Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB6010

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
15/740314-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem spreekt verdachte vrij van medeplegen van een overval, dan wel medeplichtigheid daaraan. Tevens wordt verdachte vrijgesproken van het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot een tweede overval. Verdachte wordt wel veroordeeld voor een poging tot uitlokking om een ander te bewegen deze tweede overval te begaan. Verdachte heeft contact gezocht met medeverdachte 1, van wie zij wist dat hij reeds meerdere gewapende overvallen had gepleegd. Verdachte heeft hem voorzien van informatie betreffende een groot geldbedrag dat aanwezig zou zijn bij een club te Den Bosch. Tevens heeft verdachte stappen ondernomen om de door haar gegeven tip om te zetten in daadwerkelijke plannen om deze club te overvallen. Slechts door ingrijpen van de politie is het handelen van verdachte te bestempelen als niet meer dan een poging om een ander uit te lokken een misdrijf te begaan. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740314-07

Uitspraakdatum: 18 oktober 2007

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

thans gedetineerd in PI Zuid Oost - HvB Ter Peel.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

PRIMAIR:

(zaak 3)

Zij op of omstreeks 16 september 2006 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag ter waarde van 2855,50 Euro in elk geval een geldbedrag, in elk geval van enig goed,

of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een geldbedrag ter waarde van 2855,50 Euro, in elk geval een geldbedrag in elk geval enig goed, heeft weggenomen welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld met geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

zijnde dat geldbedrag, in elk geval dat goed geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf "Schoenenreus BV" in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat de mededader van verdachte

(met een bivakmuts over zijn hoofd en/of met een vuurwapen in zijn hand)

- dat vuurwapen op de buik van die [slachtoffer 2] en/of in elk geval op de licha(a)m(en) van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij)

- dreigend heeft gezegd: "jullie moeten luisteren want hij staat op scherp" en/of "Ik meen het, ik wil naar de kluis" en/of "Waar is de kluis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft gedwongen in het toilet plaats te nemen en vervolgens de deur van dat toilet dicht te doen en/of vervolgens

- dreigend heeft gezegd: "blijf drie tot vijf minuten zitten" en/of "ik ben er nog, ik ben er nog", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

SUBSIDIAIR:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 16 september 2006 te IJmuiden, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag ter waarde van 2855,50 Euro in elk geval een geldbedrag, in elk geval van enig goed,

en/of

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een geldbedrag ter waarde van 2855,50 Euro in elk geval een geldbedrag in elk geval enig goed, heeft weggenomen welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld met geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

zijnde dat/die geldbedrag, in elk geval dat goed geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf "Schoenenreus BV" in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat [medeverdachte 1]

(met een bivakmuts over zijn hoofd en/of met een vuurwapen in zijn hand)

- dat vuurwapen op de buik van die [slachtoffer 2] en/of in elk geval op de licha(a)m(en) van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij)

- dreigend heeft gezegd: "jullie moeten luisteren want hij staat op scherp" en/of "Ik meen het, ik wil naar de kluis" en/of "Waar is de kluis", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft gedwongen in het toilet plaats te nemen en vervolgens de deur van dat toilet dicht te doen en/of vervolgens

- dreigend heeft gezegd: "blijf drie tot vijf minuten zitten" en/of "ik ben er nog, ik ben er nog", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, op of omstreeks 16 september 2006 te Rotterdam en/of te IJmuiden opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft

door voorafgaand aan dat misdrijf

(na de afspraak daartoe) die [medeverdachte 1] in een auto op te halen en/of naar voornoemde "Schoenenreus" te rijden , in elk geval bij die "Schoenenreus" in de buurt te brengen te brengen en/of (met die auto) in de buurt van die "Schoenenreus" te wachten

en/of na dat misdrijf

met die [medeverdachte 1] in een auto weg te rijden,

en aldus een zodanig ondersteunende rol te vervullen en/of een situatie te creeëren op grond waarvan de uitvoering van het misdrijf, door die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader werd bevorderd en/of gemakkelijk gemaakt;

2.

