Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6540

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
138874 - KG ZA 07-492
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid op grond van verjaring. Aanvang verjaringstermijn. Geen sprake van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 5:50, lid 4, BW. Niet gebleken van hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW. Geen onrechtmatig gebruik van verleende bouwvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 138874 / KG ZA 07-492

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2007

in de zaak van

1. [eiser 1],

2. [eiseres 1],

3. [eiser 2],

4. [eiseres 2],

allen wonende te Volendam, gemeente Edam-Volendam,

eisers,

procureur mr. K. Beishuizen,

advocaat mr. A.T.M. van den Borne te Heilig Landstichting, gemeente Groesbeek,

tegen

[gedaagde],

wonende te Volendam,

gedaagde,

procureur mr. drs. M.C.G. Keijzer.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 12

- de brief van [gedaagde] van 25 september 2007 met producties 1 t/m 6

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers] met producties

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers] zijn eigenaren van de woningen staande en gelegen aan respectievelijk […] te Volendam. De woningen grenzen aan de achterzijde direct aan het perceel van [gedaagde] aan […] te Volendam.

2.2. Bij besluit van 13 juli 2007 heeft het college van burgemeesters en wethouders van gemeente Edam-Volendam met vrijstelling van het geldende bestemmingsplan op grond van artikel 15 en artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan [gedaagde] een bouwvergunning verleend voor het bouwen van een nieuwe woning met bijgebouw op het perceel van [gedaagde].

2.3. Tegen voornoemd besluit hebben [eisers] op 3 augustus 2007 bezwaar ingediend. Op dit bezwaar is nog niet beslist. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, heeft bij uitspraak van 29 augustus 2007 (AWB 07/4596) een verzoek om voorlopige voorziening tot op het bezwaar is beslist, afgewezen.

2.4. Aan de achterzijde van de woning van [eiser 1] is in 1995 een inpandig balkon gerealiseerd. Het balkon is ongeveer 1 meter diep en daaraan grenst een groot raam en een deur die toegang geeft tot de woonkamer.

2.5. Aan de achterzijde van de woning van [eiser 2] zijn twee toegangsdeuren en drie ramen aanwezig. De deur op de begane grond geeft toegang tot de achterzijde van de woning en onder deze deur bevinden zich nog twee deurtjes die toegang bieden tot de kruip- en opslagruimte van de woning. Boven de deur op de begane grond bevindt zich een raam ter grootte van 90 x 72,5 cm. De vorige eigenaar van de woning van [eiser 2] tevens een keukenraam ter grootte van 106 x 72,5 cm aangebracht in de achterzijde van de woning.

2.6. Op basis van het voorgenomen bouwplan van [gedaagde] zal tegen de achtergevel van de woning van [eiser 2] worden gebouwd, met een kleine uitsparing bij de deur. Ook in het dak van de woning van [gedaagde] zal een uitsparing worden gemaakt ter hoogte van het keukenraam van de woning van [eiser 2].

2.7. [Gedaagde] heeft een aanvang laten maken met de bouwwerkzaamheden.

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen:

1. [gedaagde] te veroordelen om op eerste schriftelijke oproep van de door [eisers] aan te wijzen notaris binnen een door hem te bepalen termijn te verschijnen ten kantore van deze notaris voor het ondertekenen van de akten waarin de erfdienstbaarheden die door verjaring zijn ontstaan schriftelijk worden vastgelegd en vervolgens ter registratie zullen worden aangeboden aan het kadaster, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en voor het geval [gedaagde] langer dan twee weken in gebreke mocht blijven te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in plaats zal worden gesteld van de akten strekkende tot (be)vestiging van voormelde erfdienstbaarheden door [gedaagde] aan [eisers],

2. [gedaagde] te verbieden gebruik te maken van de aan haar verleende bouwvergunning voor het bouwen van een woning conform het ten processe bedoelde bouwplan, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [Gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ten aanzien van de woning van [eiser 2]

4.1. [Eiser 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de ramen en deuren aan de achterzijde van zijn woning een erfdienstbaarheid is ontstaan op grond van verjaring. Het raam boven de deur, het raam op de eerste verdieping en de toegangsdeuren zijn in ieder geval 32 jaar geleden, bij een verbouwing in 1975, aangebracht in de woning. [Gedaagde] is volgens [eiser 2] verplicht binnen een afstand van twee meter van deze deuren en ramen geen woning of bijgebouw op te richten die [eiser 2] onredelijk zou hinderen. Het bouwplan van [gedaagde] levert onrechtmatige hinder op en is strijdig met het burenrecht, omdat de toegangsdeuren niet meer kunnen worden gebruikt en daarmee de kruip- en opslagruimte onder de woning niet meer kan worden bereikt en het keukenraam niet kan worden onderhouden, en tevens omdat het uitzicht, licht en lucht worden ontnomen.

