Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6666

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
07-3806
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag hoog persoonsgebonden kilometerbudget

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 3806

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2007

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen:

Argonaut B.V.,

verweerster,

gemachtigde: voorheen mr. M.A. Mosmans, advocaat te 's-Gravenhage,

thans: mr. J.P. Matze, advocaat te 's-Gravenhage,

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2007 heeft verweerster de aanvraag van eiseres om haar een hoog persoonlijk kilometerbudget toe te kennen afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 19 februari 2007, aangevuld bij brief van 10 april 2007, bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 april 2007 heeft verweerster het bezwaar ongegrond verklaard.

Daarbij heeft verweerster verwezen naar het advies van 5 april 2007 van de commissie van heroverweging betreffende indicatiestelling hoog persoonlijk kilometerbudget.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 28 mei 2007 beroep ingesteld.

Verweerster heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 oktober 2007, waar de gemachtigde van eiseres is verschenen. Voorts is verschenen [naam], zoon van eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde voornoemd. Ten slotte is verschenen J. Biersteker, arts, tevens werkzaam bij verweerster.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres, geboren op [geboortedatum], heeft vanwege beperkingen in haar mobiliteit, aan verweerster verzocht om toekenning van een hoog persoonlijk kilometerbudget. In haar aanvraag heeft eiseres vermeld dat zij niet in staat is om haar benen op te tillen, waardoor zij geen trappen of afstanden kan lopen. Voorts heeft zij in haar aanvraag vermeld dat haar vijf kinderen meer dan 100 kilometer bij haar vandaan wonen.

2.2 De rechtbank ontleent onder meer aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 maart 2006 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN AV8198) het volgende.

2.3 Op gemeentebesturen rust ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (verder: Wmo) een zorgplicht voor vervoersvoorzieningen voor gehandicapten die daarop zijn aangewezen. Deze zorgplicht is in beginsel beperkt tot de directe woon- en leefomgeving van die gehandicapten (het regionale vervoer).

2.4 Ten behoeve van het bovenregionale vervoer van gehandicapten heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: Minister), naar aanleiding van de (tweede) evaluatie van de Wet Voorziening Gehandicapten (verder: Wvg) (de voorganger van de Wmo) na overleg met en met instemming van de Tweede Kamer met ingang van

1 juli 1999 een landelijke voorziening in het leven geroepen. Deze voorziening (TraXX) geheten) hield in dat gehandicapten, voor zover geen toegankelijk openbaar vervoer aanwezig was, taxiritten konden maken vanaf vijf (later: zes) tariefzones van het openbaar vervoer zonder maximering van het aantal kilometers. Daartoe was door de Staat een overeenkomst gesloten met de vervoersonderneming ConneXXion B.V.

2.5 Na een evaluatie heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: Staatssecretaris) bij brief aan de Tweede Kamer van 23 april 2003 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 25 847, nr. 29) aangekondigd dat voor het bovenregionale vervoer van gehandicapten een nieuw stelsel zal worden ontwikkeld. Het nieuwe stelsel zal enerzijds bestaan uit het verbeteren van de reismogelijkheden met het openbaar vervoer (met name de assistentieverlening door NS Reizigers (hierna: NSR) aan gehandicapten op de stations en perrons) en anderzijds uit de verstrekking van een jaarlijks persoonlijk kilometerbudget (hierna: persoonlijk kilometerbudget) voor taxiritten aan gehandicapten die niet dan wel slechts beperkt in staat zijn van de trein gebruik te maken. Nadat de Tweede Kamer met het voorstel had ingestemd, is voor de organisatie, coördinatie en uitvoering van het stelsel een zogeheten Europese aanbesteding gehouden. Deze heeft ertoe geleid dat de Staat overeenkomsten heeft gesloten met de vervoersonderneming Transvision B.V. (hierna: Transvision) en met Argonaut B.V., een onderneming die zich onder meer bezighoudt met dienstverlening op het gebied van medische en ergonomische indicatiestelling. Het met ingang van 1 april 2004 ingevoerde vervoerssysteem (Valys geheten) houdt in dat Transvision aan een gehandicapte die op grond van de Wvg beschikt over een scootmobiel of een andere vervoersvoorziening dan wel een rolstoel, of over een OV-begeleiderskaart (die recht geeft op het gratis meenemen van een begeleider in de trein), tegen betaling van € 6,80 een zogeheten Valys-pas verstrekt. De houder van een Valys-pas krijgt de beschikking over een standaard persoonlijk kilometerbudget, hetgeen inhoudt dat op jaarbasis maximaal 450 (per 1 maart 2005: 750) kilometer met de taxi kan worden gereisd tegen een tarief van € 0,16 per kilometer. Dit bedrag komt overeen met het gemiddelde openbaarvervoertarief. Voor gehandicapten die in het geheel niet in staat zijn gebruik te maken van de trein en die zelf geen alternatief taxivervoer hebben, is voorzien in een hoog persoonlijk kilometerbudget. Het hoge persoonlijk kilometerbudget houdt in dat op jaarbasis 900 (per 1 maart 2005: 2250) kilometer met de taxi kan worden gereisd tegen het tarief van 0,16 per kilometer. De Staat heeft zich jegens Transvision verbonden om een vergoeding te betalen ter hoogte van het verschil tussen € 0,16 per kilometer en de werkelijke vervoerskosten. Indien de houder van een Valys-pas het toegekende persoonlijk kilometerbudget overschrijdt, is hij gerechtigd te reizen tegen een - gereduceerd - tarief van € 1,25 per kilometer.

