Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6667

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
30-10-2007
Zaaknummer
06/6201
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De IB-gevolgen van het renpaardenarrest. In het kader van de inkomstenbelasting dient zelfstandig te worden beoordeeld of sprake is van een winstuitdeling. Eiser had zich redelijkerwijs bewust moeten zijn van de bevoordeling door de BV, zodat voldaan is aan de dubbelde bewustheidseis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2034
FutD 2007-2064 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2008/8.1.4

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6201 tot en met AWB 06/6206

Uitspraakdatum: 13 september 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

06/6201:

Aan eiser is voor het jaar 2001 een aanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.00) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.614 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 11.112.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

06/6202:

Aan eiser is voor het jaar 2000 een aanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.01) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 115.180.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoet gekomen, met dien verstande dat de winst uit aanmerkelijk belang is belast tegen het bijzondere tarief als bedoeld in artikel 57a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 in plaats van het bij de aanslag gehanteerde progressieve tarief.

06/6203:

Aan eiser is voor het jaar 1999 een aanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.02) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 100.432.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoet gekomen, met dien verstande dat de winst uit aanmerkelijk belang is belast tegen het bijzondere tarief als bedoeld in artikel 57a van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 in plaats van het bij de aanslag gehanteerde progressieve tarief.

06/6204:

Aan eiser is voor het jaar 1998 een aanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.03) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 117.282.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoet gekomen, met dien verstande dat de eerder vastgestelde winst uit aanmerkelijk belang is verlaagd met f. 6.176, zodat het belastbaar inkomen is vastgesteld op f. 111.115.

06/6205:

Aan eiser is voor het jaar 1997 een aanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.04) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 169.141.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

06/6206:

Aan eiser is voor het jaar 1996 een navorderingsaanslag (aanslagnummer 0000.00.000.H.05) IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van f. 140.838.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar gedeeltelijk aan het bezwaar van eiser tegemoet gekomen, met dien verstande dat de eerder vastgestelde winst uit aanmerkelijk belang is verlaagd met f. 6.959, zodat het belastbaar inkomen is vastgesteld op f. 133.879.

Eiser heeft tegen bovengenoemde uitspraken op bezwaar, in één geschrift vervat, beroepen ingesteld. Bij brief van 22 augustus 2006, op 23 augustus 2006 door de rechtbank ontvangen, heeft eiser de gronden van zijn beroepen aangevuld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2007 te Haarlem. Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. A. Namens verweerder is verschenen mr. B.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser is directeur-enig aandeelhouder van C BV (hierna: de BV). De BV exploiteert sedert 1 oktober 1994 een uitzendbureau dat landelijk opereert en zich richt op de metaalbranche. Vóór 1 oktober 1994 werd de onderneming gedreven in de vorm van een eenmanszaak van eiser. In 1997 zijn de aandelen in de BV door eiser overgedragen aan D Beheer BV, waarvan eiser eveneens directeur-enig aandeelhouder is. Vanaf 1999 maakt de BV deel uit van de fiscale eenheid D Beheer BV.

2.2. Tot het vermogen van de BV behoren onder meer twee renpaarden, met een gezamenlijke boekwaarde van f. 8.000. De paarden zijn bij de Stichting Nederlandse Draf- en Rensport (NDR) geregistreerd op naam van eiser.

2.3. Ten laste van het resultaat van de BV is in 1996 een bedrag van f. 60.770 als verkoopkosten gebracht. Dit bedrag heeft voor f. 26.632 betrekking op het houden van renpaarden, waaronder de kosten voor het deelnemen aan wedstrijden, zoals de kosten van een stalling, training, pikeur, sulky en paardentrailer. Met de paarden worden door een professionele pikeur/trainer wedstrijden gereden. De pikeur/trainer brengt zijn kosten in rekening bij de BV. De met de paarden gewonnen prijzengelden rekent de BV tot haar winst. Het prijzengeld varieerde van nihil tot f. 8.000, met één uitzondering waarbij f. 20.000 prijzengeld werd gewonnen.

2.4. Bij de BV is een boekenonderzoek ingesteld, naar aanleiding waarvan door middel van (navorderings-) aanslagen correcties hebben plaatsgevonden in de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, onder andere op het punt van de niet geaccepteerde verkoopkosten voor zover gemaakt ter zake van het houden van renpaarden. Deze uitgaven zijn niet in aftrek geaccepteerd in de vennootschapsbelasting en zijn voor de inkomstenbelasting als winstuitdeling aangemerkt.

2.5. De behandeling van daarna ingediende bezwaarschriften tegen de inkomstenbelasting zijn door verweerder aangehouden in afwachting van de beroepsprocedures ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar vanwege de (navorderings-)aanslagen vennootschapsbelasting.

2.6. Hof Amsterdam heeft op 27 juni 2000 uitspraak gedaan, en heeft 25% van genoemde kosten in aftrek toegestaan. De Hoge Raad heeft op 14 juni 2002, nr. 36.453, BNB 2002/290, ook wel bekend als het zogenoemde renpaardenarrest, het tegen voormelde hofuitspraak ingestelde cassatieberoep ongegrond verklaard.

