Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2007:BB5450

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
07-6097
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeker twee keer uitgenodigd voor een gesprek, waarin verzoeker de nodige inlichtingen zou kunnen verschaffen. Verzoeker is twee keer, zonder opgave van redenen, niet verschenen. Verzoekers WWB-uitkering is eerst opgeschort en vervolgens ingetrokken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker heeft gehandeld in strijd met de inlichtingenplicht. Er is dan ook geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07 - 6097 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 oktober 2007

in de zaak van:

(verzoeker),

wonende te Wormerveer,

verzoeker,

gemachtigde: mr. G.E. Menick, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2007 heeft verweerder verzoekers recht op een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), per 1 augustus 2007 ingetrokken, omdat verzoeker heeft verzuimd aan verweerder inlichtingen te verschaffen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 10 september 2007 bezwaar gemaakt. Bij brief van 7 september 2007 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 24 september 2007, waar verzoeker in persoon is verschenen, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door G.S. Woudstra, werkzaam bij de gemeente Zaanstad.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker ontvangt van verweerder vanaf 17 februari 1992 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Met ingang van 1 januari 2004 is deze uitkering omgezet in een WWB-uitkering. Verzoeker ontvangt de bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Op 20 juli 2006 is er een traject in gang gezet gericht op de re-integratie van verzoeker en op het vinden van passende arbeid. Bij brief van 30 juli 2007 heeft verweerder verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 1 augustus 2007 om 08.30 uur. Verzoeker is niet op dit gesprek verschenen. Onder toepassing van artikel 54, eerste lid, WWB heeft verweerder de betaling van de uitkering van verzoeker opgeschort. Verweerder heeft verzoeker vervolgens bij brief van 1 augustus 2007 uitgenodigd voor een gesprek op vrijdag 3 augustus 2007 om 09.00 uur. Ook op dit gesprek is verzoeker niet verschenen. Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 3 augustus 2007 verzoekers recht op een WWB-uitkering per 1 augustus 2007 ingetrokken, omdat verzoeker heeft gehandeld in strijd met de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

2.2 Vervolgens heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Hij stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening, omdat hij door de intrekking van de WWB-uitkering zijn vaste lasten niet meer kan voldoen. Ook heeft verzoeker geen middelen om te kunnen voorzien in de primaire levensbehoeften. Verzoeker voert aan dat hij vanwege een sterfgeval in zijn familie de uitnodigingen van 30 juli 2007 en 1 augustus 2007 niet tijdig onder ogen heeft gehad. Volgens verzoeker is de termijn tussen beide uitnodigingen ook onredelijk kort. Naar zijn mening kan niet van hem worden verwacht dat hij, als hij de gemeente Zaanstad korte tijd verlaat, dit steeds aan verweerder meldt. Zo is hij in verband met familieaangelegenheden en vanwege zijn slechte gezondheid regelmatig een aantal dagen niet thuis. Dit hoeft hij niet steeds aan verweerder te melden, aldus verzoeker. Tot slot stelt verzoeker dat hij ongeveer een week na de laatste uitnodiging bij verweerders sociale dienst langs is geweest maar toen onverrichterzake is weggestuurd.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij terecht en op goede gronden verzoekers recht op een WWB-uitkering per 1 augustus 2007 heeft ingetrokken. Verzoeker is twee keer opgeroepen om te verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen. Hij is twee keer niet verschenen, zonder afbericht. Om die reden is het recht op uitkering beƫindigd wegens strijd met de inlichtingenplicht van artikel 17 WWB. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd, dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege een sterfgeval enige tijd van huis is geweest. Verweerder wijst ook op verzoekers eigen verantwoordelijkheid voor het lezen en beantwoorden van zijn post. Het is verweerder niet bekend dat verzoeker begin augustus 2007 bij de sociale dienst van verweerder langs is geweest.

2.4 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.5 Ingevolge artikel 17, eerste lid, WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op (onder meer) het recht op bijstand. Ingevolge het tweede lid van artikel 17 WWB, is de belanghebbende verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 54 WWB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, kan het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten:

a. vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of

b. vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.

2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen.

3. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, kan het college een dergelijk besluit herzien of intrekken:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, (.................) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

4. Als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, kan het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort."

2.6 Deze procedure spitst zich toe op de vraag of verweerder verzoekers uitkering krachtens de WWB, naar voorlopig oordeel, op juiste gronden met ingang van 1 augustus 2007 heeft ingetrokken.

2.7 Vaststaat dat verzoeker geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodigingen van verweerder van 1 en 3 augustus 2007. Hierdoor heeft hij gehandeld in strijd met de in artikel 17 WWB neergelegde inlichtingenplicht. Verzoeker heeft vervolgens pas vijf weken na het nemen van het bestreden besluit redenen aangevoerd waarom hij niet op de afspraken verschenen is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het op de weg van verzoeker gelegen om terstond bij terugkeer naar huis, bij het aantreffen van de oproepen, contact op te nemen met zijn consulent om alsnog een afspraak te maken om uiteen te zetten waarom hij verstek had laten gaan en om de noodzakelijke inlichtingen te verstrekken. Doordat de verklaringen van verzoeker op een zo laat tijdstip zijn aangevoerd, verliezen deze, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, aan geloofwaardigheid. Overigens heeft verzoeker voor zijn stelling dat hij vanwege een sterfgeval in de familie afwezig was eerst ter zitting bewijs overgelegd, waarbij de getoonde rouwkaart overigens geen datum bevatte, en evenmin duidelijk was dat de rouwkaart inderdaad betrekking heeft op een familielid van verzoeker. Ook de stelling van verzoeker dat hij kort na het primaire besluit verweerders sociale dienst heeft bezocht, acht de voorzieningenrechter weinig overtuigend. Verzoekers bezoek is verweerder niet bekend en, volgens eigen verklaring, heeft verzoeker zich ook niet duidelijk kenbaar gemaakt. Van verzoeker had verwacht mogen worden dat hij, indien hij niet onmiddellijk kon worden geholpen, een afspraak zou hebben gemaakt om terug te komen en niet, na drie kwartier gewacht te hebben, zonder zich te melden, te vertrekken. De voorzieningenrechter volgt tenslotte verweerder in diens stelling dat, wanneer verzoeker gedurende een wat langere tijd zijn woning verlaat, hij hiervan mededeling moet doen aan verweerder, dan wel tijdens zijn afwezigheid iemand anders moet machtigen om zijn post te bewaken en zo nodig te openen.

2.8 Op grond van het voorgaande heeft verweerder, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, verzoekers WWB-uitkering terecht en op goede gronden per 1 augustus 2007 ingetrokken.

2.9 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe dan ook af.

2.10 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heijning-Huydecoper, voorzieningenrechter, en op 1 oktober 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van

P.M. van der Pol, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.