Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6629

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2007
Datum publicatie
16-11-2007
Zaaknummer
06-6722
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat een gedeelte van de boekwinst buiten de landbouwvrijstelling valt. Zijn standpunt, dat het bestemmingsplan op het moment van verkoop niet voorzag in de door de koper gewenste vorm van tuinbouw moet leiden tot de conclusie dat het verschil in prijs tussen weidegrond en tuinbouw niet in de landbouwvrijstelling deelt, kan niet gevolgd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2183
FutD 2007-2170

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6722

Uitspraakdatum: 27 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst te P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 409.095 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.738.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 mei 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 15 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 16 juni 2006, beroep ingesteld. Bij brief, welke op 15 september 2006 bij de rechtbank is ontvangen, heeft eiser de gronden van zijn beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Eiser heeft eveneens vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007 te Haarlem. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtige, drs. A, werkzaam bij B. Namens verweerder is verschenen C. Gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en aan de wederpartij, welke als voorgelezen wordt beschouwd. Verweerder heeft een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij

De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiser exploiteerde, in de vorm van een eenmanszaak, een melkveehouderijbedrijf. Het betreft een landbouwbedrijf in de zin van artikel 3.12 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna Wet IB 2001). Eiser heeft zijn onderneming op 31 december 2002 gestaakt.

2.2. Bij een koopovereenkomst van 18 september 2002 verkoopt eiser een ligboxenstal met ondergrond, erf, pad en betonplein alsmede aangesloten landerijen (door eiser altijd aangewend als weideplaats voor zijn vee en als land voor voederwinning) staande en gelegen aan de a-straat 1 en de b-straat 1 te Z, totaal groot 12.38.70 hectare, aan E B.V. (hierna: koper) voor € 1.017.261 (f 2.241.750). De koopsom is in de koopovereenkomst als volgt gesplitst:

Agrarisch bouwblok € 158.823,08 f 350.000

Ligboxenstal met infrastructuur € 45.378 f 100.000

Landerijen € 813.060 f 1.791.750

TOTAAL € 1.017.261 f 2.241.750

2.3. In artikel 5 van de koopovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Artikel 5: Feitelijke levering, staat van het verkochte

(...)

Koper is voornemens het verkochte te gebruiken voor zijn agrarische onderneming ten behoeve van veredeling en zaadteelt op de volle gronden.

2.4. Artikel 15 van de koopovereenkomst luidt als volgt:

Artikel 15: Ontbindende voorwaarde

1. Deze overeenkomst zal, mits met inachtneming van het navolgende, ontbonden (kunnen)

worden indien niet voor 00-00-0000 door of namens Gedeputeerde Staten van de provincie F aan de gemeente Z een volledige goedkeuring is verleend met betrekking tot het bestemmingsplan aZ, onderdeel bZ.

2. Op vervulling van de in lid 1 gemelde voorwaarde kan slechts koper zich beroepen. Dit

beroep moet geschieden door middel van een schriftelijke mededeling aan de notaris.

Deze mededeling dient schriftelijk en gedocumenteerd uiterlijk op de eerste werkdag na

de voor de desbetreffende voorwaarde in lid 1 genoemde datum in het bezit van de

notaris te zijn.

2.5. Koper heeft zich niet beroepen op bovengenoemde ontbindende voorwaarde, en de levering van de onroerende zaken heeft bij akte van 13 december 2002 plaatsgevonden. In artikel 2 van de leveringsakte is, voor zover van belang, opgenomen:

Artikel 2: Feitelijke levering, staat van het verkochte, baten en lasten,risico

(...)

2. Koper is voornemens het verkochte te gebruiken voor zijn agrarische onderneming ten behoeve van veredeling en zaadteelt op de volle gronden.

(...)

2.6. Bij een brief van 01-02 0047 hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Z aan Gedeputeerde Staten van provincie F verzocht het bestemmingsplan aZ, waarin voor het gebied waartoe de verkochte gronden behoren de bestemming zodanig was aangepast dat er onder andere kassenbouw mogelijk was, goed te keuren.

2.7. Op 01-09-0047 heeft Gedeputeerde Staten van provincie F het bestemmingsplan aZ goedgekeurd. Op deze goedkeuring zijn uitzonderingen gemaakt. In het besluit van 01-09-0047 is, voor zover van belang, het volgende opgenomen.

8.3.7. Zaadteeltbedrijf

In het plan wordt het zaadteeltbedrijf, gesitueerd in de uiterste zuidoostelijke hoek van het plangebied, (via een wijzigingsbevoegdheid in artikel 20 lid 8 van de voorschriften) de mogelijkheid geboden zich in westelijke richting uit de breiden met een maximale (bebouwde) oppervlakte van 6 hectare.

