Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6016

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
123437/2006-1246
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit hetgeen ter zitting is besproken en hetgeen de Raad heeft geconcludeerd, is het de rechtbank duidelijk geworden dat er bij de moeder geen draagvlak bestaat voor het realiseren van een omgangsregeling. Zij onderbouwt haar angsten en veronderstellingen jegens de vader op geen enkele wijze. De moeder weigert stelselmatig iedere vorm van medewerking aan het realiseren van contact, zelfs indien dit contact plaats kan vinden onder professionele begeleiding door de Raad voor de Kinderbescherming zoals de Raad herhaaldelijk heeft aangeboden.

De rechtbank wenst in deze zaak te benadrukken dat het niet laten plaatsvinden van contacten met de niet-verzorgende ouder de minderjarigen op latere leeftijd in hun persoonlijke en emotionele ontwikkeling ernstig kan schaden. Het is van belang dat de verzorgende ouder de minderjarigen toestemming geeft voor contact met de andere ouder zodat de minderjarigen niet in een loyaliteitsprobleem geraken. Het is van belang een loyaliteitsprobleem te allen tijde te voorkomen, aangezien juist dit probleem aanleiding geeft voor onrust en onveiligheid bij minderjarigen.

Vaststelling omgangsregeling en oplegging dwangsom aan moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Familie- en Jeugdrecht

Omgangsregeling

zaak-/rekestnr.: 123437/2006-1246

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken d.d. 2 oktober 2007

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vader,

procureur mr. M.J.F.A. Mutsaers,

--tegen--

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de moeder,

procureur mr. A.C. Mens.

1 Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank d.d. 20 maart 2007 en de daarin vermelde stukken;

- de op 25 mei 2007 ter griffie van deze rechtbank ontvangen rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming;

en het verhandelde ter terechtzitting op 31 augustus 2007 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun raadslieden.

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 maart 2007 heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzocht herstelcontacten te realiseren tussen de vader en de minderjarigen met als doel het totstandkomen van een definitieve omgangsregeling tussen de vader, [naam kind 1] en [naam kind 2].

2.2 Op 25 mei 2007 heeft de Raad voor de Kinderbescherming een rapportage aan de rechtbank overgelegd. Uit deze rapportage blijkt dat de Raad heeft getracht uitvoering te geven aan herstelcontacten tussen de vader en de minderjarigen. De Raad heeft hierbij uitgebreid aandacht besteed aan de omstandigheid dat de moeder van mening is dat [naam kind 1] en [naam kind 2] angsten voor de vader hebben ontwikkeld, welke angsten voort zouden vloeien uit gebeurtenissen in het verleden. Gelet hierop heeft de Raad, voorafgaand aan de herstelcontacten, de ouders uitgenodigd voor een gesprek met als doel de ouders voor te bereiden zodat de angsten van de minderjarigen gereguleerd zouden kunnen worden. Op 9 mei 2007 heeft een gesprek tussen de ouders plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is duidelijk geworden dat de vader voorbereid wenste te worden op de herstelcontacten, terwijl de moeder duidelijk heeft aangegeven dat zij haar medewerking aan herstelcontacten niet wenst te verlenen. In zijn rapportage heeft de Raad uiteindelijk geconcludeerd dat het laten plaatsvinden van herstelcontacten tussen de vader en de minderjarigen niet mogelijk is gebleken. De Raad is echter onverminderd van mening dat er geen contra-indicaties bestaan voor een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarigen.

2.3 De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat een omgangsregeling niet in het belang van de minderjarigen is. Volgens de moeder heeft de omgangsregeling nooit goed gelopen en veroorzaakt de vader angst bij de minderjarigen. De moeder stelt dat de vader is geradicaliseerd en dat hij zijn ideeën wil overbrengen op de minderjarigen. Daarnaast is de moeder bang dat de vader de minderjarigen meeneemt naar het buitenland. De vader is gewelddadig en onbetrouwbaar en heeft contacten in het criminele circuit. Een omgangsregeling onder begeleiding van haar zus, zoals de vader ter zitting heeft voorgesteld, is voor de moeder niet acceptabel. Volgens de moeder onderschat de Raad de ernst van de zaak en heeft hij niet serieus rekening gehouden met de angsten die er bij de moeder en de minderjarigen leven. Deze angsten en problemen zijn zodanig dat de moeder onlangs contact heeft opgenomen met Bureau Jeugdzorg. Het is noodzakelijk dat er door de Raad een goed en gedegen onderzoek wordt gedaan naar de situatie. Ter zitting heeft de moeder dan ook gepleit voor een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Voorts wenst zij de contacten met Bureau Jeugdzorg af te wachten alvorens wordt overgegaan tot het realiseren van een omgangsregeling.