PRIMAIR:

(Zaak 9)

Zij op of omstreeks 20 maart 2007 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), althans alleen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld in vereniging van de "[club]" te Den Bosch hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 en lid 2 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht en/of afpersing in vereniging van de [club]" te Den Bosch hetgeen het misdrijf van artikel 317 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Strafrecht oplevert, opzettelijk een geladen vuurwapen en/of een of meer geprepareerde panty's/bivakmutsen en/of een rol (duck)tape en/of een auto kennelijk bestemd

tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad;

SUBSIDIAIR:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 maart 2007 tot en met 20 maart 2007 te Haarlem en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland heeft gepoogd om [medeverdachte 1] door in artikel 47, eerste lid onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door het verschaffen van middelen of inlichtingen, te bewegen om de "[club]" te Den Bosch te overvallen (te weten handelingen te plegen ten opzichte van die [club] en/of daarin aanwezigen zoals strafbaar gesteld in artikel(en) art 312 lid 1 en 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht en/of art 317 lid 1 en 3 Wetboek van Strafrecht) bestaande het verachaffen van die inlichtingen uit het volgende:

Op 14 en/of 15 en/of 16 en/of 19 en/of 20 maart 2007 heeft zij, verdachte, telefoongesprekken gevoerd (met) [betrokkene] en/of [medeverdachte 1] met de volgende inhoud:

- (op 14 maart zegt zij, verdachte, tegen die [betrokkene]): "Is [medeverdachte 1] er, het gaat

- om een hele goeie tip. Ik doe mee, dus ik moet eigenlijk [medeverdachte 1] hebben) en/of

- vervolgens

- (op 14 maart zegt zij, verdachte, tegen die [medeverdachte 1]): "Ik heb iets heel heel

- heel goeds. Ik denk dat je uit de shit bent. Ik breng je er persoonlijk heen.

- En ik ga het persoonlijk met jou doen daar. Er ligt sowieso 50. Want nu legt

- het er en je hebt met niks te maken geen camera's hele shit helemaal niks.

- Daarom moet het nu" en/of vervolgens

- - (op 15 maart zegt zij, verdachte, tegen die [medeverdachte 1]): "het moet effe een

- andere ochtend. Nou morgenochtend, nou wil je het echt al morgen doen, dat is

- veel te vlug. Nou we kennen het beter morgenochtend wel doen want morgen is

- vrijdag. Maar ik moet iemand hebben voor een andere auto. Okay. Morgen ken jij

- morgen. Morgen komen wij. Heb jij iemand nodig, helemaal niet, je kan het

- makkelijk. Morgen is er overdracht met geld. Ik heb wel een andere auto nodig.

- Het gaat erom dat ze mijn auto kennen en/of vervolgens

- (op 16 maart zegt zij verdachte, tegen die [medeverdachte 1]): "Had je mijn bericht

- gehoord? Nou op dit moment is daar iemand die jij niet moet hebben dat die

- daar is. En die is behoorlijk uh, ja.... Weet je wat het is, het kan wel zonde

- wezen maar als hij er op dat moment is. Het moet natuurlijk niet naar mijn

- richting komen. Dat ze dat weten. Als ik het uitleg dan begrijp je het echt.

- Ik wil op maandag komen, maar niet in het weekend" en/of vervolgens

- (op 19 maart zegt zij, verdachte, tegen die [medeverdachte 1]) "Ik kom zeker vandaag"

- en/of vervolgens

- (op 20 maart zegt zij, verdachte, tegen die [medeverdachte 1], op een vraag van die

- [medeverdachte 1] hoe laat ze op station Haarlem kan zijn): "Over een uurtje? Ja dat is

- goed, Half elf dan?" en/of woorden van gelijke aard of strekking

en/of bestaande het verschaffen van middelen uit

het (vervolgens) met een auto (na de afspraak daartoe) naar het station Haarlem CS te komen en die [medeverdachte 1] daar te ontmoeten.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Standpunten van partijen over het bewijs

3.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde, wegens gebrek aan voldoende wettig bewijs. De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.

