Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6631

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
06/3196
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. De directeur-enig aandeelhouder van de BV is ook voor wat betreft zijn aangifte IB/PVV gebonden aan de vaststellingsovereenkomst gesloten tussen de belastingdienst en de BV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2035
FutD 2007-2085
V-N 2008/8.16

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3196

Partijen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) opgelegd, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning ten bedrage van € 100.000.

Verweerder is bij uitspraak op bezwaar van 26 januari 2006 gedeeltelijk tegemoetgekomen aan het bezwaarschrift, door het belastbaar inkomen uit werk en woning te verminderen. Het voordeel uit aanmerkelijk belang is vastgesteld op een bedrag van € 252.365. Daarbij is geen rekening gehouden met de door eiser verrekende dividendbelasting.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2007 te Haarlem.

Eiser en zijn gemachtigde zijn daar – hoewel daartoe op 18 juni 2007 op regelmatige wijze uitgenodigd per faxbericht aan gemachtigde – zonder nader bericht niet verschenen. Namens verweerder is verschenen A.

2. Feiten

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van onder meer de navolgende feiten en omstandigheden:

2.1. Eiser heeft 100% van de aandelen in X Management B.V. (hierna: de BV). De BV houdt 100% van de aandelen in Y B.V. De BV vormt met Y B.V. een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

2.2. Eiser is directeur en enig werknemer van de BV.

2.3. In juni 2001 is een boekenonderzoek ingesteld bij de BV. Daarbij is geconstateerd dat de rekening-courantschuld van eiser aan de BV het volgende verloop heeft gehad:

1 december 1997 € -/- 71.158

31 december 1998 € 480.851

31 december 1999 € 1.040.282

31 december 2000 € 1.307.205

Eind 1999 is een voorziening wegens oninbaarheid getroffen van € 690.670.

2.4. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat de rekening-courantschuld per 31 december 2000 van eiser aan de BV een (verkapte) winstuitdeling vormt van de BV aan eiser. Een deel van de rekening-courantschuld, namelijk een bedrag van maximaal € 45.378, is daarbij wel als zodanig aanvaard.

2.5. Ter zake van de uitdeling hebben de BV en verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten. De vaststellingsovereenkomst houdt, voor zover hier van belang, het navolgende in.

Van de rekening-courantschuld per 31 december 2000 wordt met ingang van 2001 jaarlijks een vijfde deel als winstuitdeling aangemerkt. Hierbij wordt een rekening-courantschuld van maximaal € 45.378 geaccepteerd. In 2002 zal na het afronden van het boekenonderzoek een naheffingsaanslag dividendbelasting worden opgelegd over de uitdeling in het jaar 2001. Deze aanslag bedraagt € 63.091 (25% van € 252.365). De BV zal voor de jaren 2002 tot en met 2005 zelfstandig aangifte dividendbelasting doen voor de winstuitdelingen van die jaren (telkens in de maand december van het betreffende jaar). De betaling van de verschuldigde dividendbelasting dient voor het einde van het desbetreffende jaar op de rekening van de ontvanger van de Belastingdienst te zijn bijgeschreven. Bij niet of niet tijdig doen van aangifte en afdracht dividendbelasting door de BV wordt door verweerder een naheffingsaanslag opgelegd naar het restant van de rekening-courantschuld, behoudens een bedrag van € 45.378.

2.6. Met dagtekening 15 juli 2002 wordt de overeengekomen naheffingsaanslag dividendbelasting 2001 opgelegd. De aanslag, met het aanslagnummer 0.000.002, bedraagt € 63.091.

2.7. Op 27 maart 2003 ontvangt verweerder de aangifte dividendbelasting 2002. Het uitgekeerde dividend bedraagt volgens de aangifte € 252.356. De te betalen dividendbelasting bedraagt € 63.091.

2.8. Bij brief van 27 maart 2003 verzoekt de BV aan verweerder om de over de dividenduitkering betreffende het jaar 2002 verschuldigde dividendbelasting ad € 63.091 te verrekenen met de terug te ontvangen vennootschapsbelasting 1998 ad

€ 91.334 als gevolg van de carry back van het verlies van de BV over het jaar 2001 naar de winst over het jaar 1998. De BV verzoekt daarbij voorts uitstel van betaling te verlenen totdat genoemde ‘carry-back’-beschikking is afgegeven en verrekening kan plaatsvinden.

2.9. Met dagtekening 15 juli 2003 wordt aan de BV opgelegd een naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2002 met als aanslagnummer 0.000.001, ten bedrage van € 63.091.

2.10. De ingevolge de naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2001 verschuldigde dividendbelasting ad € 63.091 wordt op 8 september 2003 geheel verrekend met bovengenoemde teruggaaf vennootschapsbelasting.

2.11. De ingevolge de naheffingsaanslag dividendbelasting over het jaar 2002 verschuldigde dividendbelasting ad € 63.091 is tot op heden door de inmiddels in faillissement verkerende BV niet afgedragen.

2.12. Eiser heeft, gedagtekend 24 oktober 2005, bezwaar ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2002 en heeft daarbij een ingevuld aangiftebiljet gevoegd. In dat aangiftebiljet heeft eiser een bedrag van € 252.365 aangegeven als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang en een te verrekenen bedrag van € 55.759 als Nederlandse dividendbelasting die is ingehouden op dividend c.a.

