - overweegt de voorzieningenrechter, zulks strikt genomen ten overvloede, als volgt.

Naar aanleiding van een eerder gedaan verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar, heeft verweerder bij brief van 14 mei 2007 aan de griffie van de rechtbank bericht dat de uitvoering van het besluit van 2 mei 2007 zou worden opgeschort "tot het moment waarop de beslissing op het bezwaar een feit is".

Nadat de beslissing op bezwaar van 20 juli 2007 was verzonden, eveneens op 20 juli 2007, heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 8 augustus 2007 aan verweerder gevraagd, zakelijk weergegeven, "deze cryptische omschrijving" nader uit te leggen. Verweerder heeft hierop bij brief van 13 augustus 2007 geantwoord dat de brief van 14 mei 2007 zo dient te worden verstaan dat het besluit van 2 mei 2007 niet eerder zal worden geëffectueerd dan nadat de beroepstermijn ex art. 6:7 Awb, gebruikt of ongebruikt, is verstreken. Dit hield in dat geen dwangsommen zouden worden verbeurd tot 6 weken na de datum van verzending van de beslissing op bezwaar van 20 juli 2007, dus tot 3 september 2007.

Met het vorenstaande is gegeven is dat de gemachtigde van eiser vanaf 13 augustus 2007 ermee op de hoogte was dat per 3 september 2007 dwangsommen zouden worden verbeurd, als geen gevolg zou worden gegeven aan de last, ook in het geval dat beroep zou worden ingesteld. Blijkens de stukken heeft de gemachtigde bij brief van 29 augustus 2007 beroep ingesteld en eerst bij brief van 17 september 2007 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Er zijn geen omstandigheden gesteld en ook niet gebleken die verklaren waarom het verzoek om een voorlopige voorziening niet eerder, namelijk vóór 3 september 2007, is ingediend.

Het komt derhalve voor eigen rekening en risico dat de dwangsommen zijn verbeurd.

2.20 Op dit onderdeel is het beroep ongegrond.

2.21 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.22 Nu het beroep deels gegrond is, bestaat er aanleiding voor een proceskosten-veroordeling ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar, gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

3.3 draagt verweerder op in zoverre een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;

3.4 verklaart het beroep voor zover gericht tegen het ongegrond verklaren van het bezwaar, gegrond op het onderdeel van de hoogte van de te verbeuren dwangsom;

3.5 vernietigt het besluit op dit onderdeel;

3.6 draagt verweerder op om op dit onderdeel een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen;

3.7 verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

3.8 wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

3.9 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 644, - te betalen aan eiser door de Staat der Nederlanden;

3.10 gelast de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht van € 143, - aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, en op 15 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. M. Hekelaar, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat uitsluitend voorzover het de hoofdzaak betreft hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.