4.2. Ten aanzien van de deuren (de toegangsdeur en de zich daaronder bevindende kleine deurtjes) aan de achterzijde van de woning van [eiser 2] en het gebruik door [eiser 2] van het erf van [gedaagde] om de kruipruimte onder de woning te bereiken heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat ingevolge het oud BW slechts de voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheden verjaarden. Daarom is de verjaring volgens [gedaagde] pas op 1 januari 1992 aangevangen en is geen erfdienstbaarheid op grond van verjaring ontstaan. [Gedaagde] heeft voorts betoogd dat geen sprake is van onrechtmatige hinder, omdat zij het bouwplan zodanig heeft aangepast dat [eiser 2] de deur in de achtergevel van zijn woning nog kan openen en hij er ook voor zou kunnen kiezen om de deur naar binnen te laten draaien.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit betoog van [gedaagde] niet slaagt. De deur in de achtergevel van [eiser 2] en de daaronder gelegen kleine deurtjes bevinden zich daar immers sinds 1975 en zichtbaar is dat die (hooggelegen) achterdeur geen ander doel dient dan (via het erf van [gedaagde]) de daaronder gelegen deurtjes te bereiken om vervolgens toegang te kunnen verkrijgen tot de kruip- en opslagruimte onder de woning. De verjaringstermijn om wegneming van de deur en de deurtjes te vorderen is daarom in 1975 aangevangen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee inmiddels een erfdienstbaarheid op grond van verjaring ontstaan, welke erfdienstbaarheid inhoudt dat [gedaagde] heeft te dulden dat [eiser 2] haar grond betreedt teneinde zich toegang tot de kruipruimte onder zijn woning te verschaffen.

4.4. De voorzieningenrechter is echter voorts van oordeel dat door het bouwen binnen een afstand van twee meter tot vorenbedoelde deuren geen sprake behoeft te zijn van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 5:50, lid 4, BW. [eiser 2] kan de deuren, door de uitsparing in de te bouwen woning van [gedaagde], nog steeds gebruiken om de onderliggende kruip- en opslagruimte te bereiken indien de deuren zodanig worden aangepast dat deze naar binnen draaien. [gedaagde] zal de kosten van deze aanpassing aan [eiser 2] dienen te vergoeden, mits [eiser 2] een offerte voor de daartoe benodigde werkzaamheden tevoren aan [gedaagde] heeft getoond en [gedaagde] daarmee akkoord is gegaan.

4.5. Ten aanzien van het keukenraam in de achtergevel in de woning van [eiser 2] heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een erfdienstbaarheid op grond van verjaring, omdat dit raam in 2000 is geplaatst. Volgens [eiser 2] en blijkens de door hem overgelegde bouwtekening uit 1995 bevindt het keukenraam zich sinds 1995 in de achtergevel. Wat daarvan zij, ook in het laatste geval is geen sprake van een erfdienstbaarheid van licht op grond van verjaring, omdat geen twintig jaar verstreken zijn. Het verbod van artikel 5:50, lid 4, BW is daarom ten aanzien van het bouwen binnen twee meter van het keukenraam van [eiser 2] niet van toepassing. Het is [gedaagde] daarom toegestaan aldaar te bouwen. [Gedaagde] is [eiser 2] bovendien tegemoetgekomen door een uitsparing in het dak van het op te richten bouwwerk te laten maken ter hoogte van het keukenraam van [eiser 2].

4.6. Ten aanzien van het raam boven de deur en het raam op de eerste verdieping in de achtergevel van [eiser 2] heeft [gedaagde] betwist dat sprake is van onredelijke hinder. Het bouwplan leidt niet tot het ontnemen van lucht en licht. De te bouwen berging raakt ter hoogte van de deur de gevel niet en het bovenlicht blijft vrij. Nu [eiser 2] niet heeft onderbouwd welke hinder hij van het bouwwerk zal ondervinden met betrekking tot het raam boven de deur en het raam op de eerste verdieping in de achtergevel, is niet aannemelijk gemaakt dat in zoverre geen sprake is van onredelijke hinder als bedoeld in artikel 5:50, lid 4, BW.