Redenen om van het vastgestelde provinciale beleid af te wijken

Zoals wij hiervoor (7.3.) hebben aangegeven, zijn wij van mening dat achteraf bezien het bedrijf E in feite in planologisch opzicht op een verkeerde locatie is gevestigd (.....). het plan wijkt af van het streekplan, waar ter plaatse op de kaart staat aangegeven dat het gebied wordt aangemerkt als “Van bijzondere betekenis voor natuur, landschap en bodem”. (...)

In aanmerking nemende dat:

(...)

Achten wij het aanvaardbaar dat de beoogde uitbreiding van E daar toch plaatsvindt, mits de bebouwing in de directe omgeving van de c-straat wordt gesitueerd en de bebouwde oppervlakte beperkt blijft tot een met de agrarische bouwpercelen in de omtrek vergelijkbare grootte. Omdat het in het plan opgenomen voorschrift (artikel 20 lid 8) dit onvoldoende regelt, is het nodig dat dit voorschrift op dit punt wordt aangepast. (...). derhalve kan met dit wijzigingsvoorschrift in het plan (artikel 20 lid 8) niet worden ingestemd.

(...)

Beslissing

Wij besluiten:

(...)

3. het bestemmingsplan aZ goed te keuren, met uitzondering van:

(...)

-(...)artikel 20 lid 6, 8, (...) van de voorschriften (...).

2.8. Voordat het bestemmingsplan aZ in werking trad, was het bestemmingsplan “b0000” van toepassing. Binnen dit geldende bestemmingsplan hadden de verkochte gronden ten tijde van de verkoop de bestemming “agrarische doeleinden”.

2.9. G, taxateur in dienst van verweerder, kent in zijn schrijven van 14 februari 2005 per de verkoopdatum (13 december 2002) aan het bouwblok een waarde in het economische verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik (WEVAB) toe van

€ 145.000. De WEVAB-waarde van x ha cultuurgrond taxeert hij in dit schrijven op € 440.000.

2.10. H, taxateur, werkzaam bij I BV, heeft in opdracht van eiser de x ha cultuurgrond op 4 april 2007, naar de situatiedatum 13 december 2002, getaxeerd op € 815.000. Volgens H is de WEVAB-waarde gelijk aan de waarde in het economische verkeer.

2.11. Eiser heeft op 23 december 2003 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2002 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 17.306. Met dagtekening 30 juni 2005 heeft verweerder de onderhavige aanslag vastgesteld. Op het door eiser aangegeven inkomen uit werk en woning heeft verweerder de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning: € 17.306

Bij: belaste winst bij verkoop landerijen € 386.883

Bij: geen zelfstandigenaftrek € 4.906

Totaal belastbaar inkomen uit werk en woning na correcties: € 409.095

De belaste winst bij verkoop landerijen is door verweerder als volgt berekend:

Bij: Ontvangen koopsom voor x+y grond (y ha + x ha) (€ 158.823,08 + € 813.060) € 971.883

Af: WEVAB-waarde 1 ha bouwblok -/- € 145.000

Af: WEVAB-waarde x ha cultuurgrond -/- € 440.000 -/- € 585.000

Saldo € 386.883

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of de landbouwvrijstelling van toepassing is op de door eiser bij de verkoop van x+y ha grond gerealiseerde winst.

3.2.1. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2002 van € 22.212 (bij aanslag vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 409.095 minus de correctie op de landbouwvrijstelling ad € 386.883). De correctie van de zelfstandigenaftrek is niet in geschil.

3.2.2. Eiser voert hiertoe het volgende aan:

De winst die is behaald bij de verkoop van de landbouwgronden is voor het volledige bedrag van € 873.769 vrijgesteld. Er is geen sprake van een belast verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en WEVAB, aangezien de winst geheel bestaat uit waardeveranderingen die zijn toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortgezette aanwending in het kader van een landbouwbedrijf.

3.3. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de door hen overgelegde stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd dient te worden aangemerkt.

3.5. Ter zitting hebben partijen hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd:

Namens eiser

Ik kan mij voorstellen dat, indien wijziging van het bestemmingsplan niet geheel zeker is, de waarde lager is dan wanneer dit wel zeker zou zijn geweest. Mij is niet bekend of door E de grond voor iets anders aangekocht zou worden dan voor landbouw.

Bij E is een gedeputeerde langs geweest met betrekking tot de uitbreidingsplannen. Wat mij verteld is, is dat de gedeputeerd begrip had voor de situatie en dat E moest uitbreiden. De provincie stond positief tegenover de uitbreiding van E.

Mocht er twijfel bestaan of op de grond de bestemming kassenbouw bestond, dan doe ik een bewijsaanbod. Volgens het bestemmingsplan zijn laagkassen mogelijk, maar ook hier kunnen stookruimten onder worden aangebracht.

De term “buurmans land is maar één keer te koop” is een achterhaald begrip. Grond staat tegenwoordig lang te koop.

