Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB5987

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
15/800686-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte terzake de opzettelijke invoer van 19981,3 gram cocaine tot een gevangenisstraf van 44 maanden met aftrek. De in beslag genomen voorwerpen worden verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800686-07

Uitspraakdatum: 8 oktober 2007

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 september 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 19981,3 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij op 12 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 19981,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank, nu verdachte het ten laste gelegde heeft bekend, volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen.

1.

de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik wist dat ik verdovende middelen bij mij had toen ik op 12 juni 2007 vanuit de Dominicaanse Republiek op Schiphol aankwam. In het vliegtuig heb ik in de tas gekeken. In de tas zat een groot aantal pakketten. Ik heb in de wc van het vliegtuig de inhoud van één van de pakketten, waarvan de verpakking stuk was gegaan, onderzocht. Toen wist ik dat de inhoud cocaïne was. Ik heb er ook een snuif van genomen.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (dossierparagraaf 2.3);

3.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen Verdovende middelen (dossierparagraaf 3.4 );

4.

het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium van de Belastingdienst van 18 juni 2007.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achtenveertig (48) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en verbeurdverklaring van de nummers 3, 4, 5, 6 en 7 zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 19981,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist. De door de rechtbank aan verdachte op te leggen straf is overeenkomstig de straf die zij ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat deze straf in overeenstemming is met de ernst van het bewezen verklaarde feit.

In de omstandigheden die door de raadsman van verdachte naar voren zijn gebracht, te weten dat aan het handelen van zijn cliënt een zekere mate van dwang ten grondslag heeft gelegen, gelet op het intimiderende gedrag van zijn schuldeisers, de relatief lage beloning die zijn cliënt zou krijgen en het feit dat hij zonder aanleiding heeft opgebiecht dat er nog een kilo cocaïne in het vliegtuig was achtergebleven, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien een lagere straf op te leggen dan zij in soort gelijke gevallen pleegt te doen.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een vliegticket, een instapkaart, een rekening, een envelop en een telefoontoestel, dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen, die aan verdachte toebehoren is begaan of voorbereid.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIERENVEERTIG (44) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

-1.00 stk vliegticket;

-1.00 stk instapkaart;

-1.00 stk rekening, Tozama travel;

-1.00 stk divers, envelop met hierop een aantal nummers;

-1.00 stk telefoontoestel, kl: zilver, Siemens a71.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M Burg, voorzitter,

mr. W.C.J. Robert en mr. C. Hummel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. Giling,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2007.