Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6675

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
30-10-2007
Zaaknummer
06/10487
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2009:BO7170, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De door eiser verworven woning aan de b-straat is geen eigen woning in de zin van de inkomstenbelasting, nu het een zelfstandig gebouw is en geen aanhorigheid vormt van het object aan de a-straat, waar het weliswaar een tuin mee deelt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2008/81
V-N 2008/9.11 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2090
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/10487

Uitspraakdatum: 3 oktober 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.801.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 augustus 2006 de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.429 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.122.

1.3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

1.4. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2007 te Haarlem. Aldaar waren aanwezig eisers gemachtigde, mr. A, en namens verweerder mr. B en mr. C.

1.6. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Op 11 juni 2001 heeft eiser de percelen, perceelnummers 0001 en 0002, a-straat 1 te Z gekocht voor een koopprijs (inclusief bijkomende kosten) van € 1.276.206. Deze aankoop is gefinancierd door middel van een geldlening bij een bank.

Op 1 oktober 2002 heeft eiser de aan de percelen a-straat 1 grenzende bebouwde percelen, perceelnummers 0003 en 0004, b-straat 1 te Z gekocht voor een koopprijs (inclusief bijkomende kosten) van € 977.423. Deze aankoop is gefinancierd door middel van een geldlening die eiser heeft opgenomen bij D Holding B.V., van welke vennootschap hij enig aandeelhouder is.

2.2. Eiser heeft een woning en een garage c.q. schuur laten bouwen op het perceel a-straat 1. Tevens is de tuin heringedeeld, waardoor de percelen a-straat 1 en b-straat 1 te Z niet meer afgescheiden zijn. De percelen zijn alleen nog toegankelijk via de oprijlaan aan de b-straat, het object (woning en tuin) aan de a-straat is thans niet meer direct toegankelijk vanaf de openbare weg.

2.3. Het object (woning en tuin) aan de b-straat is sinds de aankoop bij eiser in gebruik als opslagruimte, hobbyruimte en gastenverblijf.

2.4. Het woonadres van eiser is volgens de gemeentelijke basisadministratie met ingang van 20 december 2002 a-straat 1 te Z.

2.5. Ten aanzien van ieder van beide objecten is een afzonderlijke WOZ-beschikking afgegeven.

2.6. In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 heeft eiser een bedrag van € 136.787 als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in de zin van artikel 3.120, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) in aanmerking genomen.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het object aan de b-straat 1 te Z tezamen met het naastgelegen object aan de a-straat 1 te Z kan worden aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111, lid 1, van de Wet IB 2001, als gevolg waarvan de rente die door eiser is betaald voor de lening van D Holding B.V. voor de verwerving van het object b-straat in aftrek kan worden gebracht. Deze vraag wordt door eiser bevestigend beantwoord. Verweerder is van opvatting dat alleen het object a-straat is aan te merken als eigen woning in de zin van voormelde bepaling en dat de rente met betrekking tot het object b-straat derhalve niet aftrekbaar is.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op hetgeen zij ter zitting daaraan hebben toegevoegd.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiser betoogt primair dat sprake is van één gebouw aangezien hij de panden aan de a-straat en aan de b-straat feitelijk gezamenlijk in gebruik heeft als één woning. Dit betoog miskent dat uit de tekst van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 volgt dat van een ‘eigen woning’ in de zin van dit artikel slechts één zelfstandig gebouw deel kan uitmaken. Nu – naar uit onderdeel 4.2. van deze uitspraak volgt - het object b-straat geen aanhorigheid vormt van het object a-straat en derhalve sprake is van twee zelfstandige gebouwen, faalt eisers primaire standpunt.

4.2. Eiser betoogt subsidiair dat het object b-straat een aanhorigheid vormt van het object a-straat. Dit betoog faalt eveneens, nu – naar tussen partijen niet in geschil is – de woning aan de b-straat bouwkundig op geen enkele manier is verbonden met de woning aan de a-straat, blijkens haar indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt en is aangesloten op de openbare nutsvoorzieningen, en deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien meebrengen dat de woning aan de b-straat een zelfstandige woning is en derhalve geen aanhorigheid van het object a-straat. De omstandigheden dat beide tuinen na de herinrichting naar maatschappelijk opvattingen één geheel vormen en dat de woning aan de a-straat slechts toegankelijk is via de oprijlaan aan de b-straat doen aan het voorgaande niet af, nu de tuin op eenvoudige wijze weer is te splitsen in twee (afzonderlijke) tuinen en de toegang tot de a-straat vanaf de openbare weg op (technisch) eenvoudige wijze is te herstellen, zo heeft gemachtigde ter zitting bevestigd op daartoe gestelde vragen van de rechtbank.

4.3. Meer subsidiair voert eiser aan dat de tuin gelegen aan de b-straat een aanhorigheid is van de woning aan de a-straat. Ook dit betoog faalt, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de tuin aan de b-straat behoort en in gebruik is bij en (hoofdzakelijk) dienstbaar is aan de op die kavel gelegen woning a-straat, maar veeleer aannemelijk is geworden dat de tuin aan de b-straat behoort en in gebruik is bij en (hoofdzakelijk) dienstbaar is aan de op die kavel gelegen woning b-straat. De omstandigheden dat de tuin aan de b-straat ook toegang geeft tot de woning aan de a-straat en dat de tuinen aan de b-straat en aan de a-straat één geheel vormen, doen aan het voorgaande niet af.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 3 oktober 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, voorzitter, en R.G. Kemmers en A.M. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van drs. N. Hoens, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.