Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6664

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-10-2007
Datum publicatie
27-03-2008
Zaaknummer
07-6223 en 07-6427
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het eerste verzoek om voorlopige voorziening mist een spoedeisend belang, omdat het ziet op een mogelijke toekenning van bijstand over een voorbije periode. Het tweede verzoek is niet-ontvankelijk, omdat geen sprake is geweest van een (nieuwe) aanvraag. Hierdoor ontbreekt connexiteit met een hoofdprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 6223 en 07-6427 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2007

in de zaken van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2007 heeft verweerder verzoekers aanvraag om een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 18 juli 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 12 september 2007 heeft hij de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het bezwaarschrift van 18 juli 2007 bevatte volgens verzoeker eveneens een aanvraag om een WWB-uitkering. Op deze aanvraag heeft verweerder niet beslist. Hiertegen heeft verzoeker op 25 september 2007 een bezwaarschrift ingediend. Bij brief van 27 september 2007 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 8 oktober 2007, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E.C. Weijsenfeld, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende naar voren gekomen. Op 6 juni 2007 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek ingediend om hem wegens broodnood een voorschot te verstrekken. Verweerder heeft dit verzoek niet ingewilligd, omdat verzoeker geen duidelijkheid had verschaft over zijn woonsituatie. Verzoeker staat in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het [adres 1], maar gaf aan daar niet te verblijven. Verzoeker zou verblijven bij zijn ex-echtgenote en kinderen op het adres [adres 2] te Haarlem, waar hij ook zijn post zou ontvangen. Verzoeker gaf ook aan soms bij vrienden te verblijven.

2.2 Op 13 juni 2007 heeft verzoeker bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een WWB-uitkering. Hij heeft die dag in de ochtend en in de middag een gesprek gehad met zijn casemanager. Tijdens dit gesprek gaf verzoeker opnieuw geen duidelijkheid over zijn feitelijke verblijfplaats. Hij verklaarde in het gesprek 's ochtends niet te verblijven of te overnachten op zijn GBA-adres. Hij gaf aan te verblijven bij vrienden in Amsterdam, in Haarlem of op straat. Verzoeker zou geen contact meer hebben met zijn gezin en de post zou worden opgehaald door een vriend. Verzoeker wilde het formulier waarop hij zijn verblijfadressen moest vermelden, niet invullen, zodat hem de gelegenheid is geboden het formulier op 13 juni 2007 's middags alsnog in te leveren. Die middag heeft verzoeker aangegeven sedert 1 juni 2007 te verblijven en te overnachten op het adres [adres 1]. Daarvoor verbleef hij op straat en hij zou ook enige tijd in de box van zijn echtgenote aan de [adres 2] hebben verbleven. Verzoeker gaf aan geen sleutel van het adres [adres 1] te hebben. Desgevraagd verklaarde verzoeker dat misschien om 18.00 uur, als de hoofdbewoner er zou zijn, een huisbezoek zou kunnen worden afgelegd op [adres 1].

Verzoeker heeft op het inlichtingenformulier aanvraag WWB aangegeven dat hij dak- en/of thuisloos is, maar heeft geen verklaring over zijn feitelijke verblijfplaats gegeven. Op maandag 18 juni 2007 en op 21 juni 2007 hebben medewerkers van verweerder onaangekondigde huisbezoeken afgelegd op het adres [adres 1]. Beide keren werd op dit adres niet opengedaan.

2.3 Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 25 juni 2007 verzoekers aanvraag afgewezen, omdat verzoekers verblijfplaats niet is vast te stellen. In dit verband verwijt verweerder verzoeker, dat hij niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn verblijfplaats, doordat verzoeker niet-gelijkluidende verklaringen heeft afgelegd en verweerder geen huisbezoek heeft kunnen afleggen.

2.4 Op 22 juni 2007 heeft verzoeker bij Paswerk (de divisie Werkpas) een dienstbetrekking aanvaard voor de duur van negen maanden. Paswerk heeft verzoeker op 30 juli 2007 op staande voet ontslagen, omdat verzoeker zich agressief gedroeg tegen de teamleider van Werkpas.