3.2 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat verdachte van beide haar tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken, aangezien het benodigde wettig en overtuigend bewijs (voor de opzet bij verdachte) ontbreekt.

4. Oordeel van de rechtbank over het bewijs

4.1 Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair en subsidiair en onder feit 2 primair ten laste is gelegd. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4.2 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op tijdstippen in de periode van 14 maart 2007 tot en met 20 maart 2007 te Haarlem en te Rotterdam heeft gepoogd om [medeverdachte 1] door het verschaffen van inlichtingen te bewegen om de "[club]" te Den Bosch te overvallen, bestaande het verschaffen van die inlichtingen uit het volgende:

Op 14 en 15 en 16 en 19 en 20 maart 2007 heeft zij, verdachte, telefoongesprekken gevoerd met [betrokkene] en [medeverdachte 1] met de volgende inhoud:

- “Is [medeverdachte 1] er, het gaat om een hele goeie tip. Ik doe mee, dus ik moet eigenlijk [medeverdachte 1] hebben” en vervolgens

- “Ik heb iets heel heel heel goeds. Ik denk dat je uit de shit bent. Ik breng je er persoonlijk heen. En ik ga het persoonlijk met jou doen daar. Er ligt sowieso 50. Want nu legt het er en je hebt met niks te maken geen camera's hele shit helemaal niks. Daarom moet het nu” en vervolgens

- “Het moet effe een andere ochtend. Nou morgenochtend, nou wil je het echt al morgen doen, dat is veel te vlug. Nou we kennen het beter morgenochtend wel doen want morgen is vrijdag. Maar ik moet iemand hebben voor een andere auto. Okay. Morgen ken jij morgen. Morgen komen wij. Heb jij iemand nodig, helemaal niet, je kan het makkelijk. Morgen is er overdracht met geld. Ik heb wel een andere auto nodig. Het gaat erom dat ze mijn auto kennen” en vervolgens

- “Had je mijn bericht gehoord? Nou op dit moment is daar iemand die jij niet moet hebben dat die daar is. En die is behoorlijk uh, ja.... Weet je wat het is, het kan wel zonde wezen maar als hij er op dat moment is. Het moet natuurlijk niet naar mijn richting komen. Dat ze dat weten. Als ik het uitleg dan begrijp je het echt. Ik wil op maandag komen, maar niet in het weekend” en vervolgens

- “Ik kom zeker vandaag” en vervolgens

- “Over een uurtje? Ja dat is goed, Half elf dan?”.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.3 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

1. het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 17 april 2007 (map 10, dossierpagina 3119-3121);

2. het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 1 mei 2007 (map 10, dossierpagina 3147-3152).

3. het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 14 mei 2007 (map 10, dossierpagina 3090-3092).

4. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 14 maart 2007, gespreknummer 270054692 (map 10, dossierpagina 3053-3054);

5. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 14 maart 2007, gespreknummer 270052385 (map 10, dossierpagina 3055-3057);

6. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 14 maart 2007, gespreknummer 270052486 (map 10, dossierpagina 3058-3060);

7. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 15 maart 2007, gespreknummer 270052487 (map 10, dossierpagina 3061);

8. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 15 maart 2007, gespreknummer 270052138 (map 10, dossierpagina 3063-3064);

9. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 15 maart 2007, gespreknummer 270052345 (map 10, dossierpagina 3066);

10. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 16 maart 2007, gespreknummer 270054838 (map 10, dossierpagina 3067-3068);

11. een schriftelijk bescheid, te weten de schriftelijke uitwerking van een afgeluisterd telefoongesprek d.d. 20 maart 2007, gespreknummer 270056657 (map 10, dossierpagina 3072);

