Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB5945

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
15/800684-07 en 15/500747-05 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte terzake invoer van 9700 gram cocaine tot een gevangenisstraf van 40 maanden met aftrek. De in beslag genomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. Verdachte liep nog in de proeftijd van een eerdere veroordeling in verband met een drugstransport. De gevangenisstraf wordt ten opzichte van de eis van de officier van justitie enigszins gematigd, wegens de relatief hoge leeftijd van verdachte en de kwalen waar hij aan lijdt, waardoor de detentie voor hem zwaar is te dragen. De vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800684-07 en 15/500747-05 (TUL)

Uitspraakdatum: 8 oktober 2007

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 september 2007 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende: [adres],

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 9700,0 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorendelijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 12 juni 2007 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 9700,0 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voorzover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

3.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot deze bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank, nu verdachte het ten laste gelegde heeft bekend, volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen.

1.

de verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd, waarin hij onder meer – zakelijk weergegeven – heeft verklaard:

Ik wist dat ik drugs bij mij had toen ik op 12 juni 2007 vanuit de Dominicaanse Republiek aankwam op Schiphol.

2.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 12 juni 2007 (dossierparagraaf 2.1);

3.

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen (dossierparagraaf 2.5);

4.

het deskundigenraport van het Douane Laboratorium van de Belastingdienst d.d. 18 juni 2007.

4. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van sanctie en van overige beslissingen

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijfenveertig (45) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, verbeurdverklaring van de goederen zoals vermeld op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, en tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

6.2 Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 24 september 2007 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 9700,0 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat zij bij het bepalen van de strafmaat ten nadele van verdachte in aanmerking neemt dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 juni 2007 op 4 augustus 2005 ook al is veroordeeld tot een gevangenisstraf in verband met een drugstransport. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, ondanks deze eerdere veroordeling waarvan hij nog in een proeftijd liep, zich wederom met verdovende middelen heeft ingelaten, en hij een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne in Nederland heeft ingevoerd.

In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, meer in het bijzonder de relatief hoge leeftijd van verdachte en de kwalen waar hij aan lijdt, waardoor detentie voor hem zwaar is te dragen, ziet de rechtbank aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf enigszins te matigen.

Mede op grond van de rapportage van de reclassering, die van oordeel is er voor haar geen taak is weggelegd en die een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseert, ziet de rechtbank, ondanks het pleidooi daarvoor van de raadsman, af van het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf met verplicht reclasseringstoezicht.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.3 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten twee instapkaarten, een vliegticket, een ticketvoucher, twee bonnen, zeven stuks notitie en memo en een telefoontoestel dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen die aan verdachte toebehoren, is begaan of voorbereid.

6.4 Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (algemene voorwaarde)

Bij vonnis van 4 augustus 2005 in de zaak met parketnummer 15/500747-05 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Haarlem verdachte ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke detentie voor de duur van zes maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Door de raadsman van verdachte is aan de rechtbank in overweging gegeven om in dit kader de proeftijd van verdachte met een jaar te verlengen en niet over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Voor een dergelijke handelwijze ziet de rechtbank in deze zaak echter geen enkele grond.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal de rechtbank de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke opgelegde detentie gelasten.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.1 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIG (40) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van ZES (6) MAANDEN, opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Haarlem d.d. 4 augustus 2005 in de zaak met parketnummer 15/500747-05.

Verklaart verbeurd:

-1.00 stk instapkaart, Martinair;

-1.00 stk instapkaart, KLM;

-1.00 stk vliegticket, KLM 0742470619115;

-1.00 stk diverse, ticketvoucher martinair 1294010095222;

-1.00 stk bon, ticketnummer 1293264978391;

-1.00 stk bon, kl: geel;

-7.00 stk notitie en memo, met daarop diverse tel.nrs;

-1.00 stk telefoontoestel, kl: zwart, Alcatel, imei nr: 359831002465149.

9. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.C.J. Robert, voorzitter,

mr. H.J.M Burg en mr. C. Hummel, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.J. Giling,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2007.