2.6 Voor een hoog persoonlijk kilometerbudget komen alleen die gehandicapten in aanmerking, die daarvoor zijn geïndiceerd. De organisatie en uitvoering van de indicatiestelling vindt krachtens de tussen de Staat en Argonaut gesloten overeenkomst plaats door Argonaut, welke onderneming daarbij optreedt onder de naam Argonaut Advies. De overeenkomst heeft een looptijd van drie jaar, met een mogelijke verlenging van tweemaal één jaar. In de (als bijlage bij de overeenkomst behorende) offerteaanvraag zijn de beoogde toekenningscriteria voor een hoog persoonlijk kilometerbudget en de door de Staatssecretaris verlangde wijze van taakuitoefening beschreven. De toekenningscriteria en de wijze van taakuitoefening zijn uiteindelijk vastgesteld in een (eveneens als bijlage bij de overeenkomst behorend) indicatieprotocol (hierna: protocol). Het protocol is opgesteld door Argonaut en goedgekeurd door de Staatssecretaris en het kan op grond van de overeenkomst alleen worden gewijzigd met goedkeuring van de Staatssecretaris. Het bevat voorschriften en procedureregels die bij de indicatiestelling in acht moeten worden genomen. Op grond van het protocol - en ter uitwerking van de offerteaanvraag, waarin is opgenomen dat voor toekenning van een hoog persoonlijk kilometerbudget is vereist dat de gehandicapte als gevolg van langdurig aanwezige, consistente en toetsbare beperkingen in het geheel niet in staat is gebruik te maken van de trein - kan een indicatie voor een hoog persoonlijk kilometerbudget alleen worden gegeven aan gehandicapten die wegens ergonomische belemmeringen dan wel chronische medische beperkingen niet met de trein kunnen reizen (en die zelf geen alternatief voor taxivervoer hebben). Van ergonomische belemmeringen is sprake als de gehandicapte gebruik moet maken van een scootmobiel of een rolstoel waarvan gewicht en/of maatvoering in combinatie met de betrokkene zodanig is, dat deze de grenzen van een mogelijkheid van assistentieverlening van NSR overschrijdt. Van chronische medische beperkingen is sprake als door persoonsgebonden medische beperkingen van chronische aard vanuit strikt medische optiek de betrokkene niet in staat is om met de trein te reizen. In het protocol is voorts opgenomen dat bij de indicatiestelling geen rekening wordt gehouden met omgevingsgebonden factoren, zoals de bereikbaarheid en toegankelijkheid van stations en perrons en de mogelijkheid van assistentieverlening door NSR en Valys.

2.7 De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 31 maart 2006 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN AV8198), geoordeeld dat een heroverwegingsbeslissing van Argonaut met betrekking tot een hoog persoonlijk kilometerbudget aangemerkt dient te worden als een besluit op bezwaar in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen beroep openstaat. In diezelfde uitspraak heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de in het protocol neergelegde - en door de staatssecretaris goedgekeurde - toekenningscriteria het door Argonaut bij de indicatiestelling toe te passen beoordelingskader vormen. De Centrale Raad van Beroep heeft daarbij geoordeeld dat deze toekenningscriteria de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaan. De rechtbank sluit zich aan bij deze jurisprudentie.

2.8 Blijkens het bestreden besluit heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor een hoog persoonlijk kilometerbudget, aangezien er geen ergonomische, dan wel chronische medische beperkingen zijn waardoor eiseres niet met de trein kan reizen. Evenmin is volgens verweerster sprake van een uitzonderlijke situatie die afwijking van de criteria in het protocol rechtvaardigt.

2.9 Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het onderzoek van verweerster onzorgvuldig is geweest nu haar huisarts en de behandelend internist niet zijn geraadpleegd. Voorts zijn haar (medische) beperkingen onderschat en kan van haar - de gehele situatie in aanmerking genomen - niet worden gevergd om met de trein te reizen, aldus eiseres. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres in beroep ter zitting een (ongedateerde) verklaring van haar huisarts overgelegd, waarin haar beperkingen en medicatie worden opgesomd.