4.4 Feiten en omstandigheden

Uit deze bewijsmiddelen worden de navolgende feiten en omstandigheden benoemd:

- op woensdag 14 maart 2007 belt verdachte met de vriendin van [medeverdachte 1] met de mededeling dat zij een hele goeie T…I…P… heeft en dat zij sowieso meedoet en daarvoor [medeverdachte 1] nodig heeft (zie 4);

- op woensdag 14 maart 2007 zegt verdachte in een telefoongesprek met [medeverdachte 1] dat zij iets heel heel heel goeds heeft en dat er heel veel geld ligt. Verdachte zegt dat zij [medeverdachte 1] er persoonlijk naartoe brengt en het persoonlijk met hem gaat doen daar. Er ligt sowieso 50!. Verdachte zegt dat [medeverdachte 1] daar met niks te maken zal krijgen, geen camera’s of iets dergelijks. Daarom moet het nu! (zie 5);

- in een telefoongesprek van woensdag 14 maart 2007 met een onbekend gebleven persoon zegt [medeverdachte 1] dat hij net een heel belangrijk telefoontje heeft gehad en dat het om heel veel gaat. [medeverdachte 1] zegt dat verdachte alles zal regelen en voor vervoer zal zorgen. [medeverdachte 1] vraagt of hij op de onbekend gebleven persoon kan rekenen voor hulp (zie 6);

- in een telefoongesprek van donderdag 15 maart 2007 zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat het beter is op vrijdag (zie 7);

- in een telefoongesprek van donderdag 15 maart 2007 zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat het een andere ochtend moet en dat ze het beter morgenochtend kunnen doen, omdat het dan vrijdag is en er dan overdracht is met geld. Verdachte zegt dat zij iemand moet hebben voor een andere auto (zie 8);

- in een telefoongesprek van donderdag 15 maart 2007 zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat zij een andere auto nodig heeft, omdat “ze” haar auto kennen (zie 9);

- in een telefoongesprek van vrijdag 16 maart 2007 zegt verdachte tegen [medeverdachte 1] dat er op dat moment iemand aanwezig is die [medeverdachte 1] daar niet moet hebben, maar dat zij dan wel even wil doorbespreken voor aanstaande week. Verdachte zegt daarbij dat het natuurlijk niet naar haar richting moet komen (zie 10);

- in een telefoongesprek van dinsdag 20 maart 2007 spreekt verdachte met [medeverdachte 1] af dat zij elkaar die dag om 10.30 uur zullen ontmoeten op station Haarlem (zie 11);

- [medeverdachte 1] verklaart dat verdachte ergens 50.000 euro wist te liggen en dat zij daarover met elkaar zouden gaan spreken (zie 1);

- Verdachte bekent dat zij [medeverdachte 1] telefonisch heeft voorzien van een tip, betreffende een groot geldbedrag dat aanwezig zou zijn bij een stripclub te Den Bosch. Verdachte verklaart dat [medeverdachte 1] daar naar binnen zou gaan terwijl de meiden boven zouden zijn. Verdachte zou zelf meegaan in de auto en een van de meiden bellen om te kijken of ze boven zouden zijn. Verdachte wilde niet met haar eigen auto omdat de mensen van de club haar auto kenden, dus [medeverdachte 1] had iemand geregeld om te rijden.

[medeverdachte 1] zou naar binnen gaan met een nepvuurwapen of een gaspistool. De eigenaresse van de stripclub bewaart het geld in een bureau in het kantoor op de begane grond, waarvandaan één keer per week – op vrijdag – de salarissen worden uitbetaald.

Verdachte verklaart dat zij weet dat [medeverdachte 1] overvallen heeft gepleegd in het verleden en dat zij daarom hem benaderd heeft om iets te gaan doen (zie 2).

- Verdachte is werkzaam geweest in de [club] te Den Bosch. Het geld dat in de club aanwezig is wordt bewaard in een klein kluisje op de begane grond. Iedereen die bij de club werkt weet dat het geld daar ligt. Meestal worden op vrijdag de salarissen contant uitbetaald (zie 3).