Ten aanzien van de woning van [eiser 1]

4.7. [Eiser 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verboden is om binnen een afstand van twee meter van het inpandige balkon in zijn achtergevel een bouwwerk op te richten dat hem hindert. Het bouwplan is volgens Van de Eijkhof ook jegens hem in strijd met artikel 5:50, lid 4, BW, nu hij daarvan vanwege de inspringende muur hinder zal ondervinden.

4.8. [Gedaagde] heeft daartegen ingebracht dat het inpandige balkon in 1995 is aangebracht in de achtergevel van [eiser 1]. Er is daarom geen sprake van een erfdienstbaarheid op grond van verjaring binnen twintig jaar.

4.9. Dat betoog slaagt. Het verbod van artikel 5:40, lid 4, BW is daarom ten aanzien van het bouwen binnen twee meter van het inpandige balkon van [eiser 1] niet van toepassing. Het is [gedaagde] daarom in beginsel toegestaan aldaar te bouwen. Voorts is niet gebleken van hinder als bedoeld in artikel 5:37 BW, nu het op te richten bouwwerk van [gedaagde] niet direct voor het inpandige balkon van [eiser 1] komt te staan, maar slechts een beperkt gedeelte van de zichthoek van [eiser 1] zal belemmeren. Hierbij komt dat [gedaagde] onbetwist heeft aangevoerd dat [eiser 1] het balkon slechts mag gebruiken voor het wassen van de ramen en het schoonmaken van het balkon.

Ten aanzien van het gesteld onrechtmatig gebruik van de bouwvergunning

4.10. [Eisers] hebben zich op het standpunt gesteld dat er diverse formele en materiële gebreken kleven aan het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot het verlenen van vrijstelling van het geldende bestemmingsplan en het verlenen van een bouwvergunning voor de door [gedaagde] te bouwen woning. [Eisers] menen dat dat besluit in bezwaar zal moeten worden herroepen en dat de bouwvergunning alsnog geweigerd zal moeten worden. Gebruik door [gedaagde] van de bouwvergunning achten [eisers] daarom onrechtmatig.

4.11. [Gedaagde] heeft verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 29 augustus 2007, waarin is ingegaan op de gestelde formele en materiële gebreken aan het besluit tot vrijstelling en vergunningverlening. De voorzieningenrechter heeft daarin geen aanleiding gezien het besluit tot het verlenen van de bouwvergunning te schorsen.

4.12. Omdat [eisers] thans geen nieuwe argumenten ten aanzien van de gestelde onrechtmatigheid van het besluit tot vergunningverlening naar voren hebben gebracht, is er voor de voorzieningenrechter in kort geding geen grond voor een ander oordeel ten aanzien van het besluit tot vergunningverlening dan die van de voorzieningenrechter in de bestuursrechtelijke procedure in voornoemde uitspraak van 29 augustus 2007. De voorzieningenrechter verwerpt daarom het betoog van [eisers] dat gebruik door [gedaagde] van de bouwvergunning in deze fase van de bestuursrechtelijke procedure onrechtmatig is.

Conclusie

4.13. Uit het voorgaande volgt dat alleen ten aanzien het mogen hebben van de deuren aan de achterzijde van de woning van [eiser 2] en het gebruik door [eiser 2] van het erf van [gedaagde] om de kruipruimte onder de woning te bereiken sprake is van een erfdienstbaarheid op grond van verjaring. De voorzieningenrechter zal echter de vordering om vorenbedoelde erfdienstbaarheid te laten vastleggen in een notariële akte en te laten registreren, afwijzen, nu het kort geding er niet toe strekt een rechtsverhouding tussen partijen definitief vast te stellen, maar om, na afweging van de wederzijdse belangen van partijen, een voorziening te treffen tot het moment dat de bodemrechter de rechtsverhouding tussen partijen heeft vastgesteld. De eerste vordering van [eiser 2] gaat dat bestek te buiten.

4.14. Voor het overige is niet gebleken van erfdienstbaarheden, zodat de voorzieningenrechter ook overigens de primaire vordering van [eisers] zal afwijzen. Nu voorts niet is gebleken van onredelijke hinder dan wel onrechtmatig gebruik door [gedaagde] van de aan haar verleende bouwvergunning, zal de voorzieningenrechter ook de vordering om [gedaagde] te verbieden gebruik te maken van de bouwvergunning, afwijzen.

4.15. [Eisers] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.067,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2007.?

Conc.: 877