2.5 Namens verzoeker wordt aangevoerd dat er geen onduidelijkheid bestaat over zijn woonsituatie. Verzoeker heeft een postadres op het adres [adres 1]. Hij kan daar zijn post ophalen, heeft geen sleutel van het huis en verblijft daar niet. Het postadres zal binnenkort vervallen, omdat verzoeker dit niet meer kan betalen. Voor de nacht heeft verzoeker een slaapplek op het adres [adres 3]. Verzoeker heeft ook van deze woning geen sleutel. Hij verwijst in dit verband naar een verklaring van de hoofdbewoner van de woning aan de [adres 3]. Volgens verzoeker heeft verweerder zijn aanvraag om een WWB-uitkering onvoldoende zorgvuldig onderzocht. Ter zitting heeft verzoeker benadrukt dat het duidelijk is waar hij verblijft. Ook heeft verzoeker op 18 juli 2007 een WWB-aanvraag gedaan. Omdat verzoeker binnenkort adresloos is, dient verweerder hem een briefadres te verstrekken, aldus verzoeker.

2.6 Volgens verweerder ziet het verzoek om voorlopige voorziening van 12 september 2007 op een periode van ruim voor die datum. Ook stelt verweerder dat verzoeker na zijn werk bij Paswerk werk heeft gevonden via uitzendbureaus. Dat deze werkzaamheden zijn beëindigd, is niet gebleken. Toewijzing van een briefadres kan niet aan de orde zijn, omdat hierover geen procedure aanhangig is. Bovendien heeft verzoeker al een briefadres waar hij bereikbaar is. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat een aanvraag per 18 juli 2007 niet in de rede ligt, omdat verzoeker toen nog werkzaam was bij Paswerk.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.8 Deze procedure spitst zich allereerst toe op de vraag of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek om voorlopige voorziening van 12 september 2007. Vaststaat dat dit verzoek is gekoppeld aan het bezwaar tegen verweerders besluit van 25 juni 2007. Met zijn verzoek beoogt verzoeker schorsing van dit besluit, hetgeen in de optiek van verzoeker er blijkbaar toe zou moeten leiden, dat hem alsnog per 13 juni 2007 (de aanvraagdatum) een WWB-uitkering wordt toegekend. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening uitsluitend mogelijk is per datum van het verzoek, in dit geval 12 september 2007. Dit is drie maanden na de aanvraagdatum. In dit verband heeft verweerder er bovendien terecht op gewezen dat, voor zover verzoeker op 13 juni 2007 al bijstandsbehoevend zou zijn geweest, dit in ieder geval per 27 juni 2007 niet meer zo was. Op die datum heeft verzoeker immers werk aanvaard bij Paswerk. Vaststaat dat het inkomen dat verzoeker hiermee genereerde, boven bijstandsniveau lag.

2.9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van 12 september 2007, voor zover gericht op schorsing van het besluit van 25 juni 2007, een spoedeisend belang ontbeert. Dit verzoek dient dus in zoverre te worden afgewezen.

2.10 Het verzoek van 12 september 2007 strekt er tevens toe, dat verweerder aan verzoeker een briefadres dient te verstrekken. Het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, Awb staat echter in de weg aan een eventuele toewijzing van dit verzoek. Verzoeker heeft immers bij verweerder geen aanvraag ingediend om toekenning van een briefadres, zodat op dit punt de vereiste connexiteit van het verzoek met een hoofdprocedure ontbreekt. In zoverre is het verzoek van 12 september 2007 niet-ontvankelijk.

2.11 Het voorgaande brengt mee, dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan bespreking van de inhoudelijke gronden van het verzoek.

2.12 Wat het verzoek om voorlopige voorziening van 27 september 2007 betreft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Anders dan verzoeker meent, bevat het bezwaarschrift van 18 juli 2007 geen aanvraag om toekenning van een WWB-uitkering. Ook verweerder heeft in dit bezwaarschrift geen aanvraag gelezen. Dat voormeld bezwaarschrift geen aanvraag bevat, blijkt onder meer uit de volgende zinsneden, zoals geformuleerd door verzoekers gemachtigde: "Ik heb cliënt geadviseerd zekerheidshalve een nieuwe aanvraag bijstand te doen" en "Ik ben wel bereid te helpen bij een nieuwe aanvraag ". Omdat geen sprake is van een aanvraag, kan evenmin sprake zijn van het niet-tijdig beslissen hierop, zodat artikel 6:2, onder b, Awb toepassing mist. De brief van 25 september 2007 kan dan ook niet worden aangemerkt als een bezwaarschrift in de zin van de Awb. Hierdoor mist het verzoek van verzoeker connexiteit met een hoofdprocedure, zodat het niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.13 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek met reg. nr. 07-6223 af, voor zover gericht op schorsing van het besluit van 25 juni 2007;

3.2 verklaart dit verzoek voor het overige niet-ontvankelijk;

3.3 verklaart het verzoek met reg. nr. 07-6427 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Medze, voorzieningenrechter, en op 15 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.