4.5 Bewijsoverweging

De raadsvrouwe van verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de tip die door verdachte aan medeverdachte [medeverdachte 1] was gegeven niet als serieus te bestempelen was en verdachte nooit daadwerkelijk de opzet heeft gehad op het laten begaan van een misdrijf door [medeverdachte 1], daar zij vrijwel meteen na het geven van die tip heeft geprobeerd terug te treden van de uitvoering hiervan .

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende. Uit de verschillende telefoongesprekken die verdachte heeft gevoerd met [betrokkene] en medeverdachte [medeverdachte 1], met als inhoud de “goede tip” die verdachte zou hebben voor een overval, blijkt dat verdachte een concreet doel had bij het geven van die tip en dat zij dat doel ook heeft gedeeld met anderen. Door deze telefoongesprekken is [medeverdachte 1] daadwerkelijk uitgelokt om een misdrijf te begaan, aangezien hij contact heeft opgenomen met een onbekend gebleven derde met het verzoek hulp te verlenen bij de te plegen overval. Bovendien, zo overweegt de rechtbank, is van terugtreden van verdachte na het geven van de tip niet gebleken. Het dossier biedt namelijk geen feitelijke aanwijzingen die zouden moeten leiden tot de conclusie dat verdachte is teruggetreden van het voorgenomen plan. De rechtbank merkt daarbij – wellicht ten overvloede – op, dat terugtred van een poging tot uitlokking om een misdrijf te begaan niet goed denkbaar is, daar het delict reeds is voltooid na het geven van de tip.

4.6 Conclusie

Uit bovenstaande feiten en omstandigheden concludeert de rechtbank het volgende:

Verdachte heeft gepoogd een haar bekende overvaller te bewegen wederom een overval te begaan, door hem gedurende meerdere dagen te voorzien van verlokkelijke informatie. De persoon met wie zij contact opnam is blijkens het dossier ook daadwerkelijk door haar uitgelokt een misdrijf te begaan, op basis waarvan de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte het haar onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen te bewegen een afpersing of een diefstal te begaan voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd welke verdachte reeds heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis.

7.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte voorlichtingsrapport van 25 juni 2007 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in maart 2007 contact gezocht met [medeverdachte 1], van wie zij wist dat hij reeds meerdere gewapende overvallen had gepleegd. Verdachte heeft [medeverdachte 1] voorzien van informatie betreffende een groot geldbedrag dat aanwezig zou zijn bij – zo is achteraf gebleken – een seksclub te Den Bosch. Tevens heeft verdachte stappen ondernomen om de door haar gegeven tip om te zetten in daadwerkelijke plannen om deze club te overvallen, nu verdachte meerdere keren contact heeft gelegd met [medeverdachte 1] en hem op 20 maart 2007 te Haarlem heeft ontmoet om een en ander nader te bespreken. Slechts door ingrijpen van de politie is het handelen van verdachte te bestempelen als niet meer dan een poging om een ander uit te lokken een misdrijf te begaan.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij een haar bekende overvaller van informatie heeft voorzien, waarvan zij wist dat het resultaat een gewapende overval zou zijn. Verdachte heeft uit puur winstbejag gehandeld en het is de rechtbank duidelijk geworden dat de terugtrekkende bewegingen van verdachte niet zijn voortgekomen uit morele bezwaren tegen het plegen van een gewapende overval, maar uit angst dat verdachte achteraf niet zou meedelen in de buit of dat [medeverdachte 1] verdachte zou verraden.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van 2 jaar opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht: artikelen 14a, 14b, 14c, 46a, 311, 312, 317.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de haar onder feit 1 primair en subsidiair en onder feit 2 primair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hierboven onder 4.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. Kingma, voorzitter,

mrs. Koolen - Zwijnenburg en Hummel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers mrs. De Mos en Laffrée,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2007.

Mr. Hummel is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.