3. Geschil

In geschil is of eiser in het jaar 2002 een uitdeling ten bedrage van € 252.365 heeft ontvangen van de BV en of eiser de in de aangifte IB/PVV 2002 aangegeven dividendbelasting kan verrekenen met de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de over de dividenduitkering verschuldigde dividendbelasting bij de BV dient te worden nageheven.

4.1.1. Voorzover eiser hiermee bedoelt te betogen dat de onderhavige verrekening van dividendbelasting in de aangifte IB/PVV mogelijk is, faalt het betoog. Ingevolge het bepaalde in artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen worden voorlopige aanslagen en de in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend met de aanslag. Artikel 9.2, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wijst als voorheffing aan: de geheven dividendbelasting.

Tussen partijen staat vast dat een naheffingsaanslag dividendbelasting 2002 is opgelegd en dat deze tot op heden niet voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank is alsdan geen sprake van geheven dividendbelasting in de zin van laatstgenoemde bepaling.

4.1.2. De stelling van eiser dat verweerder -ondanks zijn verzoek daartoe- heeft nagelaten de verschuldigde dividendbelasting te verrekenen met de teruggaaf vennootschapsbelasting over het jaar 1998, kan hem niet baten nu het hem als directeur en enig aandeelhouder van de BV persoonlijk duidelijk moet zijn geweest dat de over 2002 verschuldigde dividendbelasting niet was voldaan door middel van verrekening. Immers, zoals blijkt uit de feiten (onderdelen 2.8. en 2.9.) is na het door eiser namens de BV gedane verzoek tot verrekening met de verschuldigde dividendbelasting, een naheffingsaanslag dividendbelasting 2002 opgelegd, klaarblijkelijk omdat verrekening niet had plaatsgevonden. Eiser heeft voorts bij de gedingstukken een kennisgeving gedagtekend 20 juni 2003 gevoegd, waarin uitstel van betaling wordt gegeven ter zake van de naheffingsaanslag dividendbelasting in verband met de teruggaaf vennootschapsbelasting 1998. Op deze kopie staat met de hand geschreven het aanslagnummer van de naheffingsaanslag dividendbelasting 2001 (0.000.002), zodat ook om die reden het ervoor moet worden gehouden dat eiser ermee op de hoogte was dat de naheffingsaanslag dividendbelasting 2002 niet was voldaan door middel van de door hem gevraagde verrekening. Het restant van de teruggaaf vennootschapsbelasting 1998 was na voornoemde verrekening met de naheffingsaanslag dividendbelasting 2001 ontoereikend om de verschuldigde dividendbelasting 2002 geheel te voldoen en, naar verweerder ter zitting onbestreden heeft gesteld, is dat restant ook niet verrekend met de naheffingsaanslag dividendbelasting 2002.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt het primaire standpunt van eiser.

4.2. Eiser acht zich subsidiair niet gebonden aan genoemde vaststellingsovereenkomst en voorts neemt hij, eveneens subsidiair, het standpunt in dat hij geen dividend heeft ontvangen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat hoewel de vaststellingsovereenkomst is gesloten tussen de BV en verweerder, deze ook bindend is voor eiser en dat sprake is van (verkapt) dividend. Eiser is directeur, enig werknemer en 100% aandeelhouder van de BV en heeft de vaststellingsovereenkomst in de hoedanigheid van directeur van de BV persoonlijk ondertekend. De BV is inhoudingsplichtige terwijl eiser subjectief belastingplichtige is voor de heffing van dividendbelasting. Er is geen reden het begrip (winst)uitdeling in de inkomstenbelasting anders op te vatten dan in de dividendbelasting. Indien een vennootschap een (winst)uitdeling doet, dan is deze uitdeling bij de aandeelhouder die een aanmerkelijk belang houdt in die vennootschap, voor de inkomstenbelasting in beginsel een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Dat ook belanghebbende hiervan is uitgegaan, blijkt uit de omstandigheid dat hij het bedrag genoemd in de vaststellingsovereenkomst als (winst)uitdeling in zijn aangiften IB/PVV 2001, 2002 en 2003 heeft verwerkt. Naar het oordeel van de rechtbank lag het op de weg van eiser – zo hij hierover anders dacht – dienaangaande een voorbehoud te maken bij het opmaken van de vaststellingsovereenkomst. Dat is echter niet gebeurd. Het subsidiair standpunt van eiser faalt eveneens.

4.3. Het meer subsidiaire standpunt van eiser gaat ervan uit dat in het dictum van de uitspraak op bezwaar de aanslag is verminderd. Dit uitgangspunt is evenwel onjuist. De uitspraak op bezwaar zegt dat gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen, doch tevens dat het bezwaar niet wordt gevolgd voor wat betreft de voorheffing dividendbelasting. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden opgevat dan dat de door eiser voorgestane verrekening voorheffing dividendbelasting door verweerder niet is gevolgd, zodat de aanslag is gehandhaafd. Voor zover eiser meent dat dit hem niet duidelijk was, kan dit hem evenmin baten. Eiser is door het hiervoor weergegeven dictum in de uitspraak op bezwaar niet in zijn processuele belangen geschaad, nu hij tegen deze uitspraak op bezwaar, ook al zou hij daardoor op het verkeerde been zijn gezet, tijdig beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat ook de meer subsidiaire beroepsgrond van eiser niet tot succes kan leiden.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken op de dag die hierna is aangegeven als dag van verzending van het afschrift door de mr. A.A. Fase, als voorzitter, A.M. van Amsterdam en T.J.P. van Os van den Abeelen, als leden, in tegenwoordigheid van drs. N. Hoens, als griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.