2.4 Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij de minderjarigen ruim twee jaar niet heeft gezien. De vader ontkent de beschuldigingen van de moeder en stelt dat de moeder deze argumenten - die overigens niet zijn gestaafd op enig bewijsmateriaal - slechts gebruikt om hem het recht op omgang met zijn kinderen te ontzeggen. Volgens de vader is het duidelijk dat de moeder op geen enkele wijze wenst mee te werken aan het realiseren van contact tussen hem, [naam kind 1] en [naam kind 2]. De moeder weigert haar medewerking te verlenen aan ieder voorstel en frustreert de omgangsregeling opzettelijk. Gelet hierop heeft de vader ter zitting zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij deze aanvult met het verzoek een dwangsom op te leggen van € 1.000,-- voor iedere keer dat de moeder de omgangsregeling niet nakomt.

2.5 Uit hetgeen ter zitting is besproken en hetgeen de Raad heeft geconcludeerd, is het de rechtbank duidelijk geworden dat er bij de moeder geen draagvlak bestaat voor het realiseren van een omgangsregeling. Zij onderbouwt haar angsten en veronderstellingen jegens de vader op geen enkele wijze. De moeder weigert stelselmatig iedere vorm van medewerking aan het realiseren van contact, zelfs indien dit contact plaats kan vinden onder professionele begeleiding door de Raad voor de Kinderbescherming zoals de Raad herhaaldelijk heeft aangeboden.

De rechtbank wenst in deze zaak te benadrukken dat het niet laten plaatsvinden van contacten met de niet-verzorgende ouder de minderjarigen op latere leeftijd in hun persoonlijke en emotionele ontwikkeling ernstig kan schaden. Het is van belang dat de verzorgende ouder de minderjarigen toestemming geeft voor contact met de andere ouder zodat de minderjarigen niet in een loyaliteitsprobleem geraken. Het is van belang een loyaliteitsprobleem te allen tijde te voorkomen, aangezien juist dit probleem aanleiding geeft voor onrust en onveiligheid bij minderjarigen.

2.6 Evenals de Raad voor de Kinderbescherming kan de rechtbank niet anders concluderen dan dat er geen duidelijk aanwijsbare redenen te vinden zijn om de vader het recht tot omgang te ontzeggen, dan wel het realiseren van een omgangsregeling voorlopig uit te stellen. De Raad is duidelijk in zijn conclusie dat er geen indicaties of aanwijzingen zijn die het rechtvaardigen dat de vader en de minderjarigen geen contact met elkaar hebben. De moeder heeft op geen enkele wijze kunnen aantonen dat de vader inderdaad zou zijn geradicaliseerd of dat hij veelvuldig contacten heeft met het criminele circuit. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat tijdens het onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming uit 2006 is gebleken dat de minderjarige [naam kind 2] signalen heeft afgegeven dat hij behoefte heeft aan contact met zijn vader.

Gelet op het bovenoverwogene zal de rechtbank een omgangsregeling vaststellen waarbij de contacten tussen de vader en de minderjarigen langzaam zullen worden opgebouwd. Feit is dat de vader en de minderjarigen elkaar gedurende lange tijd niet hebben gezien waardoor een opbouw van de omgang noodzakelijk is om aan elkaar te kunnen wennen. Nu tegen het mondeling ter terechtzitting namens de vader gedaan verzoek op de nakoming van de omgangsregeling een dwangsom op te leggen geen bezwaar gemaakt is en ook overigens niet gebleken is dat de moeder hierdoor onredelijk bemoeilijkt wordt in het voeren van haar verweer acht de rechtbank het verzoek tot vermeerdering van de vordering met een dwangsom toelaatbaar. Ten aanzien van het opleggen van een dwangsom overweegt de rechtbank dat zij geen andere mogelijkheid ziet om een omgangsregeling te kunnen realiseren, nu de moeder ter zitting heel duidelijk heeft aangegeven dat zij op geen enkele wijze wenst mee te werken aan een realisatie van (begeleide)contacten tussen de vader en de minderjarigen. De moeder zal een dwangsom worden opgelegd van € 250,-- per keer dat de moeder in gebreke blijft haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige kinderen [naam kind 1] en [naam kind 2] met een maximum van € 5.000,--.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Stelt de volgende regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast:

De vader en de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1999 te [plaats];

- [naam kind 2], geboren op [datum ] 2001 te [plaats];

zijn gerechtigd als volgt omgang met elkaar te hebben:

- gedurende de eerste vier weken; wekelijks op zaterdag van 12.00 uur tot 14.00 uur;

- na vier weken; eens per week op zaterdag van 11.00 uur tot 15.00 uur;

- na acht weken; wekelijks op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur;

- na zestien weken; eens per veertien dagen van zaterdag 12.00 uur tot zondag 18.00 uur, gedurende twee maanden;

- na 24 weken: eens per veertien dagen een weekeinde van vrijdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur alsmede gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen.

De vader zal de minderjarigen ophalen bij de moeder en ze daar ook weer terugbrengen.

3.2 Bepaalt dat de moeder, per keer dat zij in gebreke blijft harerzijds deze omgangsregeling na te komen, een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt aan de vader ten bedrage van € 250,-- ( TWEEHONDERD EN VIJFTIG EURO) met een maximum van € 5.000,-- (VIJFDUIZEND EURO).

3.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van Andel, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 2 oktober 2007, in tegenwoordigheid van R.C.M. Martens als griffier.