2.10 De rechtbank overweegt dat het primaire besluit rust op een rapport van een ergonomisch adviseur (hierna: indicatieadviseur) van 3 februari 2007 en de beslissing op bezwaar rust op het rapport van een arts (hierna: bezwaarindicatieadviseur) van 5 april 2007. Blijkens voornoemde rapportages hebben de (bezwaar)indicatieadviseurs de door eiseres bij de aanvraag gevoegde verklaring van de huisarts van 5 januari 2007 en de daarvan onderdeel uitmakende verklaring van de (destijds) behandelend neuroloog van 12 december 2002 uitdrukkelijk in hun beoordeling betrokken. Voorts hebben zij dossierstudie verricht en heeft de bezwaarindicatieadviseur de door eiseres (in bezwaar) overgelegde medicatielijst van de apotheek van 23 maart 2007 eveneens in de beoordeling betrokken. Ter zitting heeft J. Biersteker toegelicht dat de huisarts en de internist van eiseres niet zijn geraadpleegd omdat het eigen onderzoek van de (bezwaar)indicatieadviseurs reeds voldoende informatie had opgeleverd. De verklaring van 5 januari 2007 van de huisarts gaf geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van die informatie, omdat daarin slechts in algemene zin is vermeld dat eiseres niet in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer, zonder dat de huisarts daarbij is ingegaan op de specifieke beperkingen van eiseres. De tweede verklaring van de huisarts, die ter zitting is overgelegd, bevestigt slechts dat het opvragen van (aanvullende) informatie bij de huisarts niets zou hebben toegevoegd aan de informatie uit het eigen onderzoek van verweerster, omdat daaruit geen medische informatie blijkt die niet al bekend was ten tijde van de beoordeling door de bezwaarindicatieadviseur. Gelet op deze toelichting ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest.

2.11 Voorts ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkingen van eiseres zijn onderschat.

2.12 Vooropgesteld dient te worden dat bij de beoordeling geen rol kan spelen dat eiseres haar reis zelf dient te plannen, zij assistentie dient te hebben bij het in- en uitstappen van het taxivervoer van en naar het station, bij het in- en uitstappen van de trein, het overstappen en bij diverse andere praktische handelingen op het station en in de trein zoals het kopen van een kaartje en het zoeken naar een zitplaats. Zoals reeds genoemd in r.o. 2.6 wordt volgens de beoordelingscriteria in het protocol er vanuit gegaan dat eiseres gebruik kan maken van de door NS en Valys ter beschikking gestelde voorzieningen, zoals begeleiding tijdens de reis en assistentieverlening.

2.13 Voorts heeft de bezwaarindicatieadviseur in zijn rapport overwogen dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van het oordeel van de (primaire) indicatieadviseur. De indicatieadviseur heeft namelijk geoordeeld dat uit de medische informatie blijkt dat eiseres weliswaar door een neurologische aandoening (medisch) is beperkt, waardoor zij niet in staat is om haar benen op te tillen en daardoor dus geen trappen of afstanden kan lopen, maar dat er geen chronische medische of ergonomische beperkingen zijn waardoor het voor haar niet mogelijk is in de trein of op het perron te verblijven. De door eiseres in bezwaar overgelegde medicatielijst leidt volgens de bezwaarindicatieadviseur niet tot een ander oordeel nu daaruit blijkt dat sprake is van hypertensie, jicht, een verhoogd cholesterol, een trage schildklier en angina pectoris. Ook de door eiseres gestelde vermoeidheidsklachten door het reizen met de trein leiden volgens de bezwaarindicatieadviseur niet tot een ander oordeel nu het reizen per trein niet medisch ontoelaatbaar is en eiseres de mogelijkheid heeft om zich per rolstoel te laten verplaatsen.

2.14 De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie van de bezwaarindicatieadviseur. Evenmin ziet de rechtbank - mede gelet op hetgeen J. Biersteker daaromtrent ter zitting heeft meegedeeld - aanleiding voor het oordeel dat de gezamenlijke medische beperkingen van eiseres kunnen leiden tot een andere conclusie. Gelet op hetgeen is overwogen onder r.o. 2.11 kan de ter zitting door eiseres overgelegde (ongedateerde) verklaring van de huisarts ook niet tot een ander oordeel leiden.

2.15 Met verweerster is de rechtbank van oordeel dat de situatie van eiseres - in het geheel bezien - niet dusdanig bijzonder is dat afgeweken dient te worden van het protocol.

2.16 Het beroep is derhalve ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, rechter, en op 12 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. N.M. de Noronha-Chi, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.