Namens verweerder

Als op het moment van de verkoop het bestemmingsplan had voorzien in kassenbouw, dan was er geen geschil geweest. De grond werd gebruikt met bestemming veehouderij. Een andere mogelijkheid was er niet. Als de verkoopprijs hoger is dan de waarde met bestemming veehouderij, dan is dit belaste winst. Dat het in deze zaak binnen de bestemming landbouw blijft, is mijns inziens niet relevant. De vraag die gesteld moet worden is of op het moment van verkoop de mogelijkheid aanwezig was tot kassenbouw. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Buurmans land is maar één keer te koop, wellicht dat daarom E de grond wilde kopen met deze bestemming en voor deze prijs.

Het geldende bestemmingsplan heeft het enkel over laagkassen. Dit is zonder stookruimten.

Ik kijk niet naar mogelijke wijzigingen in het bestemmingsplan. Ik kijk enkel naar de verkoopprijs die hoger is dan de WEVAB. Deze is belast. Als het bestemmingsplan ten tijde van de verkoop kassenbouw toestond en de grond wordt verkocht voor woningbouw, dan mag worden uitgegaan van de WEVAB met bestemming kassenbouw.

Ook als E in strijd met het bestemmingsplan kassen neerzet, dan moet worden uitgegaan van de WEVAB voor weidegrond. De vergoeding boven deze waarde is belast. Ook als twee weken na de verkoop het bestemmingsplan was gewijzigd in kassenbouw, dan is mijn stelling niet anders. Zelfs als enkel nog een formeel besluit dient te worden genomen. Beslissend is de bestemming op het moment van verkoop.

De landbouwvrijstelling stelt alleen inflatiewinsten vrij en niet bestemmingswijzigingswinsten, ook als de bestemmingswijziging binnen agrarische grond is.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Artikel 3.12 van de Wet IB 2001 luidde in het onderhavige jaar:

1. Tot de winst behoren niet voordelen uit landbouwbedrijf ter zake van waardeveranderingen van gronden - daaronder begrepen de ondergrond van gebouwen - voorzover de waardeverandering van de grond is toe te rekenen aan de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer bij voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf, en niet is ontstaan in de uitoefening van het bedrijf.

2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder landbouwbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten van akkerbouw, van weidebouw of van tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen, bloembollen en paddestoelen - of op het in het kader van veehouderij fokken, mesten of houden van dieren. Met landbouwbedrijf worden gelijkgesteld binnenvisserij en visteelt.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat de overgang van de ene naar de andere agrarische activiteit, vallend onder de definitie van landbouwbedrijf, niet als een bestemmingswijziging wordt aangemerkt en derhalve niet leidt tot belastingheffing (vergelijk Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 209, nr 6, blz. 65). Niet in geschil is dat de activiteiten van koper zijn aan te merken als “voortzetting van de aanwending van de grond in het kader van een landbouwbedrijf” (vgl.artikel 3.12 Wet IB 2001).

4.3. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat een gedeelte van de boekwinst buiten de landbouwvrijstelling valt. Hieruit volgt dat hij aannemelijk moet maken dat een bedrag van € 386.883 niet onder de landbouwvrijstelling valt. De rechtbank ziet geen aanleiding de bewijslast anders te verdelen dan uit de jurisprudentie volgt die is gewezen onder het regime van de vóór 27 juni 2000 geldende wettekst, nu tijdens de parlementaire behandeling van deze wetswijziging de bewijslastverdeling niet aan de orde is geweest.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de koper de grond feitelijk in agrarische sfeer heeft voortgezet en voorts dat uit de onder 2.3. en 2.6. opgenomen koopovereenkomst en leveringsakte volgt dat koper ook de bedoeling had om de grond in agrarische sfeer voort te zetten. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er prijsopdrijvende factoren buiten de agrarische sfeer waren die ertoe geleid zouden hebben dat de overeengekomen koopsom uitkwam boven de WEVAB. Voorts bestaat er noch in de wet, noch in de jurisprudentie steun voor het standpunt van verweerder dat het enkele feit dat het bestemmingsplan op het moment van verkoop niet voorzag in de door koper gewenste vorm van tuinbouw moet leiden tot de conclusie dat het verschil in prijs tussen weidegrond en tuinbouw (kassen) niet in de landbouwvrijstelling deelt. In verband hiermee passeert de rechtbank het door eiser gedane getuigenaanbod, waarmee eiser wenst aan te tonen dat het op het verkoopmoment geldende bestemmingsplan wél (al dan niet gedeeltelijk) voorzag in de door koper gewenste vorm van tuinbouw.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het bezwaar en het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.127 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Voor de overige door eiser genoemde proceskosten, te weten de taxatiekosten, wordt verweerder, eveneens met toepassing van dat besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 441,50.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.212 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.568,50, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. M.J. Leijdekker, voorzitter, mr. A.M. van Amsterdam en mr. A.P.M. van Rijn, rechters, in tegenwoordigheid van drs. N. Hoens, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.