2.7. Vervolgens zijn de onderhavige uitspraken op bezwaar gedaan.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of 75% van de door de BV gedane uitgaven wegens het houden van renpaarden en het laten deelnemen van deze paarden aan drafwedstrijden een winstuitdeling vormen welke is belast voor de inkomstenbelasting.

3.2. Eiser beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen conform de gedane aangiften.

3.3. Verweerder beantwoordt voormelde vraag bevestigend en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Zoals eiser terecht betoogt, kan uit het ten aanzien van de BV in het kader van de vennootschapsbelasting gewezen zogenoemde renpaardenarrest (BNB 2002/290) en de uitspraak van het gerechtshof die voorlag in dat arrest, slechts worden afgeleid dat de onderhavige uitgaven niet alleen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming zijn gemaakt, maar ook ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de directeur aandeelhouder. In die procedure is derhalve niet komen vast te staan dat voor de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 of de Wet op de inkomstenbelasting 1964/Wet inkomstenbelasting 2001 sprake is van een (winst)uitdeling. Naar het oordeel van de rechtbank dient in het kader van de inkomstenbelasting zelfstandig te worden beoordeeld of sprake is van een winstuitdeling. Hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3.3 van genoemd renpaardenarrest heeft overwogen, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De Hoge Raad heeft overwogen dat de door een vennootschap gedane uitgaven slechts dan een zakelijk karakter ontberen indien en voor zover zij zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder(s). Anders dan verweerder kennelijk van mening is, leidt die overweging niet noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat bij vergoeding van die kosten door de vennootschap sprake is van een (winst)uitdeling. Anders dan eiser evenwel meent is met genoemd renpaardenarrest evenmin vastgelegd dat – vanuit de BV bezien en daarmee ook voor de toepassing van de inkomstenbelasting – in de voorliggende jaren géén sprake is van een winstuitdeling in onderhavige zin. De vraag of sprake is van zo’n winstuitdeling zal op zichzelf bezien moeten worden beoordeeld, aan de hand van de feiten en de daarvoor in de jurisprudentie met betrekking tot de inkomstenbelasting ontwikkelde criteria.

4.2. Voor zover verweerder betoogt dat de zogenoemde eis van (dubbele) bewustheid in de onderhavige procedure niet opgaat, verwerpt de rechtbank het betoog van verweerder. Naar vaste rechtspraak doet een winstuitdeling zich voor indien de vennootschap haar aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen en tevens de aandeelhouder zich van de bevoordeling bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had moeten zijn. Zie o.a. HR 4 mei 1983, nr. 21 668, BNB 1983/233 en HR 15 mei 1985, nr. 22.154, BNB 1985/271.

4.3. Eiser betoogt dat niet is voldaan aan de hiervoor weergegeven (dubbele) bewustheidseis en voert daartoe aan dat zakelijke belangen het uitgangspunt waren bij het doen van de uitgaven voor de harddravers, zodat – wat er zij van de omstandigheid dat de uitgaven mede ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder zijn gedaan – de BV eiser niet in zijn hoedanigheid van aandeelhouder heeft willen bevoordelen. De rechtbank kan eiser in zoverre in zijn betoog volgen, nu – zoals het hof ook heeft geoordeeld in onderdeel 5.3 van genoemde uitspraak - het ervoor moet worden gehouden dat de onderhavige kosten op zichzelf beschouwd door de BV op zakelijke gronden zijn gemaakt en niet uitsluitend met het oog op de persoonlijke behoeften van eiser.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenwel, gelet op de feiten zoals die in de procedure van het renpaardenarrest zijn komen vast te staan en waarvan partijen ook in de onderhavige beroepsprocedures uitgaan, niet anders worden geoordeeld dan dat eiser zich redelijkerwijs bewust had moeten zijn van de bevoordeling door de BV. Zoals in de in het renpaardenarrest voorliggende hofuitspraak is geoordeeld - en de Hoge Raad neemt de hofuitspraak op dit punt over in rechtsoverwegingen 3.4 en 3.5 van genoemd renpaardenarrest - gaat het hier voor 75% om uitgaven die uitgaan boven hetgeen een redelijk handelend ondernemer zou hebben besteed teneinde een vergroting van de naamsbekendheid als door de BV beoogd, te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank dient ervan te worden uitgegaan dat eiser zowel in de hoedanigheid van aandeelhouder als in de hoedanigheid van directeur van de BV, zich er redelijkerwijs bewust van had moeten zijn dat hij in zoverre met voornoemde uitgaven in de hoedanigheid van aandeelhouder werd bevoordeeld, zodat is voldaan aan de (dubbele) bewustheidseis. Hetgeen partijen voor het overige naar voren hebben gebracht, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Eiser heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen aangeven dat het nut van de onderhavige reclame-uiting door middel van renpaarden groter is dan aangenomen in de beroepsprocedure van het renpaardenarrest of dat anderszins zou moeten worden geoordeeld dat de uitgaven niet uitgaan boven hetgeen een redelijk handelende - met de BV vergelijkbare - ondernemer bereid zou zijn uit te geven.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 13 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. T.J.P. van Os van den Abeelen en mr. dr. A. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van drs. N. Hoens, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.