Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB5462

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
07-2393
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2009:BH2392, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkloosheidswet: Verweerder mag zelfstandig beoordelen of sprake is van een dringende reden voor ontslag als bedoeld in artikel 7:678, eerste lid, BW, los van de vraag of dit ook de daadwerkelijke ontslaggrond was. Dit volgt uit de Memorie van Toelichting bij artikel 24 WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 2393

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 september 2007

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser.

gemachtigde: mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht,

tegen:

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2006 heeft verweerder eisers aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 december 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 februari 2007 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 26 maart 2007 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 7 september 2007, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door D. Mooser, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

2. Overwegingen

2.1 Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Eiser werkte sinds 15 september 2000 bij de KLM op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij brief van 12 oktober 2005 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aan de KLM meegedeeld dat de 'verklaring van geen bezwaar' (hierna: VGB) van eiser is ingetrokken. Gebleken was dat bij eiser sprake was van justitiële antecedenten. De KLM heeft eiser vervolgens op non-actief gesteld met doorbetaling van zijn salaris. Eiser heeft bezwaar en vervolgens beroep ingesteld tegen het intrekken van de aan hem verleende VGB. Bij uitspraak van 14 december 2006 van deze rechtbank, is eisers beroep ongegrond verklaard.

Bij beschikking van 23 oktober 2006 heeft de kantonrechter te Haarlem eisers arbeidsovereenkomst met de KLM per 1 november 2006 ontbonden. Op 7 november 2006 heeft eiser een WW-uitkering aangevraagd. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen. Gesteld is dat eiser verwijtbaar werkloos is geworden, omdat eiser had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. In bezwaar heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

2.2 Eiser heeft in beroep - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Verweerder had volgens eiser zijn aanvraag moeten beoordelen op grond van artikel 24 WW zoals dat geldt sinds 1 oktober 2006. De beoordeling van verweerder of de beëindiging van het dienstverband "in de risicosfeer" van eiser zou liggen is per 1 oktober 2006 niet meer relevant. Op grond van het nieuwe artikel 24 WW had verweerder dienen te beoordelen of sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 Burgerlijk Wetboek (BW). Eiser betwist dat hiervan sprake was. De KLM heeft een ontbindingsverzoek ingediend op grond van veranderde omstandigheden. Verweerder heeft ook niet gesteld dat sprake was van een dringende reden.

2.3 Verweerder heeft in beroep gesteld dat in geval van eiser wel sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 24 WW. Vanwege eisers strafrechtelijke veroordeling is zijn Schipholpas ingetrokken, waardoor van de KLM redelijkerwijs niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat de KLM bij het ontbindingsverzoek niet heeft gesteld dat er sprake is van een dringende reden, wil nog niet zeggen dat er geen dringende reden is in de zin van artikel 24 WW.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.4 In artikel 24, eerste lid, onder a WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In het tweede lid, onder a, is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden te grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het BW en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.

2.5 In artikel 27, eerste lid, WW is bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a opgelegd, niet is nagekomen, het UWV de uitkering blijvend weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.

2.6 In artikel 7:678, eerste lid, BW is bepaald dat voor de werkgever als dringende reden in de zin van artikel 677, eerste lid, worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. In het tweede lid van artikel 7:678 BW zijn omstandigheden geschetst wanneer onder andere dringende redenen aanwezig geacht kunnen worden.

2.7 De rechtbank ziet zich gelet op het voorgaande geplaats voor de vraag of in geval van eiser sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW waardoor van de KLM redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

2.8 Namens eiser is gesteld dat slechts sprake kan zijn van een dringende reden als bedoeld in artikel 24 WW, als dit ook de ontslaggrond is geweest. De rechtbank volgt eiser niet in dit standpunt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zelfstandig mag beoordelen of sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag, los van de vraag of dit ook de daadwerkelijke ontslaggrond was. De rechtbank verwijst hiertoe naar de Memorie van Toelichting bij artikel 24 WW (Kamerstukken II 2005/06, 30370, nr. 3, pagina 25-26) waar is benadrukt dat ook sprake kan zijn van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder a, WWB als de dienstbetrekking anders dan door middel van een ontslag op staande voet of een ontbinding wegens dringende reden is beëindigd. Immers, in de Memorie van Toelichting staat - voor zover hier van toepassing - hieromtrent overwogen :

[...] Bij een identieke reden voor het ontslag zou de WW-uitkering van de ene werknemer wel en van de andere werknemer niet geweigerd worden, afhankelijk van de gevolgde ontslagroute. [...] Het kabinet houdt daarom vast aan de ontslagreden als aangrijpingspunt voor de toets op verwijtbare werkloosheid. [...] (pagina 25)

[...] De regering heeft daarom besloten om met dit wetsvoorstel ook de a-grond te wijzigen in die zin dat de werknemer alleen dan verwijtbaar werkloos is als hij zich zodanig ernstig heeft misdragen dat van de werkgever redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij de dienstbetrekking laat voortduren. In dat geval is sprake van een dringende reden voor ontslag in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het aannemen van verwijtbare werkloosheid is niet nodig dat de werknemer daadwerkelijk met een (onverwijld) beroep op de dringende reden op staande voet wordt ontslagen of dat zijn arbeidsovereenkomst om een dringende reden wordt ontbonden. Er kan ook sprake zijn van verwijtbare werkloosheid als de dienstbetrekking anders dan door middel van een ontslag op staande voet of een ontbinding wegens dringende reden is beëindigd. [...] (pagina 26)

2.9 Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gelet op onderhavige omstandigheden sprake was van een dringende reden. Immers, doordat eisers VGB was ingetrokken kon de KLM eiser niet meer tewerkstellen. Dat eiser zijn VGB is verloren vloeit voort uit verwijtbaar handelen van zijn kant. Immers, er was sprake van antecedenten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld jegens zijn werkgever. Eiser had moeten weten dat het hebben van antecedenten gevolgen zou hebben voor zijn VGB. De rechtbank sluit hierbij ook aan bij het oordeel van de kantonrechter van de rechtbank Haarlem die heeft geoordeeld dat de KLM niet anders heeft kunnen beslissen dan eiser uit zijn functie te ontheffen, nadat hij vanwege een strafrechtelijke veroordeling zijn VGB is kwijtgeraakt. Ook heeft de kantonrechter geoordeeld dat de oorzaak van de ontbinding volledig in de risicosfeer van eiser ligt. Derhalve heeft verweerder terecht kunnen stellen dat wat betreft eiser sprake was van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW waardoor van de KLM redelijkerwijze niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Geconcludeerd wordt dan ook dat verweerder op juiste gronden eisers aanvraag om een WW-uitkering heeft geweigerd.

2.10 Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.M. Rutten, rechter, en op 13 september 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